Выбрать главу

De hobbits vielen in slaap bij het geluid van Bregalads zachte gezang, dat in vele talen de val van de bomen die hij had bemind scheen te bejammeren.

De volgende dag brachten zij ook in zijn gezelschap door, maar zij gingen niet ver van zijn ‘huis’. Het grootste deel van de tijd zaten zij zwijgend in de beschutting van de helling, want de wind was kouder en de wolken dichter en grijzer; er was weini g zonneschijn en in de verte golfden de stemmen van de enten bij de Moet nog op en neer, soms luid en krachtig, dan weer droef, soms in sneller tempo, dan weer langzaam en plechtig als een lijkzang. Er kwam weer een nacht en nog steeds hielden de enten hun conclaaf onder jachtende wolken en veranderlijke sterren.

De derde dag brak aan, guur en winderig. Bij zonsopgang verhieven zich de stemmen van de enten met groot gerucht en stierven toen weer weg. Later in de ochtend ging de wind liggen en de lucht werd zwanger van verwachting. De hobbits konden Bregalad nu intens zien luisteren, hoewel zijzelf, in de vallei van zijn enthuis, het geluid van de Moet slechts flauw hoorden.

De middag brak aan en de zon, die naar de bergen in het westen daalde, zond lange gele stralen tussen de kieren en spleten van de wolken. Plotseling beseften zij dat alles heel stil was; het hele bos stond zwijgend te luisteren. Natuurlijk, de entstemmen waren opgehouden. Wat had dat te betekenen? Bregalad stond recht en gespannen overeind en keek achterom noordwaarts naar het Schuildal.

Toen klonk er met donderend geweld een grote schallende schreeuw: ra-hoem-rah! De bomen sidderden en bogen alsof ze door een windvlaag waren getroffen. Weer viel er een stilte en toen begon er marsmuziek als van plechtige trommen en boven de roffels en slagen klonken stemmen, hoog en krachtig:

Wij kommen, wij kommen met roffels van trommen: ta runda, runda, runda, rom!

De enten waren in aantocht: al dichterbij en luider klonk hun lied.

Wij kommen, wij kommen met hoorns en trommen: ta runda, runda, runda, rom!

Bregalad pakte de hobbits op en beende weg van zijn huis.

Het duurde niet lang of zij zagen de marcherende troep naderen; de enten liepen zwaaiend met grote stappen de helling af naar hen toe. Boombaard ging aan het hoofd en er liepen er een stuk of vijftig achter hem aan, in rijen van twee, hun voeten in de pas en met de handen op de flanken de maat slaand. Toen zij dichterbij kwamen was de schittering en flonkering van hun ogen zichtbaar.

‘Hoem, hom! Hier komen we met een dreun, hier komen we eindelijk!’ riep Boombaard uit toen hij Bregalad en de hobbits zag. ‘Kom, sluit je aan bij de Moet. We gaan op weg. We gaan op weg naar Isengard.’

‘Naar Isengard,’ schreeuwden de enten met vele stemmen.

‘Naar Isengard!’

Naar Isengard! Al is het ook omringd, versperd met brokken steen; Al is Isengard dan ook sterk en hard, en koud als steen en kaal als been, We gaan ten strijd, ten strijd, ten strijd, hakken op steen en poorten in. Want tak en stam zijn nu ontvlamd, de oven brult – de strijd begint. Naar ’t donkere land, met zwaar gestamp, met roffel van trommen, we kommen, we kommen; Want Isengard zal ondergaan, Geen steen, geen steen zal blijven staan!

Zo zongen ze, terwijl ze naar het zuiden marcheerden.

Bregalad, wiens ogen schitterden, liep in de rij naast Boombaard. De oude ent nam de hobbits nu weer over en zette ze op zijn schouders, en zo gingen zij trots aan het hoofd van de zingende compagnie, met kloppende harten en fier opgeheven hoofden. Hoewel zij hadden verwacht dat er uiteindelijk iets zou gebeuren, waren zij verbaasd over de verandering die er over de enten was gekomen. Die scheen nu even plotseling als de doorbraak van een vloedgolf die lang door een dijk was tegengehouden.

‘De enten hebben per slot van rekening toch vrij snel een beslissing genomen, vindt u niet?’ zei Pepijn voorzichtig na enige tijd, toen het zingen een ogenblik ophield en slechts het geluid van de handen en voeten te horen was.

‘Snel?’ vroeg Boombaard. ‘Hoem! Ja, inderdaad. Vlugger dan ik verwachtte. Ik heb ze inderdaad in vele eeuwen niet zo opgewonden gezien. Wij enten houden er niet van te worden opgejaagd; en wij worden nooit opgejaagd, tenzij het ons duidelijk is dat onze bomen en levens in groot gevaar zijn. Dat is in dit Woud niet voorgekomen sinds de oorlogen van Sauron en de mensen van de Zee. Het is het orkwerk, het zinloze gehak – rárum – zonder zelfs het slechte excuus dat het voor het onderhouden van de vuren is, dat ons zo woedend heeft gemaakt, en de verraderlijkheid van een buurman die ons had behoren te helpen. Tovenaars behoorden beter te weten: zij weten beter. Geen vloek in het Elfs, Ents of de talen der mensen is erg genoeg voor zo’n verraad. Weg met Saruman!’

‘Gaan jullie werkelijk de poorten van Isengard rammen?’ vroeg Merijn.

‘Ho, hm, dat zouden we wel kunnen, weet je! Maar misschien weet je niet hoe sterk we zijn. Misschien heb je wel eens van trollen gehoord? Die zijn enorm sterk. Maar trollen zijn slechts namaaksels, gemaakt door de Vijand in de Grote Duisternis om de enten te bespotten, zoals orks imitaties van elfen waren. Wij zijn sterker dan trollen. Wij zijn gemaakt van de beenderen van de aarde. Wij kunnen stenen splijten, als boomwortels, alleen vlugger, veel vlugger, wanneer we opgewonden raken. Als wij niet worden omgehakt of vernietigd door vuur of een vlaag van tovenarij, zouden we Isengard kunnen versplinteren en de muren tot gruis doen vervallen.’

‘Maar Saruman zal toch proberen jullie tegen te houden?’

‘Hm, ah, ja, dat is zo. Dat heb ik niet vergeten. Ik heb er inderdaad lang over nagedacht. Maar zie je, de meeste enten zijn jonger dan ik, vele boomlevens jonger. Ze zijn nu helemaal opgewonden en ze hebben maar één doel voor ogen: de macht van Isengard te breken. Maar ze zullen zich weldra gaan bezinnen; ze zullen een beetje afkoelen, wanneer we onze avonddrank gebruiken. Wat zullen we een dorst hebben! Maar laat hen nu marcheren en zingen! We hebben nog een lange weg te gaan, en er is nog tijd genoeg om na te denken. Het is al heel wat dat we op weg zijn gegaan.’

Boombaard marcheerde verder, een tijdlang met de anderen meezingend. Maar na enige tijd zwakte zijn stem af tot gemompel en zweeg weer. Pepijn kon zien dat zijn oude voorhoofd gerimpeld en gefronst was. Eindelijk keek hij op en Pepijn kon een droeve blik in zijn ogen zien, droef, maar niet ongelukkig. Er scheen een licht in, alsof de groene vlam dieper in de donkere bronnen van zijn gedachten was gezonken.

‘Natuurlijk, het is zeer waarschijnlijk, vrienden,’ zei hij langzaam, ‘zeer waarschijnlijk dat we onze ondergang tegemoet gaan: de laatste mars van de enten. Maar als we thuisbleven en niets deden, zou het noodlot ons in elk geval vroeg of laat vinden. Die gedachte is langzaam in onze harten gerijpt en daarom marcheren wij nu. Het was geen overhaaste beslissing. Nu is de laatste mars van de enten tenminste misschien nog een lied waard. Ja,’ zuchtte hij, ‘we kunnen de andere volken wellicht helpen voor wij uitsterven. Maar toch had ik de liederen over de entvrouwen nog graag in vervulling zien gaan. Ik had dolgraag Fimbrethil nog eens willen zien. Maar zie je, vrienden, liederen als bomen dragen alleen vruchten in hun eigen tijd en op hun eigen manier; en soms verdorren zij voortijdig.’

De enten schreden met grote stappen voort. Ze waren in een diepe plooi van het land afgedaald, die in zuidelijke richting omlaag liep; nu begonnen zij hoger en hoger te klimmen, op de westelijke helling. Het bos eindigde en zij kwamen bij verspreid staande groepjes berkenbomen, en toen aan kale hellingen waar slechts enkele kromme pijnbomen groeiden. De zon ging onder achter de donkere heuvelhelling vóór hen. De grijze schemering viel.