Выбрать главу

Pepijn keek achter zich. Het aantal enten was aangegroeid – maar wat was er aan de hand? Waar de schemerige kale hellingen die zij waren overgestoken behoorden te liggen, meende hij bosjes bomen te zien. Maar ze bewogen! Kon het zijn dat de bomen van F angorn wakker waren geworden en het bos in opstand kwam en over de heuvels ten strijde trok? Hij wreef zich de ogen uit en vroeg zich af of slaap en schaduw hem hadden misleid, maar de grote grijze vormen bewogen zich gestadig voorwaarts. Er klonk een geluid als van wind die door vele takken woei. De enten begonnen nu de top van de heuvelrug te naderen en aan alle liederen was een einde gekomen. De nacht viel en er heerste stilte; er was niets te horen behalve een flauwe trilling van de aarde onder de voeten van de enten, en een geritsel, bijna als gefluister van vele dwarrelende bladeren. Eindelijk stonden zij op de top en keken in een diepe afgrond: de grote kloof aan het einde van de bergen Nan Curunír, de Vallei van Saruman.

‘Nacht ligt over Isengard,’ zei Boombaard.

V. De Witte Ruiter

‘Ik ben koud tot op het bot,’ zei Gimli, zijn armen over elkaar slaand en met zijn voeten stampend. Eindelijk was de dag aangebroken. Bij dageraad hadden de Reisgenoten zich zo goed en zo kwaad als het ging een ontbijt bereid; nu, in het sterker wordende licht, maakten zij zich weer op om de grond naar tekens van de hobbits na te gaan.

‘En vergeet die oude man niet!’ zei Gimli. ‘Ik zou me veel gelukkiger voelen als ik de afdruk van een laars kon zien.’

‘Waarom zou dat je gelukkig maken?’ vroeg Legolas.

‘Omdat een oude man die voetafdrukken achterlaat misschien niet meer is dan hij schijnt,’ antwoordde de dwerg.

‘Misschien,’ zei de elf, ‘maar een zware laars zou hier wel eens geen afdruk kunnen achterlaten; het gras is diep en veerkrachtig.’

‘Dat zou een Doler niet van de wijs brengen,’ zei Gimli. ‘Een geknakte grasspriet zegt Aragorn al genoeg. Maar ik verwacht niet dat hij sporen zal vinden. Het was een boosaardig fantoom van Saruman, dat wij gisteravond hebben gezien. Ik ben er zeker van, ook in het ochtendlicht. Zijn ogen kijken misschien zelfs op dit ogenblik uit Fangorn naar ons.’

‘Dat is vrij waarschijnlijk,’ zei Aragorn, ‘maar toch ben ik er niet zeker van. Ik denk aan de paarden. Jij zei gisteravond, Gimli, dat zij van schrik waren weggelopen. Maar dat geloof ik niet. Heb je ze gehoord, Legolas? Zou jij zeggen dat de dieren in doodsangst verkeerden?’

‘Nee,’ zei Legolas. ‘Ik heb ze duidelijk gehoord. Als de duisternis en onze eigen angst er niet waren geweest, zou ik hebben vermoed dat de dieren wild waren geworden van plotselinge blijdschap. Zij maakten het geluid dat paarden maken wanneer ze een vriend tegenkomen die zij lang hebben gemist.’

‘Dat dacht ik ook,’ zei Aragorn, ‘maar ik kan het raadsel niet oplossen tenzij ze terugkeren. Kom! Het begint snel licht te worden. Laten we eerst kijken en later raden! We moeten hier beginnen, dicht bij onze eigen kampplaats, en voorzichtig overal in het rond zoeken, en dan de helling opgaan naar het bos. Het is onze taak de hobbits te vinden, wat wij ook van onze nachtelijke bezoeker mogen denken. Als ze door een of ander toeval zijn ontsnapt, moeten zij zich in de bomen hebben schuilgehouden, anders zouden ze zijn opgemerkt. Als wij niets vinden tussen deze plek en de rand van het bos, zullen we nog een laatste keer op het slagveld zoeken, en ook in de as. Maar er is niet veel hoop: de Ruiters van Rohan hebben hun werk te grondig gedaan.’

Een tijdlang kropen en zochten de Reisgenoten op de grond. De boom stond treurig boven hen; zijn droge bladeren hingen nu slap neer en klepperden in de kille oostelijke wind. Aragorn verwijderde zich geleidelijk aan. Hij kwam bij de as van het kampvuur bij de rivieroever en begon toen vandaar de grond weer te onderzoeken naar het heuveltje toe, waar de slag was geleverd. Plotseling bukte hij zich heel diep tot zijn gezicht het gras bijna raakte. Toen riep hij de anderen. Ze kwamen aangesneld.

‘Hier vinden we eindelijk nieuws,’ zei Aragorn. Hij hield een gebroken blad voor hen op, een groot bleek blad met gouden tint, dat nu lichtbruin begon te worden. ‘Hier is een mallornblad uit Lórien, en er zitten kleine kruimeltjes op en er liggen ook nog wat kruimeltjes in het gras. En kijk! Er liggen ook een paar stukken afgesneden touw bij.’

‘En hier is het mes waarmee ze zijn doorgesneden!’ zei Gimli. Hij boog zich voorover en trok uit een graspol, die door een zware voet was platgetreden, een kort gekarteld mes. De schede waar het uit was gehaald lag ernaast. ‘Het was een orkwapen,’ zei hij, terwijl hij het voorzichtig omhooghield en met afkeer naar het bewerkte heft keek; dit had de vorm van een afzichtelijke kop met scheefstaande ogen en een sluwe mond.

‘Dit is wel het vreemdste raadsel dat we tot nu toe zijn tegengekomen!’ riep Legolas uit. ‘Een gebonden gevangene ontsnapt zowel aan de orks als aan de omsingelende ruiters. Dan blijft hij staan, terwijl hij nog op de open vlakte is, en snijdt zijn touwen door met een orkmes. Maar hoe en waarom? Want, als zijn benen gebonden waren, hoe heeft hij dan gelopen? En als zijn armen waren gebonden, hoe heeft hij het mes dan gebruikt? En als ze geen van beiden waren gebonden, waarom heeft hij de touwen dan doorgesneden? En tevreden over zijn eigen handigheid, is hij daarna gaan zitten en heeft vlug wat wegbrood gegeten. Dat, met het mallornblad, toont tenminste aan dat het een hobbit was. Daarna, veronderstel ik, heeft hij zijn armen in vleugels veranderd en is zingend de bomen in gevlogen. Het is dus geen enkel probleem om hem te vinden; we hebben alleen maar zelf vleugels nodig!’

‘Er is hier waarlijk tovenarij bedreven,’ zei Gimli. ‘Wat heeft die oude man uitgespookt? Wat heb jij te zeggen op de uitleg van Legolas, Aragorn? Heb jij een betere verklaring?’

‘Misschien wel,’ zei Aragorn, glimlachend. ‘Er zijn nog enkele andere tekenen bij de hand waar je geen rekening mee hebt gehouden. Ik ben het ermee eens dat de gevangene een hobbit was en óf zijn armen óf zijn benen vrij moet hebben gehad, voor hij hier kwam. Ik vermoed dat het zijn handen waren, want het raadsel wordt dan gemakkelijker en ook omdat hij, als ik de tekens in aanmerking neem, tot dit punt door een ork is gedragen. Er is hier bloed vergoten, een paar stappen verder weg, orkbloed. Er zijn diepe hoefindrukken om deze plek heen, en aanwijzingen dat er iets zwaars is weggesleept. De ork werd door ruiters gedood, en later werd zijn lichaam naar het vuur gesleurd. Maar de hobbit werd niet opgemerkt; hij bevond zich niet “op de open vlakte”, want het was nacht en hij had zijn elfenmantel nog aan. Hij was uitgeput en hongerig en het is dan ook geen wonder dat hij, toen hij zijn koorden met de dolk van zijn gedode vijand had doorgesneden, even rustte en wat at alvorens hij wegkroop. Maar het is een geruststelling te weten dat hij wat lembas in zijn zak had, ook al rende hij zonder bagage of uitrusting weg; dat is misschien net iets voor een hobbit. Ik zeg hij ; hoewel ik hoop en vermoed dat Merijn en Pepijn hier samen waren. Er is echter niets dat daarop wijst.’

‘En hoe verklaar je dan dat een van onze vrienden een hand vrij kreeg?’ vroeg Gimli.

‘Ik weet niet hoe dat gebeurd is,’ antwoordde Aragorn. ‘En ik weet evenmin waarom een ork ze heeft weggedragen. Zeker niet om ze te helpen ontsnappen. Nee, ik geloof dat ik nu iets begin te begrijpen dat mij van het begin af aan heeft beziggehouden: waarom, toen Boromir was gedood, de orks tevreden waren met alleen Merijn en Pepijn gevangen te nemen. Zij hebben niet naar de anderen gezocht of ons kamp aangevallen; maar in plaats daarvan zijn ze zo vlug ze konden naar Isengard gegaan. Veronderstelden zij dat zij de Drager van de Ring en zijn trouwe metgezel hadden gegrepen? Ik denk van niet. Hun meesters zouden niet zulke duidelijke orders aan orks durven geven, ook al wisten ze zelf zoveel; zij zouden niet openlijk met hen over de Ring durven spreken; het zijn geen vertrouwde dienaren. Maar ik denk dat deze orks opdracht hadden gekregen om hobbits gevangen te nemen, levend, tot elke prijs. Er werd een poging ondernomen om er met de kostbare gevangenen tussenuit te knijpen voor de slag begon. Verraad misschien, zoals bij dergelijke lieden maar al te gebruikelijk is; misschien heeft een of andere grote en stoutmoedige ork geprobeerd er alleen met zijn schat vandoor te gaan, voor zijn eigen doeleinden. Zo, dat is mijn verhaal. Andere lezingen zijn ook mogelijk. Maar wij mogen tenminste met zekerheid aannemen dat minstens één van onze vrienden is ontsnapt. Het is onze taak hem te vinden en te helpen voor wij naar Rohan terugkeren. Wij moeten ons niet door Fangorn laten ontmoedigen, aangezien nood hem naar die donkere plaats heeft gedreven.’