‘Daar zijn de deuren,’ zei de gids. ‘Ik moet naar mijn post bij de poort terugkeren. Vaarwel! En moge de Heer van de Mark u genadig zijn!’
Hij draaide zich om en liep vlug de weg weer af. De anderen bestegen de lange trap onder de blik van de lange wachten. Zwijgend rezen zij nu boven hen uit en spraken geen woord, totdat Gandalf het geplaveide terras boven aan de trap had bereikt. Toen spraken zij plotseling met heldere stemmen een hoffelijke groet in hun eigen taal.
‘Gegroet gij die van ver komt!’ zeiden zij, en keerden de reizigers de gevesten van hun zwaarden als een teken van vrede toe. Groene juwelen schitterden in het zonlicht. Toen kwam een van de wachten naar voren en sprak in de Gemeenschappelijke Taal. ‘Ik ben de Deurwachter van Théoden,’ zei hij. ‘Háma is mijn naam. Ik moet u verzoeken uw wapens hier terzijde te leggen voor u binnengaat.’
Toen overhandigde Legolas hem zijn dolk met zilveren heft, zijn pijlkoker en zijn boog. ‘Bewaar ze goed,’ zei hij, ‘want ze komen uit het Gouden Woud en de Vrouwe van Lothlórien heeft ze mij gegeven.’
Verbazing kwam in de ogen van de man, en hij legde de wapens haastig bij de muur neer, alsof hij bang was ze te hanteren. ‘Niemand zal ze aanraken, dat beloof ik u,’ zei hij.
Aragorn bleef even staan aarzelen. ‘Het is tegen mijn wens,’ zei hij, ‘om het zwaard terzijde te leggen of Andúril in handen van iemand anders te geven.’
‘Het is de wens van Théoden,’ zei Háma.
‘Ik zie niet in dat de wil van Théoden, zoon van Thengel, ook al is hij de Heer van de Mark, moet zegevieren over de wil van Aragorn, de zoon van Arathorn, Elendils erfgenaam van Gondor.’
‘Dit is het huis van Théoden, en niet van Aragorn, al was hij ook Koning van Gondor op de zetel van Denethor,’ zei Háma, terwijl hij vlug voor de deuren ging staan en de weg versperde. Zijn zwaard lag nu in zijn hand en de punt ervan was op de vreemdelingen gericht.
‘Dit is ijdele praat,’ zei Gandalf. ‘Théodens wens is onnodig, maar het is nutteloos om te weigeren. Een koning kan in zijn eigen burcht doen en laten wat hij wil, of het dwaas is of wijs.’
‘Dat is waar,’ zei Aragorn. ‘En ik zou doen wat de meester van het huis mij verzocht, al was dit maar de schuur van een boswachter, als ik een ander zwaard droeg dan Andúril.’
‘Wat zijn naam ook moge zijn,’ zei Háma, ‘u zult het hier neerleggen als u niet alleen tegen alle mannen in Edoras wilt vechten.’
‘Niet alleen!’ zei Gimli, de steel van zijn bijl betastend en dreigend naar de wacht opkijkend, alsof hij een jong boompje was dat Gimli graag zou willen vellen.
‘Niet alleen!’
‘Kom! Kom!’ zei Gandalf. ‘Wij zijn allen vrienden hier. Of zo behoort het te zijn, want het lachen van Mordor zal onze enige beloning zijn als wij redetwisten. Ik heb een dringende boodschap. Hier hebt u mijn zwaard tenminste, waarde Háma. Bewaar het goed. Het heet Glamdring, want de elfen hebben het lang geleden gemaakt. Laat mij nu door. Kom, Aragorn!’
Langzaam gespte Aragorn zijn riem los en zette het zwaard zelf rechtop tegen de muur. ‘Hier zet ik het neer,’ zei hij, ‘maar ik beveel je het niet aan te raken, of iemand anders toe te staan het in handen te nemen. In deze elfenschede huist het Zwaard dat werd Gebroken en opnieuw is gesmeed. Telchar heeft het gemaakt in het verre verleden. Wie het zwaard van Elendil trekt zal sterven, behalve Elendils erfgenaam.’
De wacht deed een pas achteruit en keek Aragorn verwonderd aan. ‘Het schijnt dat u op de vleugels van een lied uit de vergeten tijden bent gekomen,’ zei hij. ‘Het zal geschieden, heer, zoals u beveelt.’
‘Welnu,’ zei Gimli, ‘als hij Andúril heeft om hem gezelschap te houden, kan mijn bijl hier ook wel zonder schande blijven,’ en hij legde hem op de grond neer. ‘Als alles nu naar wens is, laat ons dan met je meester spreken.’
De wacht aarzelde nog. ‘Uw staf,’ zei hij tegen Gandalf. ‘Vergeef me, maar die moet ook hier worden achtergelaten.’
‘Dwaasheid,’ zei Gandalf. ‘Voorzichtigheid is tot daaraan toe, maar onbeleefdheid is iets anders. Ik ben oud. Als ik niet onder het lopen op mijn stok mag leunen, zal ik hier blijven zitten tot het Théoden behaagt om zelf naar buiten te komen hinken om met mij te spreken.’
Aragorn lachte. ‘Iedereen heeft iets dat hem te dierbaar is om een ander toe te vertrouwen. Maar zou je een oude man zijn steun willen ontnemen? Kom, wil je ons niet laten binnengaan?’
‘De staf in de hand van een tovenaar zou wel eens meer kunnen zijn dan een steun voor de ouderdom,’ zei Háma. Hij keek scherp naar de essenhouten staf waarop Gandalf leunde. ‘Maar in geval van twijfel vertrouwt een waardig man op zijn eigen wijsheid. Ik geloof dat u vrienden bent en eerwaardige lieden, die geen kwaad in de zin hebben. U mag naar binnen gaan.’
De wachten lichtten nu de zware balken van de deuren en duwden ze langzaam binnenwaarts, terwijl ze knarsten op hun grote scharnieren. De reizigers gingen naar binnen. Daar leek het donker en warm na de zuivere lucht op de heuvel. De zaal was lang en breed en vervuld met schaduwen en gefilterd licht; machtige pilaren ondersteunden het grote dak. Maar hier en daar vielen heldere zonnestralen als schitterende pijlen door de oostelijke ramen hoog onder de zware balken. Door de ventilatiekoepel in het dak, boven de dunne sliertjes rook, was de hemel helder en blauw. Toen hun ogen aan het licht gewend raakten, zagen de reizigers dat de vloer geplaveid was met stenen in vele kleuren; vertakkende runen en vreemde figuren verstrengeld onder hun voeten. Ze zagen nu dat de pilaren rijk bewerkt waren, dof glanzend van goud en half vermoede kleuren. Vele geweven doeken hingen aan de muren, en over hun grote oppervlakten trokken figuren uit oude legenden voorbij, sommige vervaagd door de jaren, sommige schuilgaand in de schaduw. Maar op één gedaante viel het zonlicht: een jongeman op een wit paard. Hij blies op een grote hoorn, en zijn blonde haar wapperde in de wind. Het hoofd van het paard was opgeheven en de neusgaten waren wijd en rood terwijl het hinnikte, de strijd in de verte ruikend. Schuimend water, groen en wit, kolkte en klotste rondom zijn knieën. ‘Zie Eorl de Jonge!’ zei Aragorn. ‘Zo kwam hij uit het noorden naar de Slag van het Veld van Celebrant gereden.’
Nu liepen de vier metgezellen verder, langs het heldere houtvuur dat in de grote haard in het midden van de zaal brandde. Toen bleven zij staan. Aan het andere einde van de zaal, voorbij de haard en tegenover de deuren op het noorden, was een verhoging met drie treden; en in het midden ervan stond een grote vergulde zetel. Daarop zat een man, zo krom van ouderdom, dat hij bijna een dwerg leek, maar zijn witte haar was lang en dik en viel in lange tressen onder een dun, gouden kroontje op zijn hoofd. Midden op zijn voorhoofd flonkerde een enkele witte diamant. Zijn baard lag als sneeuw op zijn knieën, maar in zijn ogen brandde nog een helder licht, dat schitterde toen hij naar de vreemdelingen keek. Achter zijn stoel stond een vrouw in het wit gekleed. Aan zijn voeten op de treden zat de ineengedoken gestalte van een man, met een bleek wijs gezicht en zware oogleden.
Er heerste stilte. De oude man bewoog zich niet in zijn stoel. Ten slotte nam Gandalf het woord. ‘Heil Théoden, zoon van Thengel! Ik ben teruggekeerd. Want de storm is in aantocht, en nu moeten alle vrienden zich verzamelen, opdat zij niet elk afzonderlijk worden vernietigd.’
Langzaam stond de oude man op, zwaar leunend op een korte zwarte staf met een knop van wit been, en nu zagen de vreemdelingen dat hij, hoewel hij krom was, toch nog groot was en in zijn jeugd heel rijzig en trots moest zijn geweest.