Выбрать главу
Leer nu de les van Levende Wezens! Noem eerst de vier, de vrije volken: Oudste van alle, de elfenkindren; Dwerg de delver, donker zijn huizen; Ent, uit de aarde geboren, oud als bergen, Mens de sterveling, meester van paarden:

Hm, hm, hm.

Bever de bouwer, bok de springer, Beer bijenjager, zwijn de vechter; Hond is hongerig, haas vreesachtig...

Hm, hm.

Adelaar in hemel, os in weide, Hert, het gehoornde, valk de vlugste, Zwaan de witste, slang de koudste...

Hoem, hm, hoem, hm, hoe ging het ook alweer? Roem-tum, roem-tum, roemtie-toem-tum. Het was een lange lijst. Maar in ieder geval schijnen jullie er niet op voor te komen!’

‘Wij schijnen altijd uit de oude lijsten en verhalen te zijn weggelaten,’ zei Merijn. ‘En toch zijn we er al heel lang geweest. Wij zijn hobbits.’

‘Waarom maken we geen nieuwe regel?’ vroeg Pepijn.

Half-grote hobbits, de holbewoners.

Voeg ons in bij de vier, na de mensen (de Grote Lieden) en u bent er.’

‘Hm, niet slecht, niet slecht,’ zei Boombaard. ‘Dat zou wel gaan.

Dus jullie wonen in holen, hè? Dat klinkt keurig netjes. Maar wie noemt jullie hobbits ? Dat klinkt mij helemaal niet elfs toe. Elfen hebben alle oude woorden gemaakt; zij zijn ermee begonnen.’

‘Niemand anders noemt ons hobbits; zo noemen we onszelf,’ zei Pepijn.

‘Hoem, hmmm! Kom nu! Niet zo haastig. Noemen jullie jezelf hobbits? Maar dat moet je niet zomaar aan iedereen vertellen. Jullie zullen je je echte eigen namen nog laten ontvallen als je niet oppast.’

‘Daar zijn we niet voorzichtig mee,’ zei Merijn. ‘Feitelijk ben ik een Brandebok, Meriadoc Brandebok, hoewel de meeste lieden mij gewoon Merijn noemen.’

‘En ik ben een Toek. Peregrijn Toek, maar ik word gewoonlijk Pepijn of zelfs wel Pep genoemd.’

‘Hm, maar ik zie dat jullie haastige luitjes zijn,’ zei Boombaard. ‘Ik voel me vereerd door jullie vertrouwen; maar je moet niet meteen al te loslippig worden. Er zijn enten en enten, weet je? Of er zijn enten en dingen die er als enten uitzien, maar het niet zijn, zoals je zou kunnen zeggen. Ik zal jullie Merijn en Pepijn noemen als je het goed vindt – leuke namen. Want ik ga jullie mijn naam niet vertellen – nog niet in elk geval.’ Een vreemde, half-wetende, half-humoristische blik kwam met een groene schittering in zijn ogen. ‘In de eerste plaats zou het veel tijd vergen: mijn naam groeit almaar door, en ik heb heel, heel lang geleefd, dus mijn naam is net een heel verhaal. Echte namen in mijn taal – in het Oud-ents zou je kunnen zeggen – vertellen je de geschiedenis van de dingen waartoe ze behoren. Het is een mooie taal, maar het duurt heel lang om er iets in te zeggen, want we zeggen er niets in, tenzij het de moeite waard is om er lang over te doen om het te zeggen, en naar te luisteren. Maar nu,’ en de ogen werden heel helder en ‘aanwezig’, terwijl zij kleiner en bijna scherp schenen te worden, ‘wat is er aan de hand? Wat hebben jullie met dit alles te maken? Ik kan een heleboel van dit, van dit a-lallalalla-rumba-kamanda-lind-or-burumë zien en horen ( en ruiken en voelen). Neem me niet kwalijk, maar dat is een deel van mijn naam ervoor; ik weet niet wat het woord er in de andere talen voor is: weet je, het ding waarop we staan, waar ik op sta en op mooie ochtenden over uitkijk, en denk over de zon en het gras achter het woud, en de paarden, en de wolken en de ontplooiing van de wereld. Wat is er aan de hand? Wat voert Gandalf in zijn schild? En deze – burárum,’ hij maakte een diep rommelend geluid als een dissonant op een groot orgel, ‘die orks, en de jonge Saruman daar in Isengard? Ik hou van nieuws. Maar alsjeblieft nu niet te vlug.’

‘Er is een heleboel aan de hand,’ zei Merijn, ‘maar ook als we probeerden vlug te zijn, zou het veel tijd vergen om het te vertellen. Maar u hebt ons gezegd niet haastig te zijn. Moeten we u al zo gauw iets vertellen? Zou u het onbeleefd vinden als we vroegen wat u met ons gaat doen, en aan welke kant u staat? En hebt u Gandalf gekend?’

‘Jazeker ken ik hem: de enige tovenaar die echt om bomen geeft,’ zei Boombaard. ‘Kennen jullie hem?’

‘Ja,’ zei Pepijn bedroefd, ‘we hebben hem gekend. Hij was een goede vriend, en hij was onze gids.’

‘Dan kan ik jullie andere vragen beantwoorden,’ zei Boombaard. ‘Ik ga helemaal niets met jullie doen; niet als je daarmee bedoelt “jullie iets aandoen ”, zonder jullie toestemming. We zouden enkele dingen samen kunnen doen. Ik weet niets over kanten. Ik ga mijn eigen weg; maar jullie weg valt misschien een tijdlang met de mijne samen. Maar jullie spreken over meester Gandalf alsof hij in een verhaal voorkomt dat is geëindigd.’

‘Ja, dat doen we ook,’ zei Pepijn droevig. ‘Het verhaal schijnt verder te gaan, maar ik ben bang dat Gandalf eruit verdwenen is.’

‘Hoei, kom nu!’ zei Boombaard. ‘Hoem, hm, nou goed.’ Hij zweeg en keek de hobbits lang aan. ‘Hoem, ach, welnu, ik weet niet wat ik moet zeggen. Kom nu!’

‘Als u meer wilt horen,’ zei Merijn, ‘zullen we het u vertellen. Maar het zal enige tijd vergen. Zou u ons niet willen neerzetten? Zouden we hier niet samen in de zon kunnen zitten zolang hij schijnt? U moet wel moe worden met ons in uw armen.’

‘Hm, moe ? Nee, ik ben niet moe. Ik word niet gemakkelijk moe. En ik ga ook niet zitten. Ik ben niet erg, hm, buigzaam. Maar kijk eens, de zon gaat weg. Laat ons deze – hoe noemden jullie het ook alweer?’

‘Heuvel,’ opperde Pepijn.

‘Rand, richel,’ stelde Merijn voor. Boombaard herhaalde de woorden bedachtzaam. ‘ Heuvel. Ja, dat was het. Maar het is een haastig woord voor iets dat hier heeft gestaan sinds dit deel van de wereld werd gevormd. Maar dat hindert niet. Laat ons hier weggaan.’

‘Waar zullen we heen gaan?’ vroeg Merijn.

‘Naar mijn huis of een van mijn woonplaatsen,’ antwoordde Boombaard.

‘Is het ver?’

‘Ik weet het niet. Jullie zouden het misschien ver noemen. Maar wat hindert dat?’

‘Nu, ziet u, we zijn al onze bezittingen kwijtgeraakt,’ zei Merijn. ‘We hebben maar een klein beetje eten.’

‘O, hm! Daar hoeven jullie je geen zorgen over te maken,’ zei Boombaard. ‘Ik kan jullie een drank geven die jullie een heel lange tijd groen en aan het groeien houdt. En als we besluiten uiteen te gaan, kan ik jullie op ieder punt dat je maar wilt buiten mijn land neerzetten. Laat ons gaan!’

Terwijl hij de hobbits vriendelijk maar stevig vasthield, één in de holte van iedere arm, tilde Boombaard eerst één grote voet op en toen de andere, en bewoog ze naar de rand van de richel. De wortelachtige tenen grepen de rotsen vast. Toen, voorzichtig en plechtstatig, beende hij tree na tree af en bereikte de bodem van het Woud.

Onmiddellijk liep hij met lange weloverwogen stappen tussen de bomen door, al dieper en dieper het woud in, nooit ver van de stroom, geleidelijk tegen de hellingen van de bergen opklimmend. Veel bomen schenen te slapen of hem evenmin te zien als enig ander levend wezen dat alleen maar voorbijkwam, maar sommige sidderden en sommige hieven hun takken boven zijn hoofd toen hij naderde. Ondertussen, terwijl hij liep, sprak hij bij zichzelf in een lange vloeiende stroom van muzikale klanken.