‘Hoe, ho! Goedemorgen, Merijn en Pepijn!’ galmde hij toen hij hen zag. ‘Jullie slapen lang. Ik heb vandaag al honderden stappen gelopen. We zullen eerst wat drinken en dan naar de Entmoet gaan.’
Hij schonk twee volle nappen voor hen in uit een aarden kan; maar uit een andere kan. De smaak was niet dezelfde als de vorige avond: het smaakte meer naar aarde en was sterker, hartiger en voedzamer, bij wijze van spreken. Terwijl de hobbits op de rand van het bed zaten te drinken en op kleine stukjes elfenkoek knabbelden (omdat zij vonden dat eten een noodzakelijk deel van het ontbijt vormde en niet zozeer omdat ze honger hadden), bleef Boombaard staan en neuriede iets in het Ents of Elfs of een andere vreemde taal, en keek omhoog naar de hemel.
‘Waar is de Entmoet?’ vroeg Pepijn voorzichtig.
‘Hoe, hè? De Entmoet?’ zei Boombaard, terwijl hij zich omdraaide. ‘Het is geen plaats; het is een vergadering van enten – hetgeen tegenwoordig niet vaak voorkomt. Maar ik ben erin geslaagd een behoorlijk aantal te bewegen om te komen. Wij zullen elkaar treffen op een plaats waar wij elkaar altijd hebben ontmoet. Schuildal noemen de mensen het. Het is ten zuiden van hier. We moeten er voor de middag zijn.’
Het duurde niet lang voor ze op weg gingen. Boombaard droeg de hobbits in zijn armen, zoals de vorige dag. Bij de ingang van het terrein sloeg hij rechtsaf, stapte over de stroom en schreed in zuidelijke richting langs de voet van grote golvende hellingen waar bijna geen bomen stonden. Hierboven zagen de hobbits bosjes berkenbomen en lijsterbessen en daarachter donkere rijen schuin oplopende pijnbomen. Weldra liet Boombaard de heuvels enigszins links liggen en dook in diepe bosschages, waar de bomen groter, hoger en dikker waren dan de hobbits ooit hadden gezien. Een tijdlang hadden zij vaag hetzelfde benauwde gevoel dat ze hadden gekregen toen ze Fangorn voor het eerst betraden, maar het ging gauw voorbij. Boombaard sprak niet met hen. Hij neuriede diep en nadenkend voor zich heen, maar Merijn en Pepijn vingen geen echte woorden op: het klonk als boem, boem, rumboem, boerar, boem boem, boerar boem boem, dahrar boem, enzovoort, met een voortdurende wisseling van toon en ritme. Nu en dan meenden zij een antwoord te horen, geneurie of een trillend geluid, dat uit de aarde scheen te komen, of uit takken boven hun hoofd, of misschien uit de stammen van de bomen, maar Boombaard bleef niet staan en draaide zijn hoofd naar geen van beide kanten.
Ze hadden lange tijd gelopen – Pepijn had geprobeerd om de ‘entstappen’ te tellen, maar dat was mislukt toen hij bij drieduizend de tel was kwijtgeraakt – toen Boombaard langzamer begon te lopen. Plotseling bleef hij staan, zette de hobbits neer en bracht zijn gekrulde handen aan de mond, zodat die een holle buis vormden; toen blies of riep hij erdoor. Een zwaar hoem, hom schalde als uit een laaggestemde hoorn door de bossen, en scheen van de bomen te weerkaatsen. Ver weg klonk uit verschillende richtingen eenzelfde hoem, hom, hoem, dat geen echo, maar een antwoord was.
Boombaard zette Merijn en Pepijn nu op zijn schouders en stapte verder, nu en dan opnieuw een hoornstoot gevend, en telkens klonken de antwoorden luider en dichterbij. Op die manier kwamen zij ten slotte aan iets dat op een ondoordringbare muur van donkere altijdgroene bomen leek – bomen van een soort dat de hobbits nog nooit eerder hadden gezien; zij vertakten zich helemaal van de wortels af en waren dik bekleed met donkere glanzende bladeren als hulst zonder doornen, en ze hadden vele stijve, rechtopstaande bloeikolven met grote glanzende olijfkleurige knoppen.
Nadat hij links was afgeslagen en langs deze enorme haag was gelopen, kwam Boombaard met enkele stappen bij een smalle ingang. Hier liep een uitgesleten pad door, dat plotseling een lange steile helling afdook. De hobbits zagen dat zij afdaalden in een grote vallei, bijna even rond als een kom, heel wijd en diep, aan de rand gekroond met de donkere altijdgroene haag. Zij was effen en vanbinnen met gras begroeid, en er waren geen bomen, behalve drie heel hoge prachtige zilverberken, die helemaal onder in de kom stonden. Twee andere paden leidden naar het daclass="underline" van het westen en van het oosten.
Verschillende enten waren al aangekomen. Er kwamen er nog meer langs de andere paden, en sommigen kwamen nu achter Boombaard aan. Toen zij dichterbij kwamen staarden de hobbits hen aan. Zij hadden verwacht een aantal schepselen te zien die evenveel op Boombaard leken als de ene hobbit op de andere (althans in het oog van een vreemdeling); maar zij waren zeer verbaasd te zien dat dat helemaal niet zo was. De enten verschilden evenveel van elkaar als bomen van bomen: sommige even verschillend als de ene boom is van de andere van dezelfde naam, maar anders gegroeid en met een heel andere geschiedenis; en sommige even verschillend als de ene boomsoort van de andere, als berk van beuk of eik van den. Er waren een paar oudere enten met baarden en knoestig als gezonde maar oude bomen (hoewel geen er zo oud uitzag als Boombaard); en er waren hoge sterke enten, met mooie ledematen en gladde stammen als woudbomen in de kracht van hun leven; maar er waren geen jonge enten, geen jonge boompjes. In het totaal waren er ongeveer twee dozijn op de grote grazige vloer van de vallei verzameld, en eenzelfde aantal kwam eraan gemarcheerd.
Eerst werden Merijn en Pepijn voornamelijk getroffen door de verscheidenheid die zij zagen: de vele vormen en kleuren, de verschillen in omvang en hoogte, lengte van arm en been; en in het aantal tenen en vingers (variërend van drie tot negen). Enkele schenen min of meer aan Boombaard verwant te zijn, en herinnerden hen aan beuken of eiken. Maar er waren ook andere soorten. Sommige deden aan de kastanje denken: enten met bruine basten, met grote spleetvingerige handen, en korte dikke benen. Andere weer deden aan de es denken: grote rechte grijze enten, met veelvingerige handen en lange benen; en sommige aan de den (de grootste enten) en andere aan de beuk, de lijsterbes en de linde. Maar toen de enten zich allen rondom Boombaard verzamelden, hun hoofden licht buigend, met hun trage welluidende stemmen mompelden en de vreemdelingen lang en intensief aanstaarden, zagen de hobbits dat zij allen van dezelfde soort waren en allen dezelfde ogen hadden; niet allen even oud of even diep als die van Boombaard, maar toch met dezelfde trage vaste, nadenkende uitdrukking en dezelfde groene schittering.
Zodra het gehele gezelschap in een wijde boog om Boombaard heen verzameld was, begon er een vreemde en onverstaanbare conversatie. De enten begonnen langzaam te mompelen: eerst deed er één mee en toen een ander, tot zij allen samen in een lang stijgend en dalend ritme zongen, dan weer luider aan de ene kant van de kring, dan weer wegstervend daar en luid aanzwellend aan de andere kant. Hoewel hij geen van de woorden kon opvangen of verstaan – hij veronderstelde dat de taal Ents was – vond Pepijn het geluid eerst erg prettig om naar te luisteren, maar langzaamaan verslapte zijn aandacht. Na lange tijd (en er was nog geen teken dat het lied ten einde liep), vroeg hij zich af, aangezien het Ents een ‘niet-haastige taal’ was, of ze al verder waren gekomen dan Goedemorgen ; en als Boombaard appèl hield, hoeveel dagen het zou duren om al hun namen te zingen. Ik vraag me af wat ja of nee in het Ents is, dacht hij. Hij gaapte.
Boombaard was zich meteen van hem bewust. ‘ Hm, ha, hé, m’n Pepijn,’ zei hij en de andere enten hielden op met zingen. ‘Jullie zijn een haastig volkje, dat vergat ik bijna en in ieder geval is het vervelend om naar iets te moeten luisteren dat je niet verstaat. Jullie mogen er nu afkomen. Ik heb jullie namen aan de Entmoet verteld, en ze hebben jullie gezien en zijn het erover eens dat jullie geen orks zijn en dat er een nieuwe regel in de oude lijsten zal worden ingelast. Wij zijn nog niet verder gekomen, maar dit is vlug voor een Entmoet. Jij en Merijn mogen in de vallei rondwandelen als je wilt. Er is een goede waterbron, als je je wilt verfrissen, ginds aan de noordkant. Er moet nog het een en ander worden gezegd voor de Moet werkelijk begint. Ik zal jullie weer komen opzoeken om je te vertellen hoe de zaken staan.’