‘Dan weet je dus van Frodo af,’ zei Gimli. ‘Hoe gaat het met hem?’
‘Dat kan ik niet zeggen. Hij is uit een groot gevaar gered, maar vele liggen nog voor hem in het verschiet. Hij besloot om alleen naar Mordor te gaan, en hij is op weg; dat is alles wat ik kan zeggen.’
‘Niet alleen,’ zei Legolas. ‘Wij geloven dat Sam met hem is meegegaan.’
‘Werkelijk?’ vroeg Gandalf en zijn ogen straalden en een glimlach lag op zijn gezicht. ‘Nee maar, werkelijk? Dat is nieuws voor me, hoewel het mij niet verbaast. Goed. Heel goed. Je verlicht mijn hart. Je moet me meer vertellen. Kom nu bij mij zitten en vertel mij het verhaal van jullie reis.’
De metgezellen gingen aan zijn voeten op de grond zitten en Aragorn begon te vertellen. Lange tijd zei Gandalf niets en stelde geen vragen. Zijn handen lagen op zijn knieën en zijn ogen waren gesloten. Ten slotte, toen Aragorn vertelde van de dood van Boromir en zijn laatste reis op de Grote Rivier, zuchtte de oude man.
‘Je hebt niet alles gezegd wat je weet of vermoedt, Aragorn, mijn vriend,’ zei hij rustig. ‘Arme Boromir! Ik kon niet zien wat er met hem gebeurde. Het was een zware beproeving voor zulk een mens: een krijgsman, en een Heer der mensen. Galadriel vertel de mij dat hij in gevaar verkeerde. Maar ten slotte is hij toch ontkomen. Daar ben ik blij om. De jonge hobbits zijn niet tevergeefs met ons meegegaan, al was het alleen maar om Boromir. Maar dat is niet de enige rol die zij te spelen hebben. Zij zijn naar Fangorn gebracht, en hun komst was als de val van kleine stenen die het begin zijn van een lawine in de bergen. Terwijl we hier zitten te praten kan ik het eerste gerommel horen. Saruman moet liever maar niet van huis zijn als de dijken doorbreken!’
‘In één opzicht ben je niet veranderd, beste vriend,’ zei Aragorn. ‘Je spreekt nog altijd in raadselen.’
‘Wat? In raadselen?’ zei Gandalf. ‘Nee! Want ik sprak hardop in mezelf. Een gewoonte van oude lieden: zij zoeken de wijste onder hun gehoor uit om mee te praten; de lange uitleg die de jongeren nodig hebben zijn vermoeiend.’ Hij lachte, maar de toon ervan was nu warm en vriendelijk als een straal zonlicht.
‘Ik ben niet jong meer, zelfs niet naar de berekening van de Mensen van de Oude Huizen,’ zei Aragorn. ‘Wil je mij je gedachten niet duidelijker maken?’
‘Wat moet ik zeggen?’ vroeg Gandalf, en bleef een ogenblikje in gedachten verzonken. ‘Zo zie ik in het kort de dingen op het ogenblik, als je mijn gedachten zo duidelijk mogelijk wilt hebben. De Vijand wist natuurlijk allang dat de Ring in omloop is en dat hij bij een hobbit berust. Hij weet nu met hoevelen wij uit Rivendel zijn vertrokken en met hoevelen van elke soort wij zijn. Maar hij doorziet ons doel nog niet duidelijk. Hij veronderstelt dat wij allen naar Minas Tirith gaan, want dat zou hijzelf in onze plaats hebben gedaan. En volgens zijn wijsheid zou dat een zware slag voor zijn macht zijn geweest. Hij verkeert voorwaar in grote angst, want hij weet niet welke machtige figuur plotseling kan opdoemen, die de Ring kan gebruiken en hem met oorlog kan overvallen, en die zal proberen hem omver te werpen en zijn plaats in te nemen.
Dat wij willen proberen hem omver te werpen, en niemand in zijn plaats te stellen, is een gedachte die niet bij hem opkomt. Dat wij zouden proberen de Ring zelf te vernietigen is nog niet tot zijn donkerste droom doorgedrongen. Waarin je ongetwijfeld ons geluk en onze hoop zult zien. Want door zich oorlog te verbeelden heeft hij de oorlog ontketend, in de veronderstelling dat er geen tijd te verliezen is; want hij die de eerste klap uitdeelt zal, mits hij hard genoeg toeslaat, er misschien verder geen meer hoeven te geven. Daarom zet hij de strijdmachten, die hij lange tijd heeft opgebouwd, nu in beweging, eerder dan hij van plan was. Wijze dwaas. Want als hij al zijn macht had gebruikt om Mordor te bewaken, zodat er niemand in kon, en zich helemaal op het verkrijgen van de Ring had geconcentreerd, zou er vrijwel geen hoop meer geweest zijn, want noch de Ring, noch de Drager ervan zou hem lang hebben kunnen ontwijken. Maar nu richt zijn blik zich buiten de grenzen in plaats van dichter bij huis, en hij kijkt vooral naar Minas Tirith. Weldra zal zijn kracht er als een storm overheen razen.
Want hij weet al dat de boodschappers die hij stuurde om het Reisgenootschap op te wachten, weer gefaald hebben. Ze hebben de Ring niet gevonden. En ook hebben zij geen hobbits als gijzelaars meegebracht. Als ze dat hadden gedaan, zou dat een zware slag voor ons geweest zijn en het zou noodlottig hebben kunnen zijn. Maar laat ons onze harten niet bezwaren door ons de beproeving voor hun vriendschap en trouw in de Zwarte Toren voor te stellen. Want de Vijand heeft gefaald – tot dusver. Dankzij Saruman.’
‘Dus dan is Saruman geen verrader?’ vroeg Gimli.
‘Dat is hij wel,’ zei Gandalf. ‘Een dubbele zelfs. En is dat niet vreemd? Niets van wat wij de laatste tijd hebben doorgemaakt schijnt zo smartelijk als het verraad van Isengard. Zelfs als Heer en aanvoerder is Saruman bijzonder sterk geworden. Hij bedreigt de mensen van Rohan en weerhoudt hen ervan Minas Tirith te helpen, zelfs nu de hoofdaanval uit het Oosten naderbij komt. Maar een verraderlijk wapen is altijd een gevaar voor de hand die het voert. Saruman was ook van plan zich meester te maken van de Ring, voor zichzelf of om in elk geval een paar hobbits voor zijn boze plannen te strikken. Dus samen zijn onze vijanden er alleen maar in geslaagd om Merijn en Pepijn met bewonderenswaardige snelheid, en op het nippertje, naar Fangorn te brengen, waar ze anders nooit zouden zijn gekomen.
Ook zijn zij door nieuwe twijfel overvallen, die hun plannen verstoort. Dankzij de paardenmensen van Rohan zullen er geen berichten over de strijd Mordor bereiken; maar de Zwarte Heerser weet dat er twee hobbits gevangen waren genomen in de Emyn Muil en tegen de wil van zijn eigen dienaren naar Isengard werden gebracht. Hij heeft nu zowel Isengard als Minas Tirith te vrezen. Als Minas Tirith valt, zal het er slecht uitzien voor Saruman.’
‘Het is jammer dat onze vrienden ertussenin zitten,’ zei Gimli. ‘Als er geen land was dat Isengard en Mordor scheidde, zouden zij het kunnen uitvechten, terwijl wij rustig toekeken en afwachtten.’
‘De overwinnaar zou sterker dan een van beide uit de strijd tevoorschijn komen, en vrij van twijfel,’ zei Gandalf. ‘Maar Isengard kan niet tegen Mordor vechten tenzij Saruman zich eerst meester maakt van de Ring. Maar daarin zal hij nu nooit slagen. Hij weet nog niet in welk gevaar hij verkeert. Er is een heleboel dat hij niet weet. Hij was zo happig om zijn prooi te vangen, dat hij niet thuis kon wachten, maar hun tegemoet kwam om zijn boodschappers te bespioneren. Maar hij is voor één keer te laat gekomen, en de slag was voorbij en hij kon er niets meer aan veranderen voordat hij deze streken bereikte. Hij is hier niet lang gebleven. Ik schouw in zijn geest en zie zijn twijfel. Hij weet niets van bossen af. Hij gelooft dat de paardenmensen alle orks op het slagveld hebben gedood en verbrand, maar hij weet niet of ze gevangenen met zich meevoerden of niet. En hij weet ook niet van de ruzie tussen zijn dienaren en de orks van Mordor; en evenmin weet hij van het bestaan van de Gevleugelde Boodschapper.’
‘De Gevleugelde Boodschapper!’ riep Legolas uit. ‘Ik heb met de boog van Galadriel boven de Sarn Gebir op hem geschoten, en hem uit de hemel neergehaald. Hij vervulde ons allen met angst. Welke nieuwe verschrikking is dit?’
‘Een die je niet met pijlen kunt doden,’ zei Gandalf. ‘Je hebt alleen zijn ros gedood. Het was een goede daad, maar de Ruiter werd weldra weer met een ander paard uitgerust. Want hij was een Nazgûl, een van de Negen, die nu op gevleugelde paarden rijden. Weldra zal hun verschrikking de laatste legers van onze vrienden overschaduwen en het licht van de zon afsnijden. Maar zij hebben de Rivier nog niet mogen oversteken, en Saruman weet nog niets af van deze nieuwe gedaante waarmee de Ringgeesten zijn omhuld. Zijn gedachten zijn altijd bij de Ring. Was die aanwezig in de slag? Is hij gevonden? En wat zou er gebeuren als Théoden, Heer van de Mark, hem in handen zou krijgen en de macht ervan ontdekken? Dat is het gevaar dat hij ziet, en hij is naar Isengard terug gevlucht om zijn aanval op Rohan twee- of drievoudig te versterken. Maar ondertussen is er een ander gevaar dichter bij huis, dat hij niet ziet omdat hij zo druk met zijn vurige gedachten bezig is. Hij heeft buiten Boombaard gerekend.’