Выбрать главу

‘Ik zal niet lopen. De tijd dringt,’ zei Gandalf. Toen hief hij het hoofd op en floot lang. Zo helder en doordringend was de noot, dat de anderen verbaasd waren zulk een geluid over die oude, baardige lippen te horen komen. Hij floot drie keer en toen scheen het hun toe dat zij vaag en ver weg het gehinnik van een paard hoorden dat op de oostenwind over de vlakte aanwoei. Zij bleven vol verwachting staan. Het duurde niet lang of er klonk geluid van hoeven, eerst nauwelijks meer dan een trilling van de grond die alleen voor Aragorn waarneembaar was toen hij op het gras lag, maar daarna gestadig aangroeide tot een snelle roffel.

‘Er komt meer dan één paard aan,’ zei Aragorn.

‘Zeker,’ zei Gandalf. ‘We zijn een te zware last voor één.’

‘Er zijn er drie,’ zei Legolas, over de vlakte uitkijkend. ‘Zie ze eens rennen! Daar is Hasufel, en daar naast hem is mijn vriend Arod. Maar er is er nog een, die voorop gaat: een heel groot paard. Ik heb nog nooit eerder zo’n paard gezien.’

‘En dat zul je ook nooit meer zien,’ zei Gandalf. ‘Dat is Schaduwvacht. Hij is het hoofd van de mearas, de Heer van de Paarden, en zelfs Théoden, koning van Rohan, heeft nooit een beter paard gezien. Glanst hij niet als zilver en loopt hij niet gelijkmatig als een snelle stroom? Hij is voor mij gekomen: het paard van de Witte Ruiter. Wij trekken samen ten strijde.’

Terwijl de oude tovenaar dat zei, kwam het grote paard naar hen toe de helling op rennen; zijn vacht glansde en zijn manen wapperden in de wind door zijn grote snelheid. De twee andere volgden, nu een heel eind achter hem aan. Zodra Schaduwvacht Gandalf zag, hield hij in en hinnikte luid; toen, langzaam voorwaarts stappend, boog hij het trotse hoofd en drukte zijn grote neusgaten tegen de nek van de oude man aan.

Gandalf streelde hem. ‘Het is een heel eind van Rivendel, mijn vriend,’ zei hij, ‘maar je bent wijs en snel en komt als redder in de nood. Laten we samen rijden en nooit meer gescheiden worden in deze wereld.’

Weldra kwamen de andere paarden eraan en bleven rustig staan, alsof zij op bevelen wachtten. ‘We gaan meteen naar Meduseld, de burcht van je meester Théoden,’ zei Gandalf, hen ernstig toesprekend. Ze bogen hun hoofden. ‘De tijd dringt, dus met jullie goedvinden, mijn vrienden, zullen wij rijden. We vragen jullie zo snel mogelijk te lopen. Hasufel zal Aragorn dragen en Arod Legolas. Ik zal Gimli voor mij op het paard zetten en met zijn instemming zal Schaduwvacht ons beiden dragen. Wij zullen nu alleen wachten om wat te drinken.’

‘Nu begrijp ik het raadsel van gisteravond gedeeltelijk,’ zei Legolas, terwijl hij luchtig op Arods rug sprong. ‘Of zij eerst uit angst gevlucht zijn of niet, onze paarden zijn Schaduwvacht, hun aanvoerder, tegengekomen en hebben hem met vreugde begroet. Wist je dat hij in de buurt was, Gandalf?’

‘Ja, dat wist ik,’ zei de tovenaar. ‘Ik heb mijn gedachten op hem geconcentreerd en hem gevraagd zich te haasten, want gisteren was hij ver weg in het zuiden van dit land. Moge hij mij vlug terugbrengen!’

Gandalf sprak Schaduwvacht nu toe, en het paard ging met grote snelheid op weg, hoewel niet sneller dan de andere konden lopen. Na enige tijd zwenkte hij plotseling af, zocht een plek uit waar de oevers lager waren, waadde de rivier door en ging hun toen voor naar het zuiden, door een vlak wijd land zonder bomen. De wind ging als grijze golven door de eindeloze mijlen gras. Er was geen spoor van een weg of pad, maar Schaduwvacht hield niet in en aarzelde niet één keer.

‘Hij volgt nu een rechte koers naar de burcht van Théoden onder aan de hellingen van de Witte Bergen,’ zei Gandalf. ‘Zo zal het vlugger gaan. De grond is vaster in de Oost-Emnet, waar de voornaamste weg naar het noorden ligt, aan de andere kant van de rivier, maar Schaduwvacht kent de weg door ieder moeras en laagland.’

Vele uren reden zij verder door de weiden en stroomgebieden. Vaak was het gras zo hoog, dat het tot boven de knieën van de ruiters reikte, en hun rossen in een grijsgroene zee schenen te zwemmen. Zij kwamen bij vele verborgen poelen en wijde vlakten met zegge die boven natte, verraderlijke moerassen uit wuifde; maar Schaduwvacht vond de weg en de andere paarden volgden zijn spoor. Langzaam zonk de zon aan de westelijke hemel. Over de grote vlakte in de verte zagen de ruiters haar een ogenblik als een rood vuur dat in het gras neerdaalde.

Laag aan de einder rezen de hellingen van de bergen aan weerskanten rood op. Er scheen rook op te stijgen en de zon verkleurde naar bloedrood, alsof zij het gras in brand had gestoken terwijl ze onder de rand van de aarde verdween.

‘Daar ligt de Kloof van Rohan,’ zei Gandalf. ‘Hij is nu bijna pal ten westen van ons. Die kant uit ligt Isengard.’

‘Ik zie een hoop rook,’ zei Legolas. ‘Wat kan dat zijn?’

‘Strijd en oorlog!’ zei Gandalf. ‘Rijd verder.’

VI. De Koning van de Gouden Burcht

Zij reden verder terwijl de zon onderging, het traag begon te schemeren en de nacht viel. Toen zij ten slotte halt hielden en afstegen, was zelfs Aragorn stijf en moe. Gandalf stond hun slechts enkele uren rust toe. Legolas en Gimli sliepen en Aragorn lag plat op zijn rug uitgestrekt, maar Gandalf bleef op zijn staf geleund in de duisternis staan turen, naar oost en west. Alles was stil en er was geen teken of geluid van enig levend wezen. Toen ze weer opstonden dreven er lange wolken op een kille wind langs de nachtelijke hemel. Onder de koude maan vervolgden zij hun weg, even vlug als bij het daglicht.

De uren gingen voorbij en nog steeds reden zij voort. Gimli knikkebolde en zou van zijn plaats zijn gevallen, als Gandalf hem niet had gegrepen en wakker had geschud. Hasufel en Arod, moe maar trots, volgden hun onvermoeibare leider, een grijze, bijna onzichtbare schaduw. Mijl na mijl legden zij af. De wassende maan zonk in het bewolkte westen.

Er kwam een bittere kilte in de lucht. Langzaam verbleekte het donker in het oosten tot een koud grijs. Rode lichtbundels sprongen boven de zwarte muren van de Emyn Muil, ver links van hen. De dageraad kwam helder en feclass="underline" een wind woei over hun pad, door de gebogen grashalmen ruisend. Plotseling bleef Schaduwvacht hinnikend staan. Gandalf wees voor zich uit.

‘Kijk!’ riep hij en zij sloegen hun vermoeide ogen op. Voor hen stonden de bergen van het zuiden, met witte toppen en zwarte strepen. De graslanden golfden op de heuvels aan de voet ervan en stegen op naar vele dalen die nog vaag en donker waren, onaan geraakt door het licht van de dageraad, en kronkelend naar het hart van de grote bergen liepen. Vlak voor de reizigers opende zich het wijdste van deze dalen als een lange sleuf tussen de heuvels. Ver daarbinnen zagen zij heel even een bergmassief met één hoge piek; bij de ingang van het dal stond als een schildwacht een eenzaam heuveltje. Om de voet ervan liep als een zilveren draad de stroom die uit het dal kwam; daarop zagen zij nog heel in de verte iets schitteren in de opgaande zon; een glinstering van goud.

‘Spreek, Legolas!’ zei Gandalf. ‘Vertel ons wat je daar voor ons ziet!’ Legolas keek voor zich uit, zijn ogen met een hand beschaduwend tegen de horizontale stralen van de opgaande zon. ‘Ik zie een witte stroom die van de sneeuwvelden naar beneden loopt,’ zei hij. ‘Waar hij uit de schaduw van een vallei tevoorschijn komt, rijst in het oosten een groene heuvel op. Een dijk, een machtige muur en een stekelige haag omringen hem. Daarbinnen rijzen de daken van huizen op, en in het midden, op een groen terr as, staat een grote mensenburcht. En het schijnt mij toe dat deze een gouden dak heeft. Het licht ervan straalt ver over het land. Goud ook zijn de stijlen van de deuren. Er staan mannen, gekleed in schitterende maliënkolders, maar al het andere binnen de omheining slaapt nog.’

‘Edoras, zo worden die gebouwen genoemd,’ zei Gandalf, ‘en Meduseld is de naam van de gouden burcht. Daar woont Théoden, zoon van Thengel, koning van de Mark van Rohan. Wij zijn gekomen bij het aanbreken van de dag. Nu ligt de weg duidelijk zichtbaar voor ons. Maar wij moeten voorzichtiger rijden, want er woedt oorlog daarbuiten en de Rohirrim, de Paardenheren, slapen niet, ook al lijkt het van ver zo. Trek geen wapen, spreek geen hooghartige woorden, raad ik jullie allen aan, tot wij voor Théodens troon zijn verschenen.’