De hobbits waren enige tijd stil. Zij voelden zich vreemd genoeg veilig en op hun gemak, en hadden een hoop om over na te denken en zich af te vragen. Eindelijk waagde Pepijn het om weer te spreken.
‘Alstublieft, Boombaard,’ zei hij, ‘zou ik u iets mogen vragen? Waarom heeft Celeborn ons voor uw bos gewaarschuwd? Hij heeft ons gezegd dat we niet moesten riskeren erin verstrikt te raken.’
‘Hm, heeft hij dat werkelijk gezegd?’ bromde Boombaard. ‘En ik zou misschien iets dergelijks hebben gezegd als jullie de andere kant waren uitgegaan. Loop niet het risico verstrikt te raken in de bossen van Laurelindórenan! Zo noemden de elfen het vroeger; maar nu korten ze de naam af: Lothlórien, noemen ze het. Misschien hebben ze gelijk, misschien is het aan het afsterven, niet aan het groeien. Land van de Vallei van Zingend Goud, dat was het, eens. Nu is het de Droombloem. Nou ja! Maar het is een vreemd oord en niet geschikt voor zomaar iedereen om zich in te wagen. Het verbaast me dat jullie er ooit uit zijn gekomen, maar nog veel meer dat jullie er ooit in zijn gekomen: dat is vreemdelingen vele jaren niet gelukt. Het is een vreemd land.
En dit ook. Mensen zijn hier aan een droevig einde gekomen. Ja, heus hoor, een droevig einde. Laurelindórenan lindelorendor malinornélion ornemalin,’ neuriede hij bij zichzelf. ‘Ze raken nogal achter in de wereld, daarginds, denk ik,’ zei hij. ‘Noch dit land, noch andere plekken buiten het Gouden Woud zijn in dezelfde staat als toen Celeborn jong was. Maar toch:
‘Is het ver?’De dingen zijn veranderd, maar hier en daar is het nog waar.’
‘Wat bedoelt u?’ vroeg Pepijn. ‘Wat is waar?’
‘De bomen en de enten,’ zei Boombaard. ‘Ik begrijp zelf niet alles wat er gebeurt, dus kan ik het jullie niet uitleggen. Sommigen van ons zijn nog echte enten en levendig genoeg op onze manier, maar velen beginnen slaperig te worden, boomachtig, zou je kunnen zeggen. De meeste bomen zijn gewoon bomen, natuurlijk; maar vele zijn halfwakker. Sommige zijn helemaal klaarwakker en een paar beginnen, welnu, entachtig te worden. Dat gebeurt de hele tijd.
Wanneer dat met een boom gebeurt, zie je dat sommige rotte harten hebben. Heeft niets met hun hout te maken: dat bedoel ik niet. Hemel, ik heb een stel goede oude wilgen bij de Entwas gekend, die lang geleden zijn verdwenen, helaas! Die waren helemaal hol, eigenlijk vielen ze uit elkaar, maar even rustig en zoetgevooisd als een jong blad. En dan zijn er sommige bomen in de valleien onder de bergen, zo gezond als het maar kan, maar door en door rot. Dat soort dingen schijnt zich te verbreiden. Er waren vroeger een paar heel gevaarlijke streken in dit land. Er zijn nog altijd een paar erg donkere plekken.’
‘Zoals het Oude Woud in het noorden, bedoelt u?’ vroeg Merijn.
‘Ja, ja. Ongeveer, maar veel erger. Ik twijfel er niet aan dat er over het noorden nog een soort schaduw van de Grote Duisternis ligt; en slechte herinneringen worden overgeleverd. Maar er zijn diepe dalen in dit land, waar de Duisternis nooit is opgetrokken, en de bomen ouder zijn dan ik. Maar we doen wat we kunnen. Wij houden vreemdelingen en de dwazen weg; en we oefenen en we onderwijzen, we lopen en we wieden.
Wij zijn boomherders, wij, oude enten. Weinigen van ons zijn er nu nog over. Schapen worden als schaapherder, en schaapherders als schapen, zegt men; maar langzaam, en geen van beiden is een lang leven beschoren in de wereld. Het gaat sneller en in sterkere mate met bomen en enten, en zij schrijden tezamen de eeuwen door. Want enten lijken meer op elfen: minder in zichzelf geïnteresseerd dan mensen zijn, en beter in staat zich in andere dingen te verplaatsen. Maar aan de andere kant lijken enten toch ook weer meer op mensen, ze zijn veranderlijker dan de elfen, en nemen vlugger de kleur van hun omgeving aan, zou je kunnen zeggen. Of beter dan beiden: want ze zijn stabieler en houden hun gedachten langer bij de dingen.
Sommigen van mijn verwanten zien er nu precies zoals bomen uit en hebben iets groots nodig om hen wakker te schudden; en ze spreken alleen fluisterend. Maar sommige van mijn bomen zijn lenig van ledematen, en vele kunnen met mij praten. De elfen zijn er natuurlijk mee begonnen, met bomen te wekken en ze te leren spreken en hun boomtaal te leren. Ze wilden altijd met alles spreken, de elfen van vroeger. Maar toen viel de Grote Duisternis, en ze trokken weg over de Zee of vluchtten in verre valleien, en verborgen zich en maakten liederen over dagen die nooit meer terug zouden komen. Nooit meer. Ja, ja, eens was alles één bos, van hier tot aan de Bergen van Lune, en dit was eenvoudig het Oosteinde.
Dat waren de volle dagen! Er was een tijd dat ik de hele dag kon lopen zingen en slechts de echo van mijn eigen stem in de schallende heuvels kon horen. De bossen waren als de bossen van Lothlórien, alleen dichter, sterker en jonger. En de geur van de lucht! Ik deed soms een hele week niets anders dan ademhalen.’
Boombaard verviel in stilzwijgen en schreed voort, hoewel hij nauwelijks een geluid met zijn grote voeten maakte. Toen begon hij weer te neuriën en verviel in een mompelend zingen. Geleidelijk werden de hobbits zich bewust dat hij voor hen zong:
Hij eindigde en liep zwijgend verder, en in het hele woud, zo ver het oor reikte, weerklonk geen geluid.
De dag liep ten einde en de schemering omstrengelde de stammen van de bomen. Ten slotte zagen de hobbits een steil donker landschap voor zich oprijzen; zij waren aan de voet van de bergen gekomen, aan de groene uitlopers van de hoge Methedras. Langs de hellingen van de heuvel sprong de jonge Entwas van haar bron hoog erboven en stroomde hun luidruchtig van waterval tot waterval tegemoet. Rechts van de stroom was een lange helling, begroeid met gras, nu grijs in de schemering. Er groeiden daar geen bomen en zij lag open onder de hemeclass="underline" sterren schenen al in meren tussen wolkenstranden.
Boombaard schreed de helling op, zijn vaart nauwelijks verminderend. Plotseling zagen de hobbits een wijde opening voor zich. Er stonden twee grote bomen, een aan elke kant, als levende deurposten; maar er was geen ander hek dan hun kruisende en verstrengelde takken. Toen de oude ent naderbij kwam, hieven de bomen hun takken op, en al hun bladeren trilden en ruisten. Want het waren altijdgroene bomen, en hun bladeren waren donker en glad, en glansden in de schemering. Achter hen was een wijde effen vlakte, alsof de vloer van een grote zaal in de zijkant van de heuvel was uitgegraven. Aan beide kanten liepen de muren schuin naar boven, tot zij vijftien meter of hoger waren, en langs iedere muur stond een rij bomen die hoger werden naarmate ze verder naar binnen stonden.
Aan het uiteinde was de rotsmuur steil, maar aan de voet ervan was hij uitgehold tot een ondiepe nis met een gewelfd dak: het enige dak van de zaal, op de takken van de bomen na, die aan de binnenzijde de hele grond beschaduwde, en slechts een breed pad in het midden openliet. Een stroompje ontsnapte aan de bronnen daarboven en viel, van de hoofdstroom afbuigend, tinkelend langs de steile rotswand als een regen van zilveren droppen, als een dun gordijn voor de boogvormige nis. Het water werd weer in een stenen bassin in de grond tussen de twee bomen opgevangen, liep over de rand en stroomde langs het open pad weg om zich weer bij de Entwas op haar reis door het bos te voegen.