Выбрать главу

‘Ik weet niet wat mij meer ontmoedigt: Fangorn of de gedachte aan de lange weg die wij te voet door Rohan moeten afleggen,’ zei Gimli. ‘Laten wij dan naar het bos gaan,’ zei Aragorn.

Het duurde niet lang voordat Aragorn verse sporen vond. Op een punt bij de oever van de Entwas trof hij voetafdrukken aan: van hobbits, maar ze waren te licht om er veel uit te kunnen opmaken. Toen ontdekten zij onder de stam van een grote boom vlak bij de rand van het bos nog meer afdrukken. De aarde was kaal en droog en gaf niet veel te zien.

‘Hier heeft ten minste één hobbit een tijdje achterom staan kijken en is daarna het bos ingelopen,’ zei Aragorn.

‘Dan moeten wij er ook ingaan,’ zei Gimli. ‘Maar ik vind dat dit Fangornbos er onheilspellend uitziet, en we zijn ervoor gewaarschuwd. Ik wou dat de achtervolging ons ergens anders had gebracht!’

‘Ik vind niet dat het bos onheilspellend aanvoelt, wat er ook over verteld wordt,’ zei Legolas. Hij stond aan de rand van het bos, voorovergebogen, alsof hij luisterde, en tuurde met wijd geopende ogen in de schaduwen. ‘Nee, het is niet slecht en de slechtheid die er is, is ver weg. Ik hoor maar heel flauwe echo’s van donkere plaatsen waar de harten van de bomen zwart zijn. Er is geen kwaadaardigheid in onze buurt, maar wel waakzaamheid en boosheid.’

‘Nou, het bos heeft geen reden om boos op mij te zijn,’ zei Gimli. ‘Ik heb het geen kwaad gedaan.’

‘Dat is maar goed ook,’ zei Legolas. ‘Maar niettemin is het schade toegebracht. Daarbinnen is iets aan de hand of staat iets te gebeuren. Voel je de spanning niet? Het beneemt mij de adem.’

‘Ik voel dat de lucht benauwd is,’ zei de dwerg. ‘Dit bos is lichter dan het Demsterwold, maar het is muf en sjofel.’

‘Het is heel, heel oud,’ zei de elf. ‘Zo oud, dat ik mij bijna weer jong voel, zoals ik me nog nooit heb gevoeld sinds ik met jullie kinderen op reis ben gegaan. Het is oud en vol herinneringen. Ik had hier gelukkig kunnen zijn, als ik in tijden van vrede was gekomen.’

‘Dat zou ik denken,’ snoof Gimli. ‘Jij bent nu eenmaal een boself, hoewel alle elfen rare lieden zijn. Maar toch stel je me gerust. Waar jij gaat, zal ik ook gaan. Maar hou je boog bij de hand, en ik zal mijn bijl los in mijn riem houden. Niet om tegen de bomen te gebruiken,’ voegde hij er haastig aan toe, opkijkend naar de boom waaronder zij stonden. ‘Ik voel er niets voor om die oude man weer onverhoeds tegen te komen, zonder dat ik een argument bij de hand heb, dat is het enige. Laten we gaan!’

Daarop stortten de drie jagers zich in het bos Fangorn. Legolas en Gimli lieten het spoorzoeken aan Aragorn over. Er viel weinig voor hem te zien. De grond van het bos was droog en bedekt met opgewaaide bladeren, maar omdat hij vermoedde dat de vluchtelingen in de buurt van het water zouden blijven, keerde hij vaak naar de oevers van de stroom terug. Zo gebeurde het dat hij bij de plaats kwam waar Merijn en Pepijn hadden gedronken en hun voeten hadden gebaad. Daar, voor allen duidelijk zichtbaar, waren de voetafdrukken van twee hobbits: de ene iets kleiner dan de andere.

‘Dit is goed nieuws,’ zei Aragorn. ‘Maar de sporen zijn twee dagen oud. En het schijnt dat de hobbits zich op dit punt van het water hebben afgewend!’

‘Wat moeten wij nu doen?’ vroeg Gimli. ‘We kunnen ze niet door de hele uitgestrektheid van Fangorn achternalopen. We zijn hier slecht bevoorraad gekomen. Als wij ze niet gauw vinden, zullen wij van geen nut meer voor hen zijn, behalve om naast hen te gaan zitten en onze vriendschap te betonen door samen met hen te verhongeren.’

‘Als dat werkelijk het enige is dat wij kunnen doen, moeten we dat doen,’ zei Aragorn. ‘Laat ons verdergaan.’

Zij kwamen ten slotte aan het steile, plotselinge einde van Boombaards heuvel en keken omhoog naar de rotsmuur met de ruw uitgehakte treden die naar de hoge richel leidden. Zonnestralen vielen door de snel zeilende wolken en het bos zag er nu minder grijs en triest uit.

‘Laten we naar boven gaan en om ons heen kijken!’ zei Legolas. ‘Ik ben nog buiten adem. Ik zou graag even wat ruimer willen ademhalen.’

De Reisgenoten klommen naar boven. Aragorn kwam achteraan, langzaam voortgaand; hij keek aandachtig naar de treden en de rotsranden.

‘Ik ben er bijna zeker van, dat de hobbits hierboven zijn geweest,’ zei hij. ‘Maar er zijn andere sporen, heel vreemde sporen, die ik niet kan thuisbrengen. Ik vraag me af of wij van deze richel af iets kunnen zien dat ons kan helpen te raden welke kant ze zijn uitgegaan.’

Hij ging staan en keek om zich heen, maar hij zag niets dat hem enig houvast gaf. De richel lag op het zuiden en oosten; maar alleen naar het oosten was het uitzicht onbelemmerd. Daar kon hij de kruinen van de bomen in rijen naar de vlakte waar zij vandaan waren gekomen naar beneden zien lopen.

‘Wij hebben een grote omweg gemaakt,’ zei Legolas. ‘Wij hadden hier veilig allen bij elkaar kunnen komen als we de Grote Rivier op de tweede of derde dag hadden verlaten en naar het westen waren gegaan. Weinigen kunnen voorzien waar hun weg hen zal voeren, voordat zij aan het einde ervan zijn gekomen.’

‘Maar we wilden niet naar Fangorn toe,’ zei Gimli.

‘En toch zijn we er nu – en we zitten mooi in het net verstrikt,’ zei Legolas. ‘Kijk!’

‘Kijk waarnaar?’ zei Gimli.

‘Daar in de bomen.’

‘Waar? Ik heb geen elfenogen.’

‘Ssst! Niet zo hard. Kijk!’ zei Legolas, terwijl hij wees. ‘Daar omlaag in het bos, waar we net vandaan zijn gekomen. Hij is het. Kun je hem niet zien, terwijl hij van boom tot boom gaat?’

‘Ik zie het, ik zie het nu!’ siste Gimli. ‘Kijk, Aragorn. Heb ik je niet gewaarschuwd? Daar is de oude man. Helemaal in vaalgrijze vodden: daarom kon ik hem eerst niet zien.’

Aragorn keek en zag een gebogen gestalte, die zich langzaam voortbewoog. Hij was niet ver weg. Hij zag eruit als een oude bedelaar en liep moeizaam op een kromme staf leunend. Zijn hoofd was gebogen en hij keek niet hun kant uit. In andere landen zoude n zij hem met vriendelijke woorden hebben begroet, maar nu bleven ze zwijgend staan en voelden allen een vreemde verwachting: er naderde iets, dat een verborgen macht – of dreiging – bezat.

Gimli stond een tijdje met wijdopen ogen te staren, terwijl de gestalte stap voor stap naderbij kwam. Toen, ineens, kon hij zich niet langer inhouden en barstte uit: ‘Je boog, Legolas! Span hem! Maak je gereed! Het is Saruman. Laat hem niet praten, of ons betoveren. Schiet eerst!’

Legolas pakte zijn boog en spande die, langzaam alsof een andere wil hem weerhield. Hij hield een pijl losjes in de hand, maar zette hem niet op de boog. Aragorn stond roerloos, zijn gezicht was waakzaam en gespannen.

‘Waarom wacht je? Wat is er met je aan de hand?’ vroeg Gimli, op sissende fluistertoon.

‘Legolas heeft gelijk,’ zei Aragorn rustig. ‘Wij mogen niet zomaar op een oude man schieten, onverhoeds en zonder aanleiding, welke angst of twijfel we ook mogen koesteren. Kijk uit en wacht!’

Op dat ogenblik versnelde de oude man zijn tred en liep met verrassende snelheid naar de voet van de rotsmuur. Toen plotseling keek hij omhoog, terwijl zij bewegingloos naar beneden keken. Er klonk geen geluid.