Выбрать главу

Het gezicht van de man klaarde op van vreugde en verbazing. Hij kwam naar voren. Toen knielde hij en bood de koning zijn gehavende zwaard aan. ‘Beveel mij, heer!’ riep hij uit. ‘En vergeef mij! Ik dacht – ’

‘Je dacht dat ik in Meduseld was achtergebleven, gekromd als een oude boom onder de wintersneeuw. Zo was het toen jij ten strijde reed. Maar een westenwind heeft de takken geschud,’ zei Théoden. ‘Geef de man een vers paard! Laat ons Erkenbrand te hulp snellen!’

Terwijl Théoden sprak, reed Gandalf een eindje vooruit en bleef daar eenzaam noordwaarts naar Isengard zitten staren, en naar het westen naar de ondergaande zon. Toen kwam hij terug. ‘Rijd, Théoden!’ zei hij.

‘Rijd naar de Helmsdiepte! Ga niet naar de Voorden van de Isen, en blijf niet in de vlakte dralen. Ik moet u een tijdje alleen laten. Schaduwvacht moet mij nu snel ergens heen brengen.’ En, zich tot Aragorn en Éomer en de manschappen van de koning omdraaiend, riep hij uit: ‘Bescherm de Heer van de Mark goed tot ik terugkom. Wacht op mij bij de Helmspoort! Vaarwel!’

Hij zei iets tegen Schaduwvacht en als een pijl uit de boog schoot het grote paard weg. Terwijl zij keken was het verdwenen: een zilveren flits in de zonsondergang, een windvlaag over het gras, een vlietende schaduw die zich aan het zicht onttrok. Sneeuwmaan snoof en steigerde, verlangend om te volgen, maar alleen een snelle vogel in de vlucht had hem kunnen inhalen.

‘Wat betekent dat?’ vroeg een van de wachten aan Háma.

‘Dat Gandalf Grijsmantel haast heeft,’ antwoordde Háma. ‘Hij komt en gaat altijd onverwacht.’

‘Slangtong zou daar als hij hier was, gemakkelijk een verklaring voor vinden,’ zei de ander.

‘Dat is waar,’ zei Háma, ‘maar wat mijzelf betreft wacht ik tot ik Gandalf weerzie.’

‘Misschien zul je lang moeten wachten,’ zei de ander.

Het leger sloeg nu van de weg naar de Voorden van de Isen af en reed naar het zuiden. De nacht viel en zij reden nog steeds verder.

De heuvels kwamen dichterbij, maar de hoge toppen van de Thrihyrne tekenden zich al vaag tegen de duisterende hemel af. Nog een paar mijl verder, aan de overkant van het Westfolddal, lag een groene kom, een grote inham in de bergen, van waaruit een ravijn de heuvels in liep. De mensen van dat land noemden het de Helmsdiepte, naar een held uit vroegere oorlogen die daar zijn toevlucht had gezocht. Steeds steiler en nauwer slingerde het ravijn zich uit het noorden de heuvels in, onder de schaduw van de Thrihyrne, tot de met kraaien bezaaide rotsen als machtige torens aan weerskanten oprezen, het licht buitensluitend.

Bij de Helmspoort, voor de ingang van de Diepte, was een rotspunt, die van de noordelijke wand uitstak. Op de rand ervan stonden hoge muren van heel oude steen, en daarbinnen stond een hoge toren. Men vertelde dat de zeekoningen in de vroegste tijden van de glorie van Gondor deze burcht geholpen door reuzen hadden gebouwd. De Hoornburg werd hij genoemd, want een trompet die op de toren werd gestoken, weerkaatste beneden in de Diepte alsof lang vergeten legers uit de grotten onder de heuvels ten strijde trokken. Ook hadden de mensen vroeger een muur gemaakt van de Hoornburg naar de zuidelijke rotswand, die de ingang tot het ravijn versperde. Daaronder stroomde door een wijd gat de Dieptestroom naar buiten. Hij slingerde zich om de voet van de Hoornrots, en liep daarna in een geul door een brede groene geer, die flauw hellend van de Helmspoort naar de Helmsdijk liep. Daar viel hij in de Dieptekom en in het Westfolddal. Daar in de Hoornburg bij de Helmspoort woonde Erkenbrand, Heer van de Westfold, aan de grenzen van de Mark. Toen de tijden duisterder werden door de oorlogsdreiging had hij, een wijs man, de muur hersteld en de burcht versterkt.

De Ruiters waren nog in de lage vallei voor de ingang van de Kom, toen ze kreten en hoorngeschal van hun verkenners hoorden, die vooruit waren gereden. Uit de duisternis kwamen pijlen aansuizen. Snel kwam een verkenner terugrijden en deelde mee dat er wolfruiters in de vallei waren, en dat een leger van orks en wilde mensen zich van de Voorden van de Isen naar het zuiden haastte en op weg scheen te zijn naar de Helmsdiepte.

‘Wij hebben velen van onze mensen dood ter aarde zien liggen toen zij daarheen vluchtten,’ zei de verkenner. ‘En wij zijn uiteengeslagen compagnieën tegengekomen die alle kanten uitgingen, zonder leider. Wat er van Erkenbrand is geworden schijnt niemand te weten. Hij zal waarschijnlijk worden ingehaald voor hij de Helmspoort kan bereiken, als hij al niet is omgekomen.’

‘Heeft men iets van Gandalf gezien?’ vroeg Théoden.

‘Ja, heer. Velen hebben een oude man in het wit op een paard gezien, die de vlakten kriskras doorkruiste, als de wind in het gras. Sommigen meenden dat het Saruman was. Men zegt dat hij voor het vallen van de avond naar Isengard is gegaan. Sommigen zeggen ook dat men voor hem uit Slangtong heeft gezien, die met een troep orks naar het noorden trok.’

‘Het zal slecht met Slangtong aflopen als Gandalf hem tegenkomt,’ zei Théoden. ‘Niettemin mis ik nu alle twee mijn raadgevers, de oude en de nieuwe. Maar in deze nood hebben wij geen andere keus dan verder te gaan, zoals Gandalf zei, naar de Helmspoort, of Erkenbrand daar is of niet. Is het bekend hoe groot het leger is dat uit het noorden onderweg is?’

‘Het is heel groot,’ zei de verkenner. ‘Hij die vlucht telt iedere vijand voor twee, maar ik heb met dappere mannen gesproken, en ik twijfel er niet aan dat de werkelijke sterkte van de vijand vele keren groter is dan alles wat wij hier hebben.’

‘Laat ons dan snel zijn,’ zei Éomer. ‘Laten we door eventuele vijanden die zich al tussen ons en het bolwerk bevinden heen breken. Er zijn grotten in de Helmsdiepte waar misschien honderden verscholen zijn; en vandaar leiden geheime gangen omhoog naar de heuvels.’

‘Stel geen vertrouwen in geheime gangen,’ zei de koning. ‘Saruman heeft dit land allang verspied. Maar toch kan onze verdediging op die plek lang standhouden. Laat ons gaan!’

Aragorn en Legolas gingen nu met Éomer in de voorhoede. Zij reden verder door de donkere nacht, steeds langzamer naarmate de duisternis dieper werd en hun weg naar het zuiden steeds hoger in de duistere plooien om de voet van de bergen klom. Zij merkten weinig van de vijand toen zij hun weg vervolgden. Hier en daar kwamen zij zwervende orktroepen tegen, maar die sloegen op de vlucht voor de Ruiters hen gevangen konden nemen of doden.

‘Het zal niet lang duren, vrees ik,’ zei Éomer, ‘voor de komst van het leger van de koning de leider van onze vijanden, Saruman, bekend zal worden, of welke aanvoerder hij ook heeft uitgezonden.’

Het oorlogsgerucht achter hen werd sterker. Nu konden zij het geluid van rauw gezang horen, dat in de duisternis kwam aangolven. Zij waren een heel eind in de Dieptekom omhoog geklommen toen zij omkeken. Toen zagen zij toortsen, talloze vurige lichtpunten op de zwarte velden achter hen, verspreid als rode bloemen, die uit de laaglanden in lange flakkerende rijen omhoog slingerden. Hier en daar sloegen grotere vlammen uit.

‘Het is een groot leger en het volgt ons zeer snel,’ zei Aragorn. ‘Ze brengen vuur mee,’ zei Théoden, ‘en ze verbranden alles wat ze op hun weg tegenkomen, hooibergen, schuren en bomen. Dit was vroeger een rijke vallei die vele hofsteden telde. Helaas, mijn arme volk!’

‘Ik wou dat het dag was en wij hen als een storm uit de bergen konden overvallen,’ zei Aragorn. ‘Het ergert mij dat ik voor hen moet vluchten.’

‘Wij hoeven niet veel verder te vluchten,’ zei Éomer. ‘Het is nu niet ver meer naar de Helmsdijk, een oude loopgraaf en wal die over de breedte van de Kom loopt, vierhonderd meter voor de Helmspoort. Daar kunnen wij omkeren en slag leveren.’

‘Nee, we zijn met te weinigen om de Dijk te verdedigen,’ zei Théoden. ‘Hij is een mijl lang of nog langer, en de bres erin is breed.’