‘Het is een nogal vreemd en droevig verhaal,’ vervolgde hij na een pauze. ‘Toen de wereld jong was en de wouden wijd en wild waren, liepen de enten en de entvrouwen samen – en er waren toen ook entmaagden: ach, de lieflijkheid van Fimbrethil of Staftak, de lichtvoetige, in de dagen van onze jeugd! – en woonden bij elkaar. Maar onze harten groeiden niet op dezelfde manier verder: de enten schonken hun liefde aan dingen die ze in de wereld tegenkwamen en de entvrouwen dachten aan andere dingen, want de ente n hielden van de grote bomen en de wilde wouden en de hellingen van de hoge heuvels; en ze dronken van de bergstromen, en aten alleen de vruchten die de bomen op hun pad lieten vallen; en zij leerden van de elfen en spraken met de Bomen. Maar de entvrouwen richtten hun aandacht op de kleinere bomen en de velden in de zonneschijn aan de voet van de wouden; ze zagen de sleedoorn in de bosjes en de wilde appel en kers in het voorjaar bloeien, en de groene kruiden in de moeraslanden in de zomer en de bloeiende grassen in de herfstvelden. Zij verlangden er niet naar met deze dingen te spreken, maar zij wilden dat zij zouden horen en gehoorzamen aan wat hun werd gezegd. De entvrouwen bevalen hen te groeien zoals zij dat wilden en blad en vrucht te dragen zoals zij wensten, want de entvrouwen wilden orde en overvloed en vrede (waarmee ze bedoelden dat de dingen moesten blijven zoals zij ze hadden geregeld). Zo maakten de entvrouwen tuinen om in te wonen. Maar wij enten gingen door met zwerven en bezochten de tuinen slechts af en toe. Toen de Duisternis in het Noorden kwam, staken de entvrouwen de Grote Rivier over en legden nieuwe tuinen aan en bewerkten nieuwe velden, en wij zagen ze nog minder vaak. Nadat de Duisternis was omvergeworpen, bloeide het land van de entvrouwen rijkelijk, en haar velden stonden vol koren. Vele mensen leerden het handwerk van de entvrouwen en bewezen hun grote eer; maar wij waren nog maar een legende voor hun, een geheim in het hart van het woud. Maar we zijn hier nog altijd, terwijl de tuinen van de entvrouwen tot woestenij zijn vervallen; de mensen noemen ze nu de Bruine Landen.
Ik herinner mij dat lang geleden – in de tijd van de oorlog tussen Sauron en de mensen van de Zee – het verlangen in me opkwam om Fimbrethil weer te zien. In mijn ogen was ze nog altijd heel mooi, net als toen ik haar voor de laatste keer zag, hoewel z e niet zoveel meer leek op de entmaagd van vroeger. Want de entvrouwen waren gebogen en gebruind door hun arbeid; hun haar door de zon gebleekt tot de kleur van rijp koren en hun wangen als rode appels. Maar hun ogen waren nog altijd die van ons eigen volk. Wij staken de Anduin over en kwamen in hun land; maar wij troffen een woestijn aan; helemaal verschroeid en verwoest, want de oorlog was eroverheen getrokken. En de entvrouwen waren weg. Lang hebben wij geroepen en gezocht, en wij vroegen iedereen die wij tegenkwamen welke kant de entvrouwen waren heen gegaan. Sommigen zeiden dat zij ze nooit hadden gezien en sommigen zeiden dat zij ze in westelijke richting hadden zien wegtrekken, maar anderen zeiden naar het oosten, en weer anderen naar het zuiden. Maar waar wij ook heen gingen, nergens konden wij ze vinden. Onze droefenis was heel groot. Maar het wilde bos riep, en wij keerden ernaar terug. Vele jaren lang trokken wij er nu en dan op uit om de entvrouwen te zoeken, wijd en zijd gaande, en ze bij hun mooie namen roepend. Maar naarmate de tijd verstreek trokken wij er minder vaak op uit en zwierven minder ver. En nu bestaan de entvrouwen nog slechts in onze herinnering en onze baarden zijn lang en grijs. De elfen hebben veel liederen gemaakt over het Zoeken van de enten, en sommige ervan zijn in de talen van de mens overgebracht. Maar wij hebben er geen liederen over gemaakt; wij stelden ons tevreden met hun mooie namen te zingen wanneer wij aan de entvrouwen dachten. Wij geloven dat wij elkaar in de toekomst weer zullen ontmoeten, en misschien zullen we ergens een land vinden waar wij samen kunnen leven en beiden tevreden zijn. Maar de voorspelling luidt dat dat alleen zal gebeuren wanneer wij beiden alles wat wij nu bezitten hebben verloren. En het kan best dat deze tijd eindelijk naderbij komt. Want terwijl Sauron vroeger de tuinen verwoestte, lijkt het erop alsof de Vijand vandaag de dag alle bossen doet verdorren.
Er was een elfenlied dat hiervan gewaagde, dat meen ik althans. Het werd vroeger overal langs de Grote Rivier gezongen. Het was nooit een entig lied, let wel; het zou een heel lang lied zijn geweest in het Ents! Maar zo klinkt het in jullie taaclass="underline"
Boombaard beëindigde zijn lied. ‘Zo gaat het,’ zei hij. ‘Het is natuurlijk Elfs: luchthartig, snelwoordig en gauw voorbij. Maar ik vind het mooi genoeg. Maar de enten zouden er meer over kunnen zeggen als ze de tijd hadden! Maar nu ga ik staan om een beetje te slapen. Waar willen jullie staan?’
‘Wij gaan gewoonlijk liggen om te slapen,’ zei Merijn. ‘Waar we nu zitten zal het wel lukken.’
‘Liggen om te slapen!’ zei Boombaard. ‘Natuurlijk, dat is ook zo! Hm, hoem: ik was het vergeten: het zingen van dat lied deed me aan de oude tijd denken. Ik dacht warempel bijna dat ik tegen jonge entings sprak. Nu dan, jullie mogen op het bed gaan liggen. Ik ga in de regen staan. Goedenacht!’
Merijn en Pepijn klommen op het bed en nestelden zich behaaglijk in het zachte gras en de varens. Het was fris, zoetgeurend en warm. De lichten doofden en het schijnsel van de bomen vervaagde, maar buiten onder de boog konden zij de oude Boombaard zien staan, bewegingloos, de armen boven het hoofd geheven. De heldere sterren keken uit de hemel naar beneden en verlichtten het vallende water dat op zijn vingers en hoofd spatte en in honderden zilveren droppeltjes op zijn voeten spetterde. Terwijl zij naar het getinkel van de droppels lagen te luisteren, vielen de hobbits in slaap.
Zij werden wakker en zagen een koele zon op de grote binnenplaats en op de vloer van de nis schijnen. Hoge wolkenflarden dreven voorbij, voortgejaagd door een straffe oostenwind. Boombaard was nergens te bekennen, maar terwijl Pepijn en Merijn zich in de kom bij de boog wasten, hoorden zij hem neuriën en zingen toen hij het pad tussen de bomen langskwam.