Выбрать главу

‘Is het niet waar, Gandalf,’ vroeg Aragorn ten slotte, ‘als ik zeg dat jij overal waar je wilt vlugger heen zou kunnen gaan dan ik? En dit zeg ik ook: jij bent onze aanvoerder en onze banier. De Zwarte Vorst heeft Negen. Maar wij hebben er Eén, machtiger dan zij: de Witte Ruiter. Hij is door het vuur en de afgrond gegaan, en zij zullen hem vrezen. Wij zullen gaan waar hij voorgaat.’

‘Ja, samen zullen we je volgen,’ zei Legolas. ‘Maar eerst zou het mijn hart verlichten, Gandalf, om te horen wat je in Moria is overkomen. Wil je het ons niet vertellen? Kun je niet eens blijven om je vrienden te vertellen hoe je bent bevrijd?’

‘Ik ben al te lang gebleven,’ antwoordde Gandalf. ‘De tijd dringt. Maar al had ik een jaar de tijd, dan zou ik jullie nog niet alles vertellen.’

‘Vertel ons dan wat je kwijt wilt voorzover de tijd het toestaat,’ zei Gimli. ‘Kom, Gandalf, vertel ons eens hoe het je met de Balrog is vergaan.’

‘Noem hem niet!’ zei Gandalf, en een ogenblik scheen er een wolk van pijn over zijn gezicht te trekken, en hij bleef stilzitten en zag er stokoud uit. ‘Ik viel lang,’ zei hij ten slotte, langzaam, alsof hij er met moeite aan terugdacht. ‘Lange tijd viel ik, en hij viel met mij. Zijn vuur omhulde mij. Ik werd verbrand. Toen stortten wij in het diepe water en alles was donker. Het was koud als het getij van de dood; het bevroor mijn hart bijna.’

‘Diep is de afgrond die door Durins Brug wordt overspannen, en niemand heeft hem ooit gemeten,’ zei Gimli.

‘Toch heeft hij een bodem ver van licht en kennis,’ zei Gandalf. ‘Daar kwam ik ten slotte terecht, tot de uiterste grondvesten van steen. Hij was nog altijd bij me. Zijn vuur was gedoofd, maar nu was hij een wezen van slijm, sterker dan een worgslang.

Wij vochten ver onder de levende aarde, waar de tijd niet telt. Hij bleef zich almaar aan me vastklemmen, en ik hakte onafgebroken op hem in, totdat hij ten slotte donkere tunnels in vluchtte. Die waren niet gemaakt door Durins volk, Gimli, zoon van Glóin. Ver, ver onder het diepste graafwerk van de dwergen knagen naamloze dingen aan de wereld. Zelfs Sauron kent die niet. Ze zijn ouder dan hij. Ik ben daar nu geweest, maar ik wil geen verslag doen om het daglicht te verduisteren. In die wanhoop was mijn vijand mijn enige hoop, en ik achtervolgde hem en bleef hem op de hielen zitten. Zo voerde hij mij ten slotte terug naar de geheime wegen van Khazad-dûm: hij kende ze alle te goed. Steeds hoger gingen wij totdat wij ten slotte aan de Trap Zonder Einde k wamen.’

‘Die is lang verloren geweest,’ zei Gimli. ‘Velen hebben gezegd dat hij alleen maar in een legende was gemaakt, maar anderen zeggen dat hij werd vernietigd.’

‘Hij was gemaakt, en hij werd niet vernietigd,’ zei Gandalf. ‘Van de laagste kerker tot de hoogste piek steeg hij, in een ongebroken spiraal omhooggaand, vele duizenden treden, tot hij eindelijk uitkwam in Durins toren, uitgehouwen in de levende rots van Zirakzigil, de pinakel van de Zilvertijn.

Daar op de Celebdil was een eenzaam venster in de sneeuw, en daarvoor lag een smalle ruimte, een duizelingwekkend adelaarsnest boven de nevels van de wereld. De zon scheen daar fel, maar alles beneden was in wolken gehuld. Hij sprong eruit, en toen ik hem achternaging, brak hij opnieuw in vlammen uit. Niemand was er getuige van, anders zouden misschien in latere tijden nog liederen worden gezongen over de Slag om de Piek.’ Plotseling lachte Gandalf. ‘Maar wat zouden die liederen zeggen? Zij die van verre omhoogkeken dachten dat de berg gekroond was door onweer. Donder hoorden ze en bliksem, zeiden ze, striemde op de Celebdil neer en ketste terug met vurige tongen. Is dat niet genoeg? Een grote rookkolom steeg om ons op, damp en stoom. IJs viel als regen neer. Ik gooide mijn vijand naar beneden en hij viel van de hoge top en brak de bergflank waar hij deze in zijn ondergang raakte. Toen werd ik door duisternis opgenomen en ik trad uit gedachten en tijd, en doolde ver over wegen waarover ik niet wil spreken.

Naakt werd ik teruggestuurd – voor korte tijd, tot mijn taak was volbracht. En naakt lag ik op de bergtop. De toren achter mij was tot stof vervallen, het raam verdwenen; de verwoeste trap lag vol geblakerde en gebroken stenen. Ik was alleen, vergeten, zonder mogelijkheid tot ontsnapping op de harde hoorn van de wereld. Daar lag ik naar boven te staren, terwijl de sterren langs de hemel cirkelden, en iedere dag scheen even lang als een levensspanne op aarde. Vaag hoorde ik de gezamenlijke geluiden van alle landen: het ontluiken en het sterven, het zingen en het wenen, het langzame altijddurende gekreun van overbelaste steen. En zo vond eindelijk Gwaihir, de Windheer mij weer, en hij nam mij op en droeg mij weg.

“Het schijnt mijn noodlot te zijn dat ik je altijd tot last moet zijn, vriend in de nood,” zei ik.

“Een last ben je geweest,” antwoordde hij, “maar nu niet. Licht als een zwanendonsje in mijn klauw, ben je. De zon schijnt door je heen. Ik geloof werkelijk dat je me niet meer nodig hebt: als ik je zou laten vallen, zou je op de wind zweven.”

“Laat mij niet vallen,” zei ik hijgend, want ik voelde weer leven in me. “Breng mij naar Lothlórien.”

“Dat is ook het bevel van Vrouwe Galadriel, die mij heeft uitgezonden om je te zoeken,” antwoordde hij.

Zo kwam het dat ik naar Caras Galadhon kwam en hoorde dat jullie pas kort geleden waren vertrokken. Ik bleef daar in de tijdloze tijd van dat land waar dagen genezing brengen en geen aftakeling. Ik vond er genezing, en werd in het wit gekleed. Ik gaf raad en nam raad aan. Vandaar ging ik langs vreemde wegen, en voor sommigen van jullie heb ik boodschappen. Jou, Aragorn, werd mij gevraagd het volgende te zeggen:

Waar zijn nu de Dúnedain, Elessar, Elessar? Waarom zwerft uw geslacht zo ver? Maar Het uur van de komst der Verlorenen slaat Als het Grijze Gezelschap het noorden verlaat. Maar duister is ’t pad dat voor u werd gemaakt: De Weg naar de Zee wordt door Doden bewaakt.

Aan Legolas zegt zij dit:

Legolas, Groenblad, lang onder boom, Gij leefde in vreugde. Pas op voor Zeezoom! Als gij de kreet hoort van meeuw aan het strand Zal uw hart niet meer rusten in ’t bomenland.’

Gandalf zweeg en sloot zijn ogen.

‘Dus dan heeft ze mij geen boodschap gestuurd?’ zei Gimli en boog zijn hoofd.

‘Duister zijn haar woorden en ze betekenen weinig voor hen die ze ontvangen.’

‘Dat is geen troost,’ zei Gimli.

‘Wat dan?’ vroeg Legolas. ‘Zou je liever hebben dat ze openlijk tegen je over je dood sprak?’

‘Ja, als ze niets anders te zeggen had.’

‘Wat zeg je?’ vroeg Gandalf, de ogen openend. ‘Ja, ik denk dat ik kan raden wat haar woorden misschien betekenen. Neem me niet kwalijk, Gimli! Ik dacht weer over de boodschappen na. Maar ze heeft inderdaad een boodschap aan jou gezonden, en die is duister noch triest.

“Breng aan Gimli, zoon van Glóin, de groeten van zijn Vrouwe over,” zei ze. “Lokdrager, waar ge gaat, mijn gedachten zijn bij u. Pas op dat ge uw bijl in de juiste boom slaat.”’

‘Op een gelukkig uur ben je tot ons teruggekeerd, Gandalf,’ riep de dwerg uit, terwijl hij kuitenflikkers sloeg en luid in de vreemde dwergentaal zong. ‘Kom! Kom!’ riep hij, met zijn bijl zwaaiend. ‘Aangezien Gandalfs hoofd nu heilig is, moeten we er een zoeken dat we wel mogen splijten.’

‘Daar hoef je niet ver voor te zoeken,’ zei Gandalf, terwijl hij van zijn zitplaats opstond. ‘Kom! We hebben alle tijd verbruikt die is toegestaan voor een ontmoeting tussen vrienden die gescheiden waren. Nu moeten wij ons haasten.’

Hij hulde zich weer in zijn oude gerafelde mantel en ging hun voor. Zij liepen snel achter hem aan de hoge richel af en gingen terug door het woud, langs de oever van de Entwas. Zij spraken pas weer toen zij opnieuw op het gras buiten de rand van Fangorn stonden. Er was geen spoor van hun paarden te bekennen.

‘Ze zijn niet teruggekeerd,’ zei Legolas. ‘Het zal een vermoeiende wandeling worden.’