Выбрать главу

‘Ik groet u,’ zei hij, ‘en misschien verwacht u gastvrijheid. Maar om u de waarheid te zeggen, uw welkom hier is twijfelachtig, meester Gandalf. U bent altijd een voorbode van rampspoed geweest. Moeilijkheden volgen u als kraaien, en hoe vaker hoe erge r. Ik zal u niet misleiden. Toen ik hoorde dat Schaduwvacht zonder berijder was teruggekeerd, was ik verheugd om de terugkeer van het paard, maar nog meer om het wegblijven van de ruiter; en toen Éomer het nieuws bracht dat u eindelijk naar uw verre thuis was gegaan, rouwde ik daar niet om. Maar nieuws van ver is zelden waar. Daar bent u weer! En met u komen kwade dingen, erger dan ooit zoals te verwachten viel. Waarom zou ik u welkom heten, Gandalf Stormkraai? Zeg mij dat eens!’ Langzaam ging hij weer in zijn stoel zitten. ‘U spreekt zeer juist, heer,’ zei de bleke man die op de treden van de verhoging zat. ‘Nog geen vijf dagen geleden kwam de bittere tijding dat Théodred, uw zoon, in de Westelijke Marken was gesneuveld; uw rechterhand, Tweede Maarschalk van de Mark. In Éomer is weinig vertrouwen. Er zouden weinig manschappen over zijn om uw muren te bewaken als het hem was toegestaan te regeren. En nu vernemen wij uit Gondor dat de Zwarte Vorst zich in het oosten roert. Dat is het uur waarop deze zwerver heeft verkozen om terug te keren. Waarom zouden wij u dan verwelkomen, meester Stormkraai? Láthspell, noem ik u, Slecht-nieuws; en slecht nieuws is een slechte gast, zegt men.’ Hij lachte venijnig, terwijl hij de zwarte oogleden heel even opsloeg en de vreemdelingen met donkere ogen aanstaarde.

‘U wordt als wijs beschouwd, vriend Slangtong, en bent ongetwijfeld een grote steun voor uw meester,’ antwoordde Gandalf zacht. ‘Maar er zijn twee manieren waarop een mens met slecht nieuws kan komen. Hij kan een aanstichter van kwaad zijn, of misschien is hij iemand die het goede met rust laat en alleen komt om in tijd van nood bijstand te verlenen.’

‘Dat is zo,’ zei Slangtong, ‘maar er is nog een derde soort: bemoeiallen, lieden die hun neus in het leed van anderen steken, roofvogels die vet worden van oorlog. Welke hulp hebt u ooit gebracht, Stormkraai? En welke hulp brengt u nu? De vorige keer dat u hier was hebt u ons om hulp gevraagd. Daarop heeft mijn heer u verzocht een paard te kiezen dat u aanstond en weg te gaan; en tot ieders verbazing koos u Schaduwvacht in uw onbeschaamdheid. Mijn heer was zwaar beledigd, maar sommigen waren van mening dat de prijs niet te hoog was om u het land snel te zien verlaten. Ik veronderstel dat het wel weer hetzelfde liedje is: dat u om hulp komt vragen in plaats van die aan te bieden. Brengt u manschappen? Brengt u paarden, zwaarden, speren? Dat zou ik hulp noemen; daaraan hebben wij op dit ogenblik behoefte. Maar wie zijn deze lieden die uw slippen dragen? Drie haveloze zwervers in het grijs, en uzelf de ergste bedelaar van het viertal!’

‘De hoffelijkheid van uw burcht is de laatste tijd ietwat achteruitgegaan, Théoden, zoon van Thengel,’ zei Gandalf. ‘Heeft de boodschapper aan de poort u de namen van mijn metgezellen niet overgebracht? Zelden heeft een heer van Rohan drie zo uitgelezen gasten ontvangen. Zij hebben wapens voor uw deur neergelegd die menige sterfelijke man waardig zijn, ook de machtigsten. Grijs is hun kleding, want de elfen kleedden hen, en op deze wijze zijn zij door de schaduw van grote gevaren naar uw burcht gekomen.’

‘Dan is het dus waar, zoals Éomer berichtte, dat u samenspant met de Tovenares van het Gouden Woud?’ zei Slangtong. ‘Daarover hoeft men zich niet te verbazen; webben van misleiding zijn altijd al in Dwimordene geweven.’

Gimli deed een pas naar voren, maar voelde plotseling dat Gandalfs hand op zijn schouder hem weerhield, en hij bleef staan, stokstijf als een standbeeld.

In Dwimordene, in Lórien, Kwamen de mensen zelden, en Slechts weinigen zagen het licht Dat schitterend daarover ligt. Galadriel! Galadriel! Helder is ’t water van uw wel; Wit is de ster in uw witte hand. Onbezoedeld blad en land In Dwimordene, in Lórien, Schoner dan Sterveling zich denkt.

Aldus zong Gandalf zacht, maar toen ineens veranderde hij. Hij wierp zijn versleten mantel open, ging rechtop staan, leunde niet langer op zijn staf en sprak met een heldere koude stem.

‘De wijzen spreken alleen over wat zij kennen, Gríma, zoon van Gálmód. Een geestloze slang ben je geworden. Daarom, zwijg en hou je gespleten tong achter je tanden. Ik ben niet door vuur en water gegaan om onoprechte woorden met een dienaar te wisselen tot de bliksem neerschiet.’

Hij hief zijn staf op. Er klonk gerommel als van donder. Het zonlicht werd van de oostelijke ramen verdreven; de hele zaal werd plotseling zwart als de nacht. Het vuur doofde tot doffe sintels. Alleen Gandalf was zichtbaar, zoals hij wit en rijzig voor de geblakerde haard stond.

In de duisternis konden zij Slangtongs stem horen sissen: ‘Heb ik u niet aangeraden, heer, om zijn staf te verbieden. Die dwaas Háma heeft ons verraden!’ Er was een flits alsof bliksem het dak had doorkliefd. Toen was alles stil. Slangtong lag voorover op zijn gezicht.

‘Nu, Théoden, zoon van Thengel, wilt u mij aanhoren?’ vroeg Gandalf. ‘Vraagt ge om hulp?’ Hij hief zijn staf op en wees naar een hoog raam. Daar scheen de duisternis weg te trekken, en door de opening, hoog en ver, was een stukje stralende hemel te zien. ‘Niet alles is donker. Schep moed, Heer van de Mark, want betere hulp zult u niet vinden. Ik heb geen raad voor hen die wanhopen. Toch zou ik raad kunnen geven, en woorden tot u kunnen spreken. Wilt u ze horen? Ze zijn niet voor ieders oren bestemd. Ik verzoek u door uw deur te treden en naar buiten te kijken. Te lang al hebt u in de schaduwen gezeten en vertrouwd op verdraaide verhalen en valse influisteringen.’

Langzaam stond Théoden uit zijn zetel op. Een flauw licht werd weer sterker in de zaal. De vrouw haastte zich naar de zijde van de koning, nam zijn arm en met aarzelende schreden kwam de oude man van de verhoging af en liep zacht de zaal door.

Slangtong bleef op de grond liggen. Zij kwamen bij de deuren en Gandalf klopte.

‘Doe open!’ riep hij. ‘De Heer van de Mark komt naar buiten!’ De deuren weken vaneen en een frisse luchtstroom kwam fluitend binnen. Er stond wind op de heuvel.

‘Stuur uw wachten naar de voet van de trap,’ zei Gandalf. ‘En u, Vrouwe, laat hem een tijdje bij mij. Ik zal op hem passen.’

‘Ga, Éowyn, zuster-dochter!’ zei de oude koning. ‘De tijd van angst is voorbij.’

De vrouw liep weg en ging langzaam het huis binnen. Toen zij door de deur ging draaide zij zich om en keek hen aan. Ernstig en nadenkend was haar blik toen ze naar de koning keek, met koel medelijden in haar ogen. Heel mooi was haar gezicht en haar lange haar was als een rivier van goud. Lang en slank was zij in haar witte mantel met een zilveren gordel, maar sterk scheen zij en onbuigzaam als staal, een koningsdochter. Zo zag Aragorn Éowyn, Vrouwe van Rohan, voor de eerste keer in het volle daglicht en vond haar mooi, mooi en koel, als een lichte voorjaarsochtend, die nog niet tot volle vrouwelijkheid is gekomen. En nu was zij zich plotseling van hem bewust: de grote erfgenaam van koningen, wijs door vele winters, in grijze mantel, een macht verbergend die zij niettemin voelde. Een ogenblik stond zij roerloos; toen draaide zij zich snel om en was verdwenen.

‘Welnu heer,’ zei Gandalf, ‘kijk uit over uw land. Adem de vrije lucht weer in!’

Van het portaal op het hoge terras konden zij voorbij de stroom de groene velden van Rohan in de verte tot grijs zien vervagen. Gordijnen van door de wind opgezwiepte regen vielen schuin naar beneden. De hemel boven hen en in het westen was nog donker van donderwolken, en in de verte flitste de bliksem tussen de toppen van de onzichtbare heuvels. Maar de wind was naar het noorden gedraaid, en de onweersbui die uit het oosten was komen opzetten, trok in zuidelijke richting weg naar zee. Plotseling priemde door een opening in de wolken achter hen een straal zonlicht naar beneden. De vallende regen glinsterde als zilver en ver weg glansde de rivier als fonkelend glas.