Выбрать главу

‘En een dwerg is geen ruiter. Ik zou op orknekken willen inhakken, niet de scalpen van mensen afscheren,’ zei Gimli, terwijl hij het scherp van zijn bijl beklopte.

Bij de poort troffen ze een grote troep mannen aan, jong en oud, allen gereed in het zadel. Meer dan duizend waren er verzameld. Hun speren leken wel een ontspringend bos. Luid en vreugdevol schreeuwden zij toen Théoden naar voren kwam. Sommigen hielden het paard van de koning, Sneeuwmaan, gereed en anderen de paarden van Aragorn en Legolas. Gimli stond daar, slecht op zijn gemak, met gefronst voorhoofd, maar Éomer kwam naar hem toe, zijn paard aan de hand meevoerend.

‘Heil Gimli, Glóins zoon!’ riep hij. ‘Ik heb nog geen tijd gehad om vriendelijke taal onder je knoet te leren, zoals je me hebt beloofd. Maar zullen we onze ruzie niet bijleggen? In ieder geval zal ik geen kwaad meer spreken van de Vrouwe van het Woud.’

‘Ik zal mijn boosheid een tijdje vergeten, Éomer, zoon van Éomund,’ zei Gimli, ‘maar als je ooit de kans krijgt om Vrouwe Galadriel met je eigen ogen te zien, zul je toegeven dat zij de mooiste van alle vrouwen is, of het is uit met onze vriendschap.’

‘Het zij zo!’ zei Éomer. ‘Maar tot zolang moet je mij verontschuldigen en als teken hiervan met mij meerijden, alsjeblieft. Gandalf zal met de Heer van de Mark aan het hoofd rijden, maar Vuurvoet, mijn paard, zal ons beiden dragen als je wilt.’

‘Ik dank je hartelijk,’ zei Gimli, zeer verheugd. ‘Ik zal graag met je meegaan, als mijn vriend Legolas naast ons mag rijden.’

‘Het zij zo,’ zei Éomer, ‘Legolas aan mijn linkerzijde en Aragorn rechts, en niemand zal het wagen ons de weg te versperren!’

‘Waar is Schaduwvacht?’ vroeg Gandalf.

‘Die rent wild over het gras,’ antwoordden zij. ‘Hij laat zich door niemand aanraken. Daar gaat hij, daar bij de Voorde, als een schaduw tussen de wilgen.’

Gandalf floot en riep luid de naam van het paard, en in de verte schudde hij met zijn hoofd, hinnikte en kwam toen als een pijl uit de boog naar het leger toe rennen.

‘Als de westenwind een zichtbare vorm zou aannemen, zou hij in die gedaante verschijnen,’ zei Éomer toen het grote paard eraan kwam rennen, en hij voor de tovenaar stopte.

‘Het geschenk schijnt reeds vergeven te zijn,’ zei Théoden. ‘Maar luistert allen! Hierbij benoem ik mijn gast, Gandalf Grijsmantel, de wijste der raadgevers, de welkomste der zwervers, tot Heer van de Mark, een hoofd van de Eorlingas, zolang ons geslacht leeft; en ik geef hem Schaduwvacht, prins der paarden.’

‘Ik dank u, koning Théoden,’ zei Gandalf. Toen plotseling sloeg hij zijn grijze mantel open en wierp zijn hoed weg en sprong op het paard. Hij droeg geen helm of kuras. Zijn sneeuwwitte haar wapperde los in de wind, zijn witte gewaden schitterden verblindend in de zon.

‘Zie, de Witte Ruiter!’ zei Aragorn en allen herhaalden de woorden.

‘Onze koning en de Witte Ruiter,’ riepen zij uit.

‘Op weg, Eorlingas!’

De trompetten schalden. De paarden steigerden en hinnikten. Speren kletterden op schilden. Toen hief de koning de hand op en met een geruis als de plotselinge komst van een sterke wind reed het laatste leger van Rohan donderend naar het Westen.

Ver over de vlakte zag Éowyn het glinsteren van hun speren, terwijl zij, alleen, voor de deuren van het stille huis stond.

VII. Helmsdiepte

De zon zonk al naar het westen toen ze uit Edoras wegreden, en het licht ervan scheen in hun ogen en veranderde de golvende velden van Rohan in een gouden nevel. Er was een veelbetreden weg in noordwestelijke richting, langs de heuvels aan de voet van de Witte Bergen en die volgden zij, op en neer door een groen landschap, waarbij zij vele voorden in kleine snelle stromen moesten oversteken. Ver voor hen uit en rechts van hen verrezen de Nevelbergen; steeds donkerder en hoger naarmate zij verder reden. Voor hen ging de zon langzaam onder. Achter hen viel de avond.

Het leger reed verder, door noodzaak gedreven. De angst te laat te komen maakte dat zij met de grootst mogelijke snelheid voortreden en zelden halt hielden. Snel en lijdzaam waren de paarden van Rohan, maar er waren nog vele mijlen af te leggen. Honderdtwintig mijl of meer was het, zoals de vogel vliegt, van Edoras naar de Voorden van de Isen, waar zij de manschappen van de koning hoopten aan te treffen die de legers van Saruman tegenhielden.

De nacht omsloot hen. Ten slotte hielden zij halt om hun kamp op te slaan. Zij hadden ongeveer vijf uur gereden en waren ver op de westelijke vlakte, hoewel zij meer dan de helft van de reis nog voor zich hadden. In een grote kring, onder de sterrenhemel en de wassende maan, sloegen zij hun bivak op. Zij ontstaken geen vuren, want zij wisten niet wat er ging gebeuren, maar zetten een kring van bereden garde uit, en verkenners reden ver vooruit, en verdwenen als schaduwen in de plooien van het land. De nacht ging langzaam om zonder nieuws of alarm. In de ochtend schalden de hoorns en binnen een uur waren ze weer op weg.

Er waren nog geen wolken, maar de lucht was drukkend; het was warm voor de tijd van het jaar. De opgaande zon was nevelig en daarachter, haar langzaam aan de hemel volgend, was een toenemende duisternis als van een zwaar onweer dat uit het oosten kwam. En ver in het noordwesten scheen een andere duisternis te dreigen aan de voet van de Nevelbergen, een schaduw die langzaam uit het tovenaarsdal scheen op te stijgen.

Gandalf bleef achter tot waar Legolas naast Éomer reed. ‘Jij hebt de scherpe ogen van je schone geslacht, Legolas,’ zei hij, ‘en zij kunnen op drie mijl afstand een mus van een vink onderscheiden. Zeg eens, kun je iets in de richting van Isengard zien?’

‘Daar liggen vele mijlen tussen,’ zei Legolas, her en der kijkend, terwijl hij zijn ogen met zijn lange handen beschaduwde. ‘Ik kan een duisternis zien. Er bewegen gedaanten in, grote gedaanten, ver weg op de oever van de rivier, maar wat het zijn kan ik niet zien. Het is geen mist of bewolking die mijn ogen dwarsboomt; er is een verhullende schaduw die de een of andere macht over het land legt. Het is alsof de schemering onder eindeloze bomen van de heuvels naar beneden stroomt.’

‘En achter ons komt een onvervalst onweer uit Mordor,’ zei Gandalf. ‘Het zal een zwarte nacht worden.’

Naarmate de tweede dag van hun rit vorderde, werd de lucht nog drukkender. In de middag begonnen donkere wolken hen in te halen: een sombere hemel met grote golvende randen, doorschoten met verblindend licht. De zon ging onder, bloedrood in een walmende nevel. De speren van de Ruiters droegen vlammende punten toen de laatste lichtstralen de steile wanden van de pieken van de Thrihyrne in gloed zetten; nu waren ze heel dicht bij de noordelijke uitloper van de Witte Bergen, drie gekartelde hoorns, die naar de zonsondergang staarden. In de laatste rode gloed zagen de mannen in de achterhoede een ruiter naar hen toe rijden. Zij hielden in en bleven op hem wachten.

Hij kwam, een vermoeide man met een gedeukte helm en gekloofd schild. Langzaam klom hij van zijn paard en stond daar even te hijgen. Ten slotte sprak hij. ‘Is Éomer hier?’ vroeg hij. ‘Eindelijk bent u gekomen, maar te laat, en met te weinig manschappen. Alles is misgegaan sinds Théodred is gevallen. Gisteren zijn wij met grote verliezen over de Isen teruggedreven; velen zijn bij het oversteken gedood. Toen zijn er ’s nachts verse strijdkrachten over de rivier gekomen om ons kamp aan te vallen. Heel Isengard moet zijn leeggestroomd; en Saruman heeft de wilde lieden uit de heuvels en het herdersvolk van Donkerland achter de rivieren bewapend, en ook hen heeft hij op ons afgestuurd. We werden overweldigd. De muur van schilden werd doorbroken. Erkenbrand van de Westfold heeft de manschappen die hij kon verzamelen naar zijn burcht in de Helmsdiepte laten terugtrekken. De rest is verspreid. Waar is Éomer? Zeg hem, dat er verderop geen hoop is. Hij moet naar Edoras terugkeren, voor de wolven van Isengard daar komen.’

Théoden was zwijgend blijven zitten, achter zijn bewakers aan de blik van de man onttrokken; maar nu liet hij zijn paard naar voren stappen. ‘Kom, treed vóór mij, Ceorl,’ zei hij. ‘Ik ben hier. Het laatste leger van de Eorlingas is uitgereden. Het zal niet terugkeren zonder slag te hebben geleverd.’