Maar die Saruman nu! Saruman is een buurman; ik kan hem niet negeren. Ik veronderstel dat ik iets moet doen. Ik heb me de laatste tijd vaak afgevraagd wat ik met Saruman aan moet.’
‘Wie is Saruman?’ vroeg Pepijn. ‘Weet u iets van zijn geschiedenis af?’
‘Saruman is een tovenaar,’ antwoordde Boombaard. ‘Meer kan ik niet zeggen. Ik ken de geschiedenis van tovenaars niet. Ze zijn voor de eerste keer opgedoken nadat de Grote Schepen over de zee waren gekomen; maar of ze met de Schepen zijn meegekomen weet ik niet. Saruman werd als een van de groten onder hen beschouwd, geloof ik. Enige tijd geleden is hij opgehouden met zwerven en zich met de zaken van elfen en mensen gaan bemoeien – hoewel jullie het een heel lange tijd geleden zouden noemen – en heeft zich in Angrenost, ofwel Isengard, zoals de mensen van Rohan het noemen, gevestigd. Hij was aanvankelijk erg rustig, maar zijn roem begon groter te worden. Hij werd tot hoofd van de Witte Raad gekozen, zegt men, maar dat heeft niet zo goed uitgepakt. Ik vraag me nu af of hij niet het slechte pad is opgegaan. Maar in ieder geval placht hij zijn buren geen overlast te bezorgen. Ik sprak vaak met hem. Er was een tijd dat hij altijd door mijn bossen liep. Hij was beleefd in die dagen en vroeg me altijd om toestemming (tenminste, als hij me tegenkwam); en luisterde altijd met graagte. Ik heb hem vele dingen verteld die hijzelf nooit zou hebben ontdekt, maar hij heeft mij nooit een wederdienst bewezen. Ik kan me niet herinneren dat hij mij ooit iets verteld heeft. En hij ging meer en meer die kant uit; zijn gezicht, voorzover ik het mij herinner – want ik heb het in lange tijd niet gezien – werd als een raam in een stenen muur; een raam met luiken aan de binnenkant.
Ik denk dat ik nu begrijp wat hij in de zin heeft. Hij is eropuit een Macht te worden. Hij heeft een geest van metaal en wielen en hij geeft niets om dingen die groeien, behalve als ze hem op een gegeven ogenblik van dienst kunnen zijn. En nu is het duidelijk dat hij een zwarte verrader is. Hij heeft het met gemene lieden aangelegd, met orks. Brm, hoem! Nog erger: hij heeft iets met ze gedaan, iets gevaarlijks. Want deze Isengarders lijken veel meer op slechte mensen. Het is een teken van boze dingen die tijdens de Grote Duisternis kwamen, dat ze de zon niet kunnen verdragen; maar Sarumans orks kunnen dat wel, ook al haten zij haar. Ik vraag me af wat hij gedaan heeft. Zijn het mensen die hij tot verderf heeft gebracht, of heeft hij de geslachten van mensen en orks vermengd? Dat zou wel een heel kwalijke zaak zijn.’
Boombaard rommelde even, alsof hij een diepe onderaardse entse verwensing uitsprak. ‘Enige tijd geleden ben ik mij gaan afvragen hoe het kwam dat orks zo vrij door mijn bossen durfden te trekken,’ vervolgde hij. ‘Pas kort geleden vermoedde ik dat Saruman hier schuld aan had, en dat hij lang geleden alle wegen had laten bespieden en mijn geheimen had ontdekt. Hij en zijn smerige lieden houden nu vreselijk huis. Aan de grenzen vellen ze bomen – goede bomen. Sommige van de bomen hakken ze alleen maar om en laten ze verrotten – orkbaldadigheid; maar de meeste worden stukgehakt en weggevoerd om de vuren van Orthanc aan te houden. Er stijgt tegenwoordig altijd rook uit Isengard op.
Ik vervloek hem, wortel en tak! Vele van die bomen waren mijn vrienden, schepselen die ik nog als noot en eikel had gekend; vele hadden zelf stemmen, die nu voor altijd verstomd zijn. En er zijn woestenijen van stronken en dood hout waar eens zingende bosjes hebben gestaan. Ik heb geluierd. Ik ben laks geweest. Er moet een einde aan komen!’
Boombaard verhief zich met een ruk van zijn bed, stond op en sloeg met zijn hand op de tafel. De kruiken met licht trilden en twee grote vlammen sliertten eruit op. Er was een flikkering als van groen vuur in zijn ogen, en zijn baard stak stijf naar voren als een grote borstel.
‘Ik zal er een einde aan maken,’ bulderde hij. ‘En jullie zullen met me meegaan. Jullie zullen me misschien kunnen helpen. En op die manier zullen jullie je eigen vrienden ook helpen; want als Saruman niet in toom wordt gehouden, zullen Rohan en Gondor zowel van voren als in de rug een vijand hebben. Onze wegen vallen samen – naar Isengard!’
‘Wij zullen met u meegaan,’ zei Merijn. ‘We zullen doen wat we kunnen.’
‘Ja!’ zei Pepijn. ‘Ik zou graag zien dat de Witte Hand omver werd geworpen. Ik zou er graag bij willen wezen, ook al zou ik van weinig nut zijn; ik zal Uglúk en de tocht door Rohan nooit vergeten.’
‘Goed! Goed!’ zei Boombaard. ‘Maar ik heb te haastig gesproken. We moeten niet haastig zijn. Ik ben te vurig geworden. Ik moet mezelf laten afkoelen en nadenken, want het is gemakkelijker om “ophouden” te roepen dan het te doen.’
Hij schreed naar de boog en bleef een tijdje onder de regen van de bron staan. Toen lachte hij en schudde zich, en waar de waterdroppels fonkelend van hem op de grond vielen, bleven zij als rode en groene vonken liggen glinsteren. Hij kwam terug en ging weer op bed liggen en zweeg.
Na een tijdje hoorden de hobbits hem weer mompelen. Hij scheen op zijn vingers te tellen. ‘Fangorn, Finglas, Fladrif, ja, ja,’ zuchtte hij. ‘De moeilijkheid is dat er zo weinig van ons over zijn,’ zei hij, zich tot de hobbits wendend. ‘Slechts drie zijn er over van de eerste enten die vóór de Duisternis door de wouden liepen: alleen ikzelf, Fangorn, en Finglas en Fladrif – om hen bij hun elfse namen te noemen: jullie mogen hen Bladlok en Huidbast noemen als je dat gemakkelijker vindt. En van ons drieën zijn Bladlok en Huidbast van weinig nut voor deze aangelegenheid. Bladlok is slaperig geworden, bijna boomachtig zou je kunnen zeggen; hij heeft tegenwoordig de gewoonte om op z’n eentje half in slaap te staan, de hele zomer door, met het hoge gras van de w eilanden om zijn knieën. Hij is helemaal bedekt met bladerig haar. In de winter werd hij nog wel eens wakker, maar de laatste tijd is hij te soezerig om zelfs dan nog ver te lopen. Huidbast woonde op de berghellingen ten westen van Isengard. Daar zijn de ergste moeilijkheden geweest. Hij werd door de orks gewond en velen van zijn volk en zijn boomkudden zijn uitgemoord en vernietigd. Hij is de hoge gedeelten ingetrokken tussen de berken, waar hij het meeste van houdt, en hij wil niet naar beneden komen. Maar toch zou ik zeggen dat ik een behoorlijk gezelschap jongeren zou kunnen optrommelen, als ik hen van de noodzaak zou kunnen overtuigen, als ik ze warm kon maken; wij zijn geen haastig volk. Wat jammer dat we met zo weinigen zijn!’
‘Maar waarom zijn er zo weinig als u zo lang in dit land hebt gewoond?’ vroeg Pepijn. ‘Zijn er een hoop gestorven?’
‘O, nee,’ zei Boombaard. ‘Geen zijn van binnenuit gestorven, zoals je zou kunnen zeggen. Sommigen zijn gevallen in de tegenspoeden van de lange jaren, natuurlijk; en nog meer zijn er boomachtig geworden. Maar we zijn nooit zeer talrijk geweest en we hebben ons niet vermenigvuldigd. Er zijn al een verschrikkelijke hoop jaren geen entings – geen kinderen, zoals jullie zouden zeggen, geweest. Want zie je, we hebben de entvrouwen verloren.’
‘Wat vreselijk droevig,’ zei Pepijn. ‘Hoe is het gekomen dat ze allemaal zijn gestorven?’
‘Ze zijn niet gestorven,’ zei Boombaard. ‘Ik heb nooit gezegd dat ze zijn gestorven. We hebben ze verloren, zei ik. We zijn ze kwijtgeraakt en kunnen ze niet meer vinden.’ Hij zuchtte. ‘Ik dacht dat iedereen dat wel wist. Er zijn liederen over de jacht van de enten op de entvrouwen geweest die de elfen en mensen van Demsterwold tot aan Gondor zongen. Ze kunnen niet helemaal vergeten zijn.’
‘Nou, ik vrees dat die liederen niet over de Bergen naar het westen naar de Gouw zijn gegaan,’ zei Merijn. ‘Wilt u ons er niet meer over vertellen, of een van die liederen voor ons zingen?’
‘Ja, dat wil ik wel,’ zei Boombaard, die blij scheen te zijn met het verzoek. ‘Maar ik kan het niet vertellen, zoals het moet, alleen maar in het kort; en dan moeten we ons gesprek beëindigen: morgen hebben wij vergaderingen bijeen te roepen en werk te doen, en misschien zullen we op reis moeten gaan.’