Выбрать главу

‘Het is hier niet zo donker,’ zei Théoden.

‘Nee,’ zei Gandalf. ‘En ook drukt uw leeftijd niet zo zwaar op uw schouders als sommigen u willen doen geloven. Werp uw stok weg.’ De zwarte staf viel kletterend uit de hand van de koning op de stenen. Hij richtte zich langzaam op, als een man die stijf is van het lange gebogen staan boven stompzinnige arbeid. Nu stond hij hoog en rechtop en zijn ogen waren blauw toen hij in de zich openende hemel keek.

‘Duister zijn mijn dromen de laatste tijd geweest,’ zei hij, ‘maar ik heb het gevoel alsof ik opnieuw ben ontwaakt. Ik zou willen dat u eerder was gekomen, Gandalf, want ik vrees dat u al te laat bent en alleen de laatste dagen van mijn huis zult meemaken. Niet lang meer zal de hoge burcht blijven staan, die Brego, zoon van Eorl, bouwde. Vuur zal de hoge zetel verslinden. Wat moet ik doen?’

‘Veel,’ zei Gandalf. ‘Maar laat eerst Éomer komen. Is mijn vermoeden niet juist dat ge hem gevangen houdt, op aanraden van Gríma, die door iedereen behalve uzelf Slangtong wordt genoemd?’

‘Het is waar,’ zei Théoden. ‘Hij was tegen mijn bevelen in opstand gekomen en dreigde Gríma in mijn burcht te zullen doden.’

‘Een mens kan van u houden, maar toch niet van Slangtong of diens raadgevingen,’ zei Gandalf.

‘Dat kan wel zijn. Ik zal doen wat u vraagt. Roep Háma tot mij. Laat hem, nu hij als poortwachter onbetrouwbaar is gebleken, een boodschapper worden. De schuldigen zullen de schuldigen tot oordeel roepen,’ zei Théoden, en zijn stem was grimmig, maar hij keek Gandalf aan en glimlachte, en toen hij dit deed werden vele zorgelijke rimpels gladgestreken en keerden niet terug.

Toen Háma was ontboden en weer was weggegaan, leidde Gandalf Théoden naar een stenen bank en ging zelf op de bovenste trede voor de koning zitten. Aragorn en zijn metgezellen stonden in de buurt.

‘Er is geen tijd om alles te vertellen dat u zou moeten horen,’ zei Gandalf. ‘Maar als mijn hoop niet wordt bedrogen, zal er binnenkort een tijd komen waarop ik uitvoeriger kan spreken. Maar zie! U bent in een nog groter gevaar komen te verkeren dan de geest van Slangtong in uw dromen zou kunnen verwerken. Maar zie! U droomt niet langer. U leeft. Gondor en Rohan staan niet alleen. De vijand is sterker dan wij denken, maar toch koesteren we een hoop waarvan hij geen vermoeden heeft!’

Gandalf sprak nu vlug. Zijn stem was zacht en geheimzinnig en niemand anders dan de koning hoorde wat hij zei. Maar hoe langer hij sprak, des te helderder scheen het licht in Théodens ogen, en ten slotte verhief hij zich in zijn volle lengte van zijn z etel, en Gandalf ook, en samen keken zij van deze hoge plaats naar het oosten. ‘Waarlijk,’ zei Gandalf thans met luide stem, doordringend en duidelijk, ‘daar waar onze grootste angst huist, ligt onze hoop. Het noodlot hangt nog altijd aan een zijden draad. Toch is er nog hoop als wij enige tijd kunnen standhouden.’

De ogen van de anderen richtten zich nu ook naar het oosten. Over de tussenliggende mijlen land staarden zij ver weg naar de gezichtseinder, en hoop en vrees droegen hun gedachten nog verder, achter donkere bergen naar het Land van Schaduw. Waar was de Drager van de Ring nu? Hoe dun was feitelijk de draad waaraan het noodlot nog hing! Het scheen Legolas toe, toen hij zijn verziende ogen inspande, dat hij een wit schijnsel zag: ver weg schitterde de zon misschien op de Wachttoren. En nog verder, eindeloos ver, maar niettemin aanwezig als een dreiging, was een kleine tong van vuur.

Théoden ging langzaam weer zitten, alsof vermoeidheid hem nog tegen de wil van Gandalf trachtte te overmeesteren. Hij keerde zich om en keek naar zijn grote huis. ‘Wee!’ zei hij, ‘dat ik in deze boze tijd moet leven en dat deze in mijn ouderdom komt in plaats van de vrede die ik heb verdiend. Helaas voor de dappere Boromir! De jongen sneuvelen en de ouden blijven leven en verschrompelen.’ Hij sloeg zijn gerimpelde handen om zijn knieën.

‘Uw vingers zouden zich hun vroegere kracht beter herinneren als zij het gevest van een zwaard omvatten,’ zei Gandalf. Théoden stond op en bracht de hand aan zijn zijde, maar aan zijn gordel hing geen zwaard. ‘Waar heeft Gríma het opgeborgen?’ mompelde hij zacht.

‘Neem dit, beste heer!’ zei een heldere stem. ‘Het was altijd tot uw dienst bereid.’ Twee mannen waren zacht naar de trap toe gelopen en stonden nu enkele treden van de top. Éomer was een van hen. Hij had geen helm op zijn hoofd, geen maliënkolder bede kte zijn borst, maar in de hand hield hij een ontbloot zwaard; en terwijl hij knielde, bood hij zijn meester het gevest aan.

‘Wat is dit?’ vroeg Théoden streng. Hij wendde zich tot Éomer, en de mannen keken hem verwonderd aan, zoals hij daar nu stond, trots en kaarsrecht. Waar was de oude man die zij de laatste keer krom op zijn zetel of leunend op zijn stok hadden achtergel aten?

‘Dat is mijn werk, heer,’ zei Háma bevend. ‘Ik had begrepen dat Éomer moest worden vrijgelaten. Zo groot was de vreugde in mijn hart, dat ik misschien heb gedwaald. Maar aangezien hij weer vrij was en hij een Maarschalk van de Mark is, heb ik hem zijn zwaard gebracht zoals hij mij vroeg.’

‘Om het aan uw voeten te leggen, heer,’ zei Éomer.

Een ogenblik stond Théoden zwijgend op Éomer neer te kijken terwijl deze nog voor hem geknield zat. Geen van beiden maakte een beweging.

‘Wilt u het zwaard niet aannemen?’ vroeg Gandalf.

Langzaam strekte Théoden de hand uit. Toen zijn vingers het gevest pakten, scheen het de omstanders toe dat vastheid en kracht in zijn dunne arm terugkeerden. Plotseling tilde hij het zwaard op en zwaaide het glinsterend en fluitend door de lucht. Toen slaakte hij een luide kreet. Zijn stem schalde helder toen hij in de taal van Rohan een strijdkreet aanhief.

Sta op nu, sta op, Ruiters van Théoden! Dappere daden, ontwaak, donker is het oostwaarts. Breidel de paarden, steek de hoorn! Op weg, Eorlingas!

De wachten, die meenden dat ze werden ontboden, sprongen de trap op. Ze keken hun heer met verbazing aan en trokken toen als één man hun zwaarden en legden ze aan zijn voeten neer. ‘Beveel ons!’ zeiden zij.

‘Westu Théoden hál!’ riep Éomer. ‘Het is een vreugde u weer uzelf te zien worden. Nooit meer zal het worden gezegd, Gandalf, dat u alleen droefenis brengt!’

‘Neem uw zwaard terug, Éomer, zuster-zoon!’ zei de koning. ‘Ga, Háma, en haal mijn eigen zwaard. Gríma heeft het in bewaring. Breng hem ook bij mij. Nu, Gandalf, u zei dat u raad te geven had als ik ernaar wilde luisteren. Wat is uw raad?’

‘U hebt die zelf al aangenomen,’ antwoordde Gandalf. ‘Om uw vertrouwen in Éomer te stellen in plaats van in een man met een verwrongen geest. Om spijt en angst van u af te werpen. Om de voor de hand liggende daad te doen. Iedere man die hiertoe in staat is, moet onmiddellijk naar het westen worden gezonden, zoals Éomer u heeft aangeraden; wij moeten eerst de dreiging van Saruman vernietigen, nu wij nog tijd hebben. Als wij falen, gaan wij ten onder. Als wij slagen, zullen wij de volgende taak onder ogen zien. Ondertussen moeten degenen van uw volk die achterblijven, de vrouwen, kinderen en ouden van dagen, naar de schuilplaatsen vluchten die u in de bergen hebt. Waren zij niet voorbereid op een zo kwade dag als deze? Laat hen voorraden meenemen, maar duld geen uitstel, belast hen ook niet met schatten, groot of klein. Het zijn hun levens die op het spel staan.’

‘Deze raad komt mij goed voor,’ zei Théoden. ‘Laat al mijn mensen zich gereedmaken! Maar u, mijn gasten – u zei terecht, Gandalf, dat de hoffelijkheid van mijn burcht is verminderd. U hebt de hele nacht gereden en de ochtend is bijna om. U hebt geslapen noch gegeten. Er zal een gasthuis in gereedheid worden gebracht: daar zult u slapen, nadat u gegeten hebt.’

‘Nee, heer,’ zei Aragorn. ‘Er is geen rust voor de vermoeiden. De mannen van Rohan moeten vandaag uitrijden en wij gaan met hen mee. Bijl, zwaard en boog, wij hebben ze niet meegebracht om tegen uw muur te laten staan, Heer van de Mark. En ik heb Éomer beloofd dat mijn zwaard en zijn schild samen strijd zouden leveren.’