Выбрать главу

‘Hoe ver dit verraad teruggaat, wie zal het zeggen,’ zei Gandalf. ‘Hij is niet altijd slecht geweest. Ik twijfel er niet aan dat hij eens de vriend van Rohan was; en zelfs toen zijn hart verkilde, vond hij u nog nuttig. Maar sinds lang heeft hij uw val voorbereid, onder het mom van vriendschap, tot hij klaar was. In die jaren was Slangtongs taak gemakkelijk, en al wat u deed was vlug bekend in Isengard; want uw land lag open en vreemdelingen kwamen en gingen. En altijd was Slangtongs gefluister in uw oren, uw gedachten vergiftigend, uw hart verkillend, uw ledematen verzwakkend terwijl anderen toekeken en niets konden doen, omdat u uw wil aan zijn hoede had toevertrouwd.

Maar toen ik ontsnapte en u waarschuwde, scheurde het masker, voor diegenen die het wilden zien. Daarna speelde Slangtong gevaarlijk spel; hij probeerde voortdurend u te vertragen, u te verhinderen uw volle krachten te verzamelen. Hij was handig, de waakzaamheid van mensen in slaap wiegend of hun angsten uitbuitend, naar het in zijn kraam te pas kwam.

Herinnert u zich niet hoe hij zich uitsloofde toen hij er bij u op aandrong, dat u iedereen in zou zetten voor een hopeloze onderneming in het noorden, toen het onmiddellijke gevaar uit het westen dreigde? Hij haalde u ertoe over Éomer te verbieden de plunderende orks te achtervolgen. Als Éomer Slangtongs tong, die u naar de mond sprak, niet had getrotseerd, zouden die orks Isengard nu hebben bereikt, een grote buit met zich meevoerend. Weliswaar niet de buit die Saruman bovenal begeert, maar in ieder geval twee leden van mijn Gezelschap, die een geheim koesteren waarover ik zelfs tegenover u, mijn heer, niet openlijk kan spreken. Durft u zich in te denken wat zij nu misschien doorstaan, of wat Saruman nu misschien te weten is gekomen om ons te vernietigen?’

‘Ik heb veel aan Éomer te danken,’ zei Théoden. ‘Een trouw hart kan weleens een weerspannige tong hebben.’

‘Zeg ook,’ zei Gandalf, ‘dat in schele ogen de waarheid er verdraaid kan uitzien.’

‘Mijn ogen waren werkelijk bijna blind,’ zei Théoden. ‘Maar het meeste heb ik aan u, mijn gast, te danken. Weer bent u op tijd gekomen. Ik zou u een geschenk willen geven dat u zelf mag uitkiezen voor u gaat. U hoeft slechts iets te noemen dat van mij is. Ik maak nu alleen een uitzondering voor mijn zwaard.’

‘Het valt nog te bezien of ik op tijd gekomen ben of niet,’ zei Gandalf. ‘Maar wat uw geschenk betreft, heer, zal ik iets kiezen dat in mijn behoefte voorziet: snel en zeker. Geef mij Schaduwvacht! Hij is mij eerder alleen maar geleend, als wij het een lening mogen noemen. Maar nu zal ik mij met hem in een groot gevaar begeven, zilver tegenover zwart stellend: ik zou niets in de waagschaal willen stellen dat niet van mijzelf is. En er is reeds een band van liefde tussen ons.’

‘U maakt een voortreffelijke keus,’ zei Théoden,’ en ik geef hem u gaarne. Maar het is een waardevol geschenk. Schaduwvacht heeft zijn gelijke niet. Met hem is een van de machtigste rossen uit vroeger tijden teruggekeerd. Zo een zal men nooit weerzien. En aan u, mijn andere gasten, bied ik aan wat zich in mijn wapenzaal bevindt. Zwaarden hebt u niet nodig, maar er zijn kunstig bewerkte helmen en maliënkolders, geschenken van mijn voorvaderen uit Gondor. Kies hieruit voor wij gaan, en moge zij u goede diensten bewijzen!’

Nu kwamen er mannen die oorlogskleding uit de schatkamer van de koning droegen, en zij kleedden Aragorn en Legolas in glinsterende maliënkolders. Ook kozen zij helmen en ronde schilden; de punten ervan waren verguld en met edelstenen bezet, groen, rood en wit. Gandalf nam geen wapenrusting en Gimli had geen jas van maliën nodig, zelfs al had men er een voor zijn postuur gevonden; want er was geen maliënkolder in de schatkamers van Edoras van betere kwaliteit dan zijn korte borstkuras, gesmeed onder de Berg in het Noorden. Maar hij koos een hoofddeksel van ijzer en leer dat precies op zijn ronde hoofd paste; en ook nam hij een klein schild. Daarop stond het galopperende paard, wit op groen, dat het embleem van het Huis van Eorl was.

‘Moge het u goed beschermen,’ zei Théoden. ‘Het werd voor mij gemaakt in Thengels tijd toen ik nog een jongen was.’

Gimli boog. ‘Ik ben er trots op, Heer van de Mark, om uw devies te dragen,’ zei hij. ‘Voorwaar, ik draag liever een paard dan dat ik erdoor word gedragen. Ik geef de voorkeur aan mijn voeten. Maar misschien zal ik nog eens ergens komen waar ik kan staan om te vechten.’

‘Dat is heel goed mogelijk,’ zei Théoden.

De koning stond nu op, en meteen kwam Éowyn naar voren, met wijn. ‘Ferthu Théoden hál!’ zei ze. ‘Ontvang nu deze beker en drink op een gelukkig uur. Moge gezondheid u vergezellen bij uw komst en vertrek.’

Théoden dronk uit de beker, en toen bood zij hem de gasten aan. Toen ze voor Aragorn stond, bleef ze even staan en keek op hem neer, en haar ogen straalden. En hij keek naar haar mooie gezicht en glimlachte, en toen hij de beker aannam, raakte zijn hand de hare en hij wist dat zij bij de aanraking beefde.

‘Heil, Aragorn, zoon van Arathorn,’ zei ze.

‘Heil, Vrouwe van Rohan!’ antwoordde hij, maar zijn gezicht was nu verontrust en hij glimlachte niet.

Toen ze allen hadden gedronken, liep de koning de zaal door naar de deuren. Daar wachtten de wachten op hem, en stonden herauten, en alle heren en aanvoerders waren verzameld die in Edoras waren achtergebleven of in de omgeving woonden.

‘Zie, ik trek ten strijde, en het zal waarschijnlijk mijn laatste tocht zijn,’ zei Théoden. ‘Ik heb geen kind. Théodred, mijn zoon, is gesneuveld. Ik benoem Éomer mijn zuster-zoon tot mijn erfgenaam. Als geen van ons beiden terugkeert, kies dan vrijelijk een nieuwe heer. Maar iemand moet ik nu mijn volk toevertrouwen dat ik achterlaat, om in mijn plaats te regeren. Wie van u wil blijven?’

Niemand sprak.

‘Is er niemand die u wilt aanwijzen? In wie stelt mijn volk vertrouwen?’

‘In het Huis van Eorl,’ antwoordde Háma.

‘Maar ik kan Éomer niet missen, en hij zou ook niet willen blijven,’ zei de koning. ‘En hij is de laatste van dat Huis.’

‘Ik heb Éomer niet genoemd,’ zei Háma. ‘En hij is niet de laatste. Éowyn, dochter van Éomund, zijn zuster is er ook. Zij is onbevreesd en fier. Allen houden van haar. Laat haar de Eorlingas regeren terwijl wij weg zijn.’

‘Het zij zo,’ zei Théoden. ‘Laat de herauten den volke verkonden dat Vrouwe Éowyn hun leidsvrouwe is!’

Toen ging de koning op een zetel voor zijn deuren zitten, en Éowyn knielde voor hem neer en ontving uit zijn handen een zwaard en fraai kuras. ‘Vaarwel, zuster-dochter,’ zei hij. ‘Het uur is donker, maar misschien zullen wij naar de Gouden Burcht terugkeren. In Dunharg zullen de mensen zich misschien lang verdedigen, en als de slag slecht afloopt, zullen allen die ontsnappen zich daarheen begeven.’

‘Zeg dat niet!’ antwoordde zij. ‘Elke dag die ik op uw terugkeer moet wachten zal een jaar schijnen,’ zei ze. Maar terwijl zij sprak dwaalden haar ogen naar Aragorn die dichtbij stond.

‘De koning zal terugkomen,’ zei hij. ‘Wees niet bang! Niet in het Westen, maar in het Oosten wacht ons het noodlot.’

De koning daalde naast Gandalf de trap af. De anderen volgden. Aragorn keek achterom toen zij de poort door gingen. Alleen Éowyn bleef voor de deuren van het huis boven aan de trap staan; het zwaard stond recht voor haar en haar handen lagen op het gevest. Zij was nu in maliën gekleed en straalde als zilver in de zon.

Gimli ging aan Legolas’ zijde, zijn bijl op de schouder. ‘Eindelijk zijn we dan op weg,’ zei hij. ‘Mensen hebben veel woorden nodig voor ze tot daden komen. Mijn bijl jeukt in mijn handen. Hoewel ik er niet aan twijfel dat die Rohirrim er behoorlijk op los kunnen slaan als het erop aankomt. Maar toch is dit geen oorlog die mij aantrekt. Hoe zal ik naar het slagveld komen? Ik wou dat ik kon lopen in plaats van als een zak aan Gandalfs zadelknop te bungelen.’

‘Een veiliger zetel dan menig andere,’ zei Legolas. ‘Maar ongetwijfeld zal Gandalf je graag op de grond zetten als de strijd begint; of Schaduwvacht zelf. Een bijl is geen wapen voor een ruiter.’