Выбрать главу

Zij konden zijn gezicht niet zien; hij had een kap op, en daarboven droeg hij een breedgerande hoed, zodat zijn gelaatstrekken werden overschaduwd, behalve het puntje van zijn neus en zijn grijze baard. Maar toch scheen het Aragorn toe dat hij de glans van heldere en scherpe ogen onder de schaduw van de overhuivende wenkbrauwen kon zien.

Eindelijk verbrak de oude man de stilte. ‘Goedendag, vrienden,’ zei hij met zachte stem. ‘Ik wil met u spreken. Komt u naar beneden of zal ik naar boven komen?’ Zonder op antwoord te wachten begon hij te klimmen.

‘Nu!’ riep Gimli uit. ‘Houd hem tegen, Legolas.’

‘Heb ik niet gezegd dat ik met u wilde spreken?’ vroeg de oude man. ‘Doe die boog weg, meester elf.’

De boog en de pijl vielen uit Legolas’ handen en zijn armen hingen slap langs zijn lichaam.

‘En u, meester dwerg, neem alstublieft uw handen van de steel van de bijl tot ik boven ben. Dergelijke argumenten zult u niet nodig hebben.’

Gimli schrok en bleef toen stokstijf staan, starend, terwijl de oude man vlug als een geit de ruwe treden opklauterde. Alle vermoeidheid scheen van hem te zijn geweken. Toen hij op de richel stapte was er even een schittering, te kort om met zekerheid te kunnen worden vastgesteld; een vluchtige witte glimp, alsof een of ander kledingstuk verhuld door de grijze vodden een ogenblik werd onthuld. De adem van Gimli was hoorbaar als een luid gesis in de stilte.

‘Gegroet! zeg ik nogmaals,’ zei de oude man, terwijl hij naar hen toe kwam. Toen hij enkele voeten van hen verwijderd was, bleef hij staan, zwaar op zijn staf leunend, het hoofd naar voren gestoken, terwijl hij hen van onder zijn kap aanstaarde. ‘En wat voeren jullie in deze streken uit? Een elf, een mens en een dwerg, allen op elfenwijze gekleed. Ongetwijfeld steekt daar een verhaal achter dat het aanhoren waard is. Zulke dingen ziet men hier niet vaak.’

‘U spreekt als iemand die Fangorn goed kent,’ zei Aragorn. ‘Is dat zo?’

‘Niet zo goed,’ zei de oude man, ‘dat zou een studie van vele levens vergen. Maar ik kom hier af en toe.’

‘Zouden wij uw naam mogen weten, en dan horen wat u ons te zeggen hebt?’ vroeg Aragorn. ‘De ochtend schrijdt voort en wij hebben dringende zaken die geen uitstel dulden.’

‘Wat ik wou zeggen heb ik gezegd: wat doen jullie hier en wat kunnen jullie over jezelf vertellen? Wat mijn naam betreft...’ Hij hield op en begon lang en zacht te lachen. Aragorn voelde een rilling door zich heen gaan toen hij het geluid hoorde: een vreemde koude huivering. Maar toch voelde hij geen angst of afgrijzen; het was eerder de plotselinge aanraking van kille lucht of de klets van koude regen die een onrustige slaper wekt.

‘Mijn naam,’ zei de oude man weer. ‘Hebben jullie die nog niet geraden? Ik denk dat jullie die al eerder hebben gehoord. Ja, jullie hebben hem eerder gehoord. Maar kom nu, hoe zit het met jullie verhaal?’

De drie metgezellen stonden doodstil en antwoordden niet.

‘Sommige lieden zouden wel eens kunnen beginnen te twijfelen of jullie missie geschikt is om over te praten,’ zei de oude man. ‘Gelukkig weet ik er iets van af. Jullie volgen de voetstappen van twee jonge hobbits, meen ik. Ja, hobbits. Kijk nu maar nie t alsof jullie die vreemde naam nog nooit eerder hebben gehoord, want dat heb je wel, en ik ook. Welnu, ze zijn hier eergisteren naar boven geklommen, en zij kwamen iemand tegen die ze niet verwachtten. Stelt jullie dat gerust? En nu zouden jullie zeker wel willen weten waar ze heen zijn gebracht? Nu dan, misschien kan ik jullie daaromtrent ook wel inlichten. Maar waarom blijven we toch staan? Jullie missie, zie je, is niet meer zo dringend als jullie dachten. Laten we gaan zitten en het ons gemakkelijk maken.’

De oude man keerde zich om en liep naar een stapel gevallen stenen en rotsblokken aan de voet van de rotswand. Onmiddellijk ontspanden en bewogen de anderen zich, alsof de betovering was verbroken. Gimli’s hand ging onmiddellijk naar de steel van zijn bijl. Aragorn trok zijn zwaard. Legolas pakte zijn boog op.

De oude man schonk er geen aandacht aan, maar boog zich voorover en ging op een lage platte steen zitten. Toen viel zijn grijze mantel open en zij zagen duidelijk dat hij daaronder helemaal in het wit was gekleed.

‘Saruman!’ riep Gimli uit, terwijl hij met de bijl in de hand op hem afsprong. ‘Spreek! Zeg ons waar je onze vrienden verborgen hebt! Wat heb je met ze gedaan? Zeg op, anders zal ik een deuk in je hoofd maken waar zelfs een tovenaar nauwelijks raad mee weet!’

De oude man was hem te vlug af. Hij schoot overeind en sprong boven op een groot rotsblok. Daar bleef hij staan en werd plotseling heel lang, boven hen uittorenend. Hij wierp zijn hoed en grijze vodden weg. Zijn witte kleren straalden. Hij hief zijn st af op en Gimli’s bijl vloog uit zijn hand en viel kletterend op de grond. Het zwaard van Aragorn, dat stijf in zijn bewegingloze hand lag, vlamde plotseling op. Legolas slaakte een luide kreet en schoot een pijl hoog in de lucht: hij verdween met een vuurstraal.

‘Mithrandir!’ riep hij uit. ‘Mithrandir!’

‘Nogmaals gegroet, zeg ik je, Legolas,’ zei de oude man.

Zij staarden hem allen aan. Zijn haar was wit als sneeuw in het zonlicht en zijn gewaad was fonkelwit; de ogen onder zijn diepe wenkbrauwen waren helder, doordringend als de stralen van de zon; zijn hand was machtig. Zij stonden daar ten prooi aan verbazing, vreugde en angst, en konden geen woord uitbrengen.

Ten slotte verroerde Aragorn zich. ‘Gandalf,’ zei hij. ‘Boven alle verwachting ben je tot ons teruggekeerd in onze nood! Welke sluier verhulde mijn gezicht? Gandalf!’ Gimli zei niets, maar knielde neer, de hand boven zijn ogen houdend.

‘Gandalf!’ herhaalde de oude man, alsof hij een lang in onbruik geraakt woord uit zijn herinnering opdiepte. ‘Ja, zo heette ik. Ik was Gandalf.’

Hij stapte van de rots af, pakte zijn grijze mantel op en sloeg die weer om zich heen; het leek alsof de zon had geschenen, maar nu weer achter de wolken schuilging. ‘Ja, jullie mogen mij nog Gandalf noemen,’ zei hij, en de stem was die van hun oude vriend en gids. ‘Sta op, beste Gimli! Jou treft geen blaam en je hebt mij geen kwaad gedaan. Werkelijk, vrienden, geen van jullie bezit een wapen dat mij zou kunnen deren. Verheug je! Wij zijn weer bij elkaar. Op het keerpunt van het getijde. De grote storm steekt op, maar het tij is gekeerd.’

Hij legde de hand op Gimli’s hoofd, en de dwerg keek op en lachte plotseling. ‘Gandalf!’ zei hij. ‘Maar je bent helemaal in het wit!’

‘Ja, ik ben nu wit,’ zei Gandalf. ‘Ik ben werkelijk Saruman, zou je bijna kunnen zeggen, Saruman zoals hij had moeten zijn. Maar kom nu, vertel mij over jullie zelf. Ik ben door vuur en diep water gegaan sinds onze wegen zich scheidden. Ik heb veel vergeten dat ik meende te weten en veel geleerd dat ik vergeten was. Ik kan vele dingen die veraf zijn zien, maar veel dingen die dichtbij zijn kan ik niet zien. Vertel mij over jullie zelf.’

‘Wat wil je weten?’ vroeg Aragorn. ‘Alles wat er is gebeurd sinds wij op de brug uit elkaar gingen zou een lang verhaal zijn. Wil je ons niet eerst het nieuws over de hobbits vertellen? Heb je ze gevonden en zijn ze veilig?’

‘Nee, ik heb ze niet gevonden,’ zei Gandalf. ‘Er heerste duisternis over de dalen van de Emyn Muil, en ik wist niet dat zij gevangen waren, tot de adelaar het mij vertelde.’

‘De adelaar!’ zei Legolas. ‘Ik heb heel in de verte en heel hoog in de lucht een adelaar gezien, voor het laatst drie dagen geleden, boven de Emyn Muil.’

‘Ja,’ zei Gandalf, ‘dat was Gwaihir, de Heer der Winden, die mij van Orthanc heeft afgehaald. Ik heb hem voor mij uitgestuurd om de Rivier te verkennen en nieuws te verzamelen. Zijn blik is scherp, maar hij kan niet alles zien wat onder heuvel en boom gebeurt. Sommige dingen heeft hij gezien en andere heb ik zelf gezien. Ik kan de Ring nu niet meer helpen en ook geen ander van het Reisgenootschap dat uit Rivendel is vertrokken. Bijna was hij aan de Vijand geopenbaard, maar hij ontkwam. Ik had daar ook een aandeel in, want ik zat op een hoge plek en streed met de Zwarte Toren, en de Schaduw ging voorbij. Toen was ik moe, heel moe; en ik heb lang in duistere gedachten gelopen.’