De ochtend was helder en klaar om hen heen, en vogels zongen toen de reizigers bij de stroom kwamen. Deze stortte zich de vlakte in en achter de voet van de heuvels liep hij in een wijde boog over hun pad, naar het oosten, naar de Entwas, ver weg, met zijn door riet verstikte bedding weg stromend. Het land was groen: in de natte weiden en langs de grazige randen van de stroom groeiden vele wilgen. In dit zuidelijke land bloosden zij reeds rood aan de uiteinden van hun takken, de komst van de lente voorvoelend. Door de stroom was een voorde, platgetreden door de doortocht van paarden. De reizigers staken deze over en kwamen aan een breed uitgesleten pad dat naar het hoogland leidde.
Aan de voet van de ommuurde heuvel liep de weg onder de schaduw van vele terpen, hoog en groen. Aan de westkant ervan was het gras wit alsof er stuifsneeuw op lag; kleine bloemen sproten daar als ontelbare sterren tussen het gras op.
‘Kijk!’ zei Gandalf. ‘Wat mooi zijn die heldere ogen in het gras! Immerdaar worden ze genoemd, simbelmynë in dit land van mensen, want zij bloeien in alle jaargetijden en groeien waar dode mensen rusten. Kijk! We zijn bij de grote Grafheuvels gekomen waar de voorvaderen van Théoden begraven liggen.’
‘Zeven Grafheuvels links en negen rechts,’ zei Aragorn. ‘Het is vele lange mensenlevens geleden sinds de gouden burcht werd gebouwd.’
‘Vijfhonderd keer zijn de rode bladeren in het Demsterwold, mijn thuis, sindsdien gevallen,’ zei Legolas, ‘maar dat schijnt ons slechts een korte tijd toe.’
‘Maar voor de Ruiters van de Mark lijkt het zo lang geleden,’ zei Aragorn, ‘dat het bouwen van dit huis slechts een herinnering aan een lied is, en de jaren daarvoor verloren zijn in de mist van de tijd. Nu noemen zij dit land hun thuis, hun eigendom, en hun taal is gescheiden van die van hun noordelijke verwanten.’ Toen begon hij zachtjes te zingen in een langzame taal die elf en dwerg onbekend was; maar toch luisterden zij, want zij bevatte een zeer sterke muziek.
‘Dat is, vermoed ik, de taal van de Rohirrim,’ zei Legolas, ‘want hij lijkt op dit land zelf: enerzijds rijk en golvend, anderzijds hard en streng als de bergen. Maar ik kan niet raden wat het betekent, behalve dat het zwanger gaat van de droefheid der sterfelijke mensen.’
‘Zo luidt het in de Gemeenschappelijke Taal,’ zei Aragorn, ‘voor zover ik het kan benaderen:
Zo sprak een vergeten dichter lang geleden in Rohan, zich herinnerend hoe rijzig en mooi Eorl de Jonge was, die uit het noorden hierheen kwam rijden; en er waren vleugels aan de voeten van zijn ros, Felaróf, vader der paarden. ’s Avonds zingen mensen dit nog altijd.’ Met deze woorden trokken de reizigers langs de stille grafheuvels. De slingerende weg op de groene hellingen van de heuvels volgend, kwamen zij uiteindelijk bij de door de wind gegeselde muren en de poorten van Edoras.
Er zaten vele mannen in fonkelende maliënkolders, die onmiddellijk opsprongen en hun de weg met speren versperden. ‘Halt, onbekende vreemdelingen!’ riepen zij in de taal van de Riddermark, en vroegen naar de namen van de vreemdelingen en wat zij kwamen doen. Verbazing stond in hun ogen te lezen, en weinig vriendelijkheid, en zij keken Gandalf dreigend aan.
‘Zeer goed versta ik uw taal,’ antwoordde hij in dezelfde taal, ‘hoewel slechts weinig vreemdelingen dat doen. Waarom spreekt u dan niet in de Gemeenschappelijke Taal, zoals in het Westen gebruikelijk is, als u een antwoord wilt hebben?’
‘Het is de wil van koning Théoden dat niemand deze poorten binnengaat, behalve zij die onze taal kennen en onze vrienden zijn,’ antwoordde een van de wachten. ‘Niemand anders is hier welkom in tijden van oorlog dan onze eigen mensen en zij die uit Mundburg in het land Gondor komen. Wie zijn jullie, die vreemd uitgedost achteloos over de vlakte aan komen rijden, op paarden die op onze eigen paarden lijken? Lang hebben wij hier de wacht gehouden en we hebben u van verre gadegeslagen. Nog nooit hebben wij andere ruiters gezien die er zo vreemd uitzagen, of enig paard dat zo trots is als dat wat u berijdt. Het is een van de mearas, als onze ogen ons niet bedriegen. Zeg eens, bent u niet een tovenaar, een spion van Saruman, of fantomen van zijn tovenarij? Spreek op, en vlug!’
‘Wij zijn geen fantomen,’ zei Aragorn, ‘en uw ogen bedriegen u niet. Want dit zijn inderdaad uw eigen paarden die wij berijden zoals u al wist voordat u het vroeg, denk ik. Slechts zelden rijdt de dief terug naar de stal. Dit zijn Hasufel en Arod, die Éomer, de Derde Maarschalk van de Mark, ons heeft geleend, pas twee dagen geleden. Wij brengen ze nu terug, zoals wij hem hebben beloofd. Is Éomer dan niet teruggekeerd en heeft hij niet gewaarschuwd dat wij in aantocht waren?’
Een bezorgde blik kwam in de ogen van de wacht. ‘Over Éomer heb ik niets te zeggen,’ antwoordde hij. ‘Indien wat u zegt waar is, zal Théoden er ongetwijfeld van hebben gehoord. Misschien was uw komst niet helemaal onverwacht. Het is maar twee nachten geleden dat Slangtong naar ons toe kwam en zei dat het Théodens wens was dat geen vreemdeling door deze poorten zou gaan.’
‘Slangtong?’ vroeg Gandalf, de bewaker scherp aankijkend. ‘Zeg verder niets meer. Mijn boodschap is niet voor Slangtong bestemd, maar voor de Heer van de Mark zelf. Ik heb haast. Wil je niet gaan en hem zeggen dat wij zijn aangekomen?’ Zijn ogen schoten vuur onder zijn diepe wenkbrauwen toen hij zijn blik op de man richtte. ‘Ja, ik zal gaan,’ antwoordde hij langzaam. ‘Maar welke namen zal ik noemen? En wat moet ik over u vertellen? Oud en moe lijkt u nu, maar toch bent u fel en vastberaden, naar het mij voorkomt.’
‘Je spreekt en ziet goed,’ zei de tovenaar. ‘Want ik ben Gandalf. Ik ben teruggekomen. En zie! Ik breng ook een paard terug. Hier is Schaduwvacht de Grote, die geen andere hand kan temmen. En dit naast mij is Aragorn, zoon van Arathorn, de Erfgenaam van Koningen, en hij is op weg naar Mundburg. Hier zijn ook Legolas de elf en Gimli de dwerg, onze kameraden. Ga nu en zeg je meester dat wij aan zijn poort staan en hem graag willen spreken als hij ons wil toestaan zijn burcht te betreden!’
‘Dit zijn voorwaar vreemde namen die u noemt! Maar ik zal ze overbrengen, zoals u vraagt en zien wat mijn meester wil,’ zei de wacht. ‘Wacht hier even, dan zal ik u het antwoord brengen dat hij wenst te geven. Reken er niet te veel op! Dit zijn duistere tijden.’ Hij ging vlug weg en liet de vreemdelingen onder de waakzame hoede van zijn kameraden achter.
Na enige tijd kwam hij terug. ‘Volg mij,’ zei hij. ‘Théoden geeft u permissie binnen te komen; maar elk wapen dat u bij u hebt, al is het slechts een staf, moet u op de drempel achterlaten. De poortwachters zullen ze bewaren.’
De donkere poorten werden geopend. De reizigers gingen naar binnen en liepen in een rij achter hun gids aan. Zij zagen een breed pad, geplaveid met uitgehakte stenen, dat zich dan weer naar boven slingerde, dan weer via korte trappen naar boven liep. Zij kwamen langs vele houten huizen en vele donkere deuren. Naast de weg vloeide een stroom helder water in een stenen kanaal, sprankelend en klaterend. Eindelijk kwamen zij bij de top van de heuvel. Daar was een hoog platform boven een groen terras, aan de voet waarvan een heldere stroom uit een steen klaterde, die in de vorm van een paardenhoofd was gebeeldhouwd; daaronder was een breed bassin, waaruit het water overliep en de vallende stroom voedde. Naar het groene terras liep een stenen trap, hoog en breed, en aan weerskanten van de bovenste trede stonden uit steen gehakte zetels. Daar zaten andere wachten met getrokken zwaarden op hun knieën. Hun gouden haar viel in vlechten op hun schouders, de zon was op hun groene schilden geschilderd, hun lange borstkurassen waren glanzend gepolijst, en toen zij opstonden schenen ze groter dan sterfelijke mensen.