‘Nu praat je weer in jezelf,’ zei Aragorn glimlachend. ‘Ik ken Boombaard niet. En ik heb Sarumans dubbele verraad gedeeltelijk vermoed; toch zie ik niet in hoe de komst van twee hobbits naar Fangorn heeft geholpen, behalve dat het ons een lange, vruchteloze jacht heeft opgeleverd.’
‘Wacht even!’ riep Gimli uit. ‘Er is nog iets dat ik eerst zou willen weten. Was jij het, Gandalf, of Saruman, die wij gisteravond hebben gezien?’
‘Je hebt mij zeker niet gezien,’ antwoordde Gandalf, ‘daarom vermoed ik dat je Saruman gezien hebt. Blijkbaar lijken we zoveel op elkaar, dat je verlangen om een onherstelbare deuk in mijn hoed te maken moet worden verontschuldigd.’
‘Goed, goed,’ zei Gimli. ‘Ik ben blij dat jij het niet was.’
Gandalf lachte opnieuw. ‘Ja, mijn beste dwerg,’ zei hij. ‘Het is een geruststelling niet op alle punten verkeerd te worden begrepen. Dat weet ik maar al te goed! Maar natuurlijk heb ik je je begroeting nooit verweten. Hoe zou ik dat ook kunnen, ik, die mijn vrienden zo vaak heeft aangeraden zelfs hun eigen handen te wantrouwen, wanneer ze met de Vijand te maken hebben. Gezegend Gimli, zoon van Glóin! Misschien zul je ons op een dag samen zien en tussen ons kiezen!’
‘Maar de hobbits!’ viel Legolas hem in de rede. ‘Wij zijn van ver gekomen om ze te zoeken en jij schijnt te weten waar ze zijn. Waar zijn ze nu dan?’
‘Bij Boombaard en de enten,’ zei Gandalf.
‘De enten!’ riep Aragorn uit. ‘Dus de oude legenden over de bewoners van de diepe bossen en de reuzenhoeders van de bomen bevatten waarheid? Bestaan er nog enten in de wereld? Ik dacht dat die alleen maar een herinnering aan heel vroege tijden waren, als ze tenminste ooit meer dan een legende van Rohan zijn geweest.’
‘Een legende van Rohan!’ riep Legolas uit. ‘Nee, iedere elf in Wilderland heeft liederen over de oude Onodrim en hun lange verdriet gezongen. Maar zelfs onder ons zijn ze niet meer dan een herinnering. Als ik er een zou ontmoeten die nog op de wereld rondloopt, zou ik me werkelijk weer jong voelen. Maar Boombaard, dat is slechts een vertaling van Fangorn in de Gemeenschappelijke Taal; toch schijn je over een persoon te spreken. Wie is die Boombaard?’
‘Ah, nu vraag je te veel,’ zei Gandalf. ‘Het weinige dat ik van zijn lange trage verhaal ken zou een geschiedenis zijn waarvoor we op het ogenblik geen tijd hebben. Boombaard is Fangorn, de bewaker van het woud; hij is de oudste van de enten, het oudste levende wezen dat nog onder de zon op deze Midden-aarde rondgaat. Ik hoop inderdaad, Legolas, dat je hem alsnog zult ontmoeten. Merijn en Pepijn hebben geluk gehad; zij hebben hem hier ontmoet, precies op de plek waar wij nu zitten. Want hij kwam hier twee dagen geleden en nam ze mee naar zijn woning ver weg bij de wortels van de bergen. Hij komt hier vaak, vooral wanneer zijn geest onrustig is en geruchten over de buitenwereld hem verontrusten. Ik heb hem vier dagen geleden tussen de bomen zien schrijden en ik geloof dat hij mij zag, want hij bleef staan; maar ik sprak niet, want ik was diep in gedachten verzonken en moe na mijn strijd met het Oog van Mordor; en hij sprak evenmin, en riep ook mijn naam niet.’
‘Misschien dacht hij ook dat je Saruman was,’ zei Gimli. ‘Maar je spreekt over hem alsof hij een vriend is. Ik dacht dat Fangorn gevaarlijk was.’
‘Gevaarlijk!’ riep Gandalf uit. ‘Dat ben ík ook, heel gevaarlijk; gevaarlijker dan iets anders dat je ooit zult tegenkomen, tenzij je levend voor de troon van de Zwarte Vorst wordt geleid. En Aragorn is gevaarlijk en Legolas is gevaarlijk. Je wordt door gevaren omringd, Gimli, zoon van Glóin; want je bent zelf ook gevaarlijk, op je eigen manier. Zeker, het bos van Fangorn is gevaarlijk en niet in het minst voor hen die te vlug met hun bijlen klaarstaan; en Fangorn zelf is ook gevaarlijk, maar niettemin is hij vriendelijk en wijs. Maar nu zit hij barstensvol oude trage woede, en het hele bos wordt ervan vervuld. De komst van de hobbits en het nieuws dat zij meebrachten hebben de emmer doen overlopen; deze zal weldra een vloedgolf veroorzaken; maar het tij is tegen Saruman en de bijlen van Isengard gekeerd. Er staat iets te gebeuren dat niet is voorgekomen sinds de Vroegste Tijden: de enten worden wakker en merken dat ze sterk zijn.’
‘Wat zullen ze doen?’ vroeg Legolas verbaasd.
‘Ik weet het niet,’ zei Gandalf. ‘Ik denk dat ze het zelf niet weten. Ik vraag het me af.’ Hij zweeg, het hoofd in gedachten gebogen.
De anderen keken naar hem. Een zonnestraal scheen door de jachtige wolken op zijn handen, die nu open in zijn schoot lagen; zij schenen met lucht gevuld als een beker met water. Ten slotte sloeg hij de ogen op en keek recht naar de zon.
‘De ochtend is al bijna om,’ zei hij. ‘Wij moeten snel gaan.’
‘Gaan we onze vrienden zoeken en naar Boombaard toe?’ vroeg Aragorn.
‘Nee,’ zei Gandalf. ‘Dat is niet de weg die je moet nemen. Ik heb woorden van hoop gesproken. Maar alleen maar van hoop. Hoop is geen overwinning. Oorlog bedreigt ons en al onze vrienden, een oorlog waarin alleen het gebruik van de Ring ons de zekerheid van de overwinning zou kunnen geven. Het vervult mij met grote smart en grote angst, want er zal veel worden verwoest en misschien gaat alles verloren. Ik ben Gandalf, Gandalf de Witte, maar Zwart is nog altijd machtiger.’
Hij stond op en keek naar het oosten, zijn ogen beschaduwend alsof hij dingen in de verte zag die geen van hen kon zien. Toen schudde hij het hoofd. ‘Nee,’ zei hij zacht. ‘Hij is nu buiten ons bereik. Laat ons daar in ieder geval blij om zijn. Wij kunnen niet langer worden verleid om de Ring te gebruiken. Wij moeten afdalen om een gevaar het hoofd te bieden dat de wanhoop nabij komt, maar dat dodelijke gevaar is voorbij.’
Hij draaide zich om. ‘Kom, Aragorn, zoon van Arathorn!’ zei hij. ‘Betreur je keuze in de vallei van de Emyn Muil niet, en noem het ook geen vergeefse achtervolging. Te midden van twijfels heb jij het pad gekozen dat juist leek: de keuze was goed en zij is beloond. Want daardoor zijn wij elkaar op tijd tegengekomen, die elkaar anders wel eens te laat zouden hebben kunnen ontmoeten. Maar de queeste van je metgezellen is voorbij. Je volgende reis wordt aangeduid door de belofte die je hebt gedaan. Je moet naar Edoras gaan en Théoden in zijn burcht opzoeken. Want men heeft je nodig. Het licht van Andúril moet nu worden onthuld in de slag waarop het zo lang heeft gewacht. Er woedt oorlog in Rohan en erger kwaad; het gaat slecht met Théoden.’
‘Zullen wij de vrolijke jonge hobbits dan niet weerzien?’ vroeg Legolas.
‘Dat heb ik niet gezegd,’ zei Gandalf. ‘Wie weet? Oefen geduld. Ga waar je moet gaan en hoop! Op naar Edoras. Ik ga daar ook heen.’
‘Dat is een lange weg voor een mens om te gaan, of hij oud is of jong,’ zei Aragorn. ‘Ik vrees dat de slag lang voor ik aankom voorbij zal zijn.’
‘We zullen zien. We zullen zien,’ zei Gandalf. ‘Wil je nu met mij meegaan?’
‘Ja, we zullen samen verder trekken,’ zei Aragorn. ‘Maar ik twijfel er niet aan dat je daar eerder zult aankomen dan ik, als je dat wilt.’
Hij stond op en keek Gandalf lang aan. De anderen sloegen hen zwijgend gade, zoals zij daar tegenover elkaar stonden. De grijze gestalte van de mens, Aragorn, zoon van Arathorn, was rijzig en hard als steen, zijn hand op het gevest van zijn zwaard; hij zag eruit alsof een koning uit de nevels van de zee op de stranden van mindere mensen aan land was gegaan. Voor hem boog zich de oude figuur, wit, stralend nu alsof er een licht binnen in hem was, met ronde rug, gebukt onder de jaren, maar met een macht welke die van koningen te boven ging.