Выбрать главу

Hij zette de hobbits neer. Voor zij wegliepen maakten zij een diepe buiging. Dat scheen de enten bijzonder te amuseren, naar de toon van hun gemompel en het geschitter van hun ogen te oordelen, maar zij schonken weldra weer aandacht aan hun eigen zaken. Merijn en Pepijn klommen het pad op dat aan de westzijde liep en keken door de opening in de grote haag. Lange, met bomen begroeide hellingen stegen van de rand van het dal op en daarachter, boven de pijnbomen van de verste rand waar zij verrees, scherp en wit, de piek van een hoge berg. In het zuiden links van hen konden zij het woud in de grijze verte steil zien afhellen. Daar, ver weg, was een bleekgroene schittering, die naar Merijn vermoedde de vlakte van Rohan was.

‘Ik vraag me af waar Isengard is,’ zei Pepijn.

‘Ik weet niet precies waar we zijn,’ zei Merijn, ‘maar die piek is waarschijnlijk de Methedras, en voorzover ik me kan herinneren ligt de ring van Isengard in een vork of diepe kloof aan het einde van de bergen. Het ligt waarschijnlijk ergens achter deze grote rand. Er schijnt daar links van de piek rook of nevel te hangen, vind je niet?’

‘Hoe ziet Isengard eruit?’ vroeg Pepijn. ‘Ik vraag me in ieder geval af wat enten eraan kunnen doen.’

‘Ik ook,’ zei Merijn. ‘Isengard is een soort ring van rotsen of heuvels, geloof ik, met een vlakte erbinnenin en een eiland of pilaar of rots in het midden, Orthanc genaamd. Saruman heeft er een toren op staan. Er is een poort, misschien wel meer dan één, in de omringende muur, en ik geloof dat er een stroompje door loopt; het komt uit de bergen en stroomt verder naar de Kloof van Rohan. Het schijnt niet bepaald het soort plaats dat de enten kunnen aanvallen. Maar ik weet het nog zonet niet met die enten; op de een of andere manier geloof ik niet dat ze zo veilig en welnu, raar zijn als zij eruitzien. Ze schijnen traag, vreemd en geduldig, bijna droevig, maar toch geloof ik dat je ze kwaad zou kunnen maken. Als dat gebeurde, zou ik liever niet tegenover ze staan.’

‘Ja!’ zei Pepijn. ‘Ik zie wat je bedoelt. Er zou een hemelsbreed verschil kunnen zijn als tussen een oude koe die bedachtzaam zit te herkauwen en een aanstormende stier; en de verandering zou zich heel plotseling kunnen voltrekken. Ik vraag me af of Boombaard ze wakker zal schudden. Boombaard liep gisteravond zelf warm, maar toen werd hij weer helemaal kalm.’

De hobbits gingen terug. De stemmen van de enten golfden nog steeds op en neer. De zon was nu hoog genoeg gestegen om over de hoge haag te gluren; zij glansde op de toppen van de berken en verlichtte de noordelijke kant van de vallei met een koel geel licht. Daar zagen zij een kleine sprankelende fontein. Zij liepen langs de rand van de grote kom aan de voet van de altijdgroene bomen – het was prettig om weer koel gras aan hun tenen te voelen en geen haast te hebben – en toen daalden zij af naar het gutsende water. Zij dronken wat, een kleine, koele, adembenemende teug, en gingen op een mosachtige steen zitten kijken naar de zonnevlekken op het gras en de schaduwen van de overdrijvende wolken over de vloer van de kom. Het gemompel van de enten ging verder. Het scheen een zeer vreemde, verre plek, buiten hun wereld en ver van alles dat hun ooit was overkomen. Zij voelden ineens een groot verlangen naar de gezichten en stemmen van de Reisgenoten, vooral naar Frodo en Sam, en naar Stapper.

Eindelijk zwegen de entstemmen; en toen ze opkeken zagen ze Boombaard naar hen toe komen, met een andere ent aan zijn zijde. ‘Hm, hoem, daar ben ik weer,’ zei Boombaard. ‘Worden jullie al moe of beginnen jullie ongeduldig te raken, hm, hè? Nu, ik ben b ang dat jullie nog wat geduld moeten oefenen. Wij zijn nu klaar met het eerste deel, maar ik moet nog een aantal dingen uitleggen aan hen die heel ver weg wonen, ver van Isengard, en aan hen die ik voor de Moet niet kon bereiken, en daarna zullen we moeten besluiten wat ons te doen staat. Maar het kost de enten niet zoveel tijd om een besluit te nemen als om alle feiten en gebeurtenissen waar ze over moeten besluiten na te gaan. Het heeft echter geen zin om te ontkennen dat we hier nog lange tijd zullen blijven: een paar dagen waarschijnlijk. Daarom heb ik een metgezel voor jullie meegebracht. Hij heeft hier in de buurt een enthuis. Bregalad luidt zijn elfennaam. Hij zegt dat hij zijn besluit al heeft genomen en dat hij de Moet niet langer hoeft bij te wonen. Hm, hm, hij is min of meer wat je een haastige ent zou kunnen noemen. Jullie horen het goed met elkaar te kunnen vinden. Dag!’ Boombaard draaide zich om en liet hen achter.

Bregalad bleef de hobbits een tijdje ernstig staan aankijken, en zij keken naar hem en vroegen zich af wanneer hij tekenen van ‘haastigheid’ zou vertonen. Hij was lang en scheen een van de jongere enten te zijn; hij had een gladde glanzende huid op zijn armen en benen; zijn lippen waren rood en zijn haar was grijsgroen. Ten slotte sprak hij en hoewel zijn stem vol was, klonk hij hoger en helderder dan die van Boombaard.

‘Ha, hm, mijn vrienden, laat ons een eindje gaan wandelen!’ zei hij. ‘Ik ben Bregalad, dat betekent Vlugstraal in jullie taal. Maar het is natuurlijk alleen maar een bijnaam. Ze hebben me zo genoemd sinds ik ja zei tegen een oudere ent voordat hij zijn vraag had beëindigd. Ook drink ik vlug en ga weg terwijl sommigen hun baarden nog nat staan te maken. Ga maar met me mee!’

Hij stak twee welgevormde armen naar beneden en gaf elk van de hobbits een langvingerige hand. Die hele dag liepen ze met hem door de bossen te zingen en te lachen, want Vlugstraal lachte vaak. Hij lachte als de zon achter een wolk vandaan kwam, hij lachte als hij bij een stroom of bron kwam; dan boog hij zich voorover en besprenkelde zijn voeten en hoofd met water; hij lachte soms om een geluid of gefluister in de bomen. Telkens wanneer hij een lijsterbes zag, bleef hij een tijdje met uitgestrekte armen staan en zong en wiegde terwijl hij dit deed.

Bij het vallen van de avond bracht hij hen naar zijn enthuis: niet meer dan een met mos begroeide steen die op graszoden onder aan een groene helling was gezet. Lijsterbessen groeiden er in een kring omheen en er was water (zoals in alle enthuizen), een bron die uit de helling ontsprong. Zij praatten een tijdje terwijl de duisternis over het bos viel. Niet ver weg kon men de stemmen van de Entmoet nog horen gonzen; maar zij schenen nu dieper en minder ontspannen, en nu en dan steeg er een zware stem in een hoge en sneller wordende muziek uit op, terwijl alle andere stemmen wegstierven. Maar naast hen sprak Bregalad vriendelijk in hun eigen taal, bijna fluisterend, en zij kregen te horen dat hij tot Huidbasts volk behoorde en dat het land waar zij hadden gewoond was verwoest. Dat scheen de hobbits ruim voldoende om zijn ‘haastigheid’ te verklaren, ten minste in de episode over de orks.

‘Er waren lijsterbesbomen in mijn land,’ zei Bregalad, zacht en op droeve toon, ‘lijsterbessen die wortelschoten toen ik een entje was, vele, vele jaren geleden toen de wereld stil was. De oudste werden door de enten geplant om te proberen de entvrouwen te behagen; maar zij keken ernaar, glimlachten en zeiden dat zij wisten waar wittere bloesems en rijkere vruchten groeiden. Toch zijn er geen bomen van heel dit soort, het volk van de Roos, die ik zo mooi vind. En deze bomen groeiden en groeiden, tot elk een schaduw wierp zo groot als een groene zaal, en hun rode bessen in de herfst een last waren, en een verrukking en een wonder. Vogels streken er in grote aantallen op neer. Ik houd van vogels, zelfs als ze kwetteren, en de lijsterbes heeft er meer dan genoeg. Maar de vogels werden onvriendelijk en hebzuchtig en trokken stukken van de bomen af en gooiden de vruchten naar beneden en aten ze dan niet eens op. Toen kwamen er orks met bijlen en hakten mijn bomen om. Ik kwam en riep hen bij hun lange namen, maar zij trilden niet; zij hoorden niets en gaven geen antwoord, want zij waren dood.’

O Orofarnë, Lassemista, Carnemírië! Lijsterbes mooi, een bloesemtooi wit op uw haren lag! Lijsterbes mijn, ik zag uw schijn, eens op een zomerdag, Uw schors zo glad, zo licht uw blad, uw stem zo koel en zacht: En op uw hoofd droeg u van ooft de hoge rode kroon! Lijsterbes dood, uw haar is droog en grijs, o bittre hoon; Uw kroon ontwijd en voor altijd, verstomd uw stem zo schoon. O Orofarnë, Lassemista, Carnemírië!