Выбрать главу

‘Wij vormen geen stenen met strijdbijlen en ook niet met onze nagels,’ zei Gimli. ‘Maar ik zal naar beste vermogen helpen.’

Zij verzamelden de kleine rotsblokken en gebroken keien die zij in de buurt konden vinden, en op aanwijzing van Gimli blokkeerden de mensen uit de Westfold het binnenste einde van de duiker, tot er nog maar een kleine opening was overgebleven. Toen kolkte en draaide de Dieptestroom, door regen gezwollen, in zijn verstopte baan, en verspreidde zich langzaam in koude poelen van rotswand tot rotswand.

‘Het zal boven droger zijn,’ zei Gimli. ‘Kom, Gamling, laat ons gaan kijken hoe de zaken op de muur ervoor staan.’

Hij klauterde naar boven en trof Legolas naast Aragorn en Éomer aan. De elf was zijn lange mes aan het scherpen. De aanval was een tijdje minder hevig geworden, sinds de poging om door de duiker naar binnen te dringen was verijdeld.

‘Eenentwintig!’ zei Gimli.

‘Goed!’ zei Legolas. ‘Maar ik heb er nu twee dozijn. Het is hierboven messenwerk geweest.’

Éomer en Aragorn leunden moe op hun zwaarden. Links in de verte steeg het gekletter van de slag op de Rots weer luid op. Maar de Hoornburg hield nog steeds stand, als een eiland in de zee. De poorten waren vernietigd, maar er was nog geen vijand over de barricade van balken en stenen heen gekomen.

Aragorn keek naar de bleke sterren en de maan, die nu achter de westelijke heuvels die de vallei omsloten onderging. ‘Deze nacht schijnt jaren te duren,’ zei hij. ‘Hoelang duurt het nog voor de dag aanbreekt?’

‘De dageraad is niet meer veraf,’ zei Gamling, die nu naast hem naar boven was geklommen. ‘Maar de dageraad zal ons niet helpen, vrees ik.’

‘Toch geeft de dageraad altijd hoop,’ zei Aragorn.

‘Maar deze creaturen uit Isengard, deze half-orks en aardmannen, die door de smerige tovenarij van Saruman zijn gefokt, zullen niet ineenschrompelen voor de zon,’ zei Gamling. ‘En dat zullen de wilde mannen uit de heuvels evenmin. Horen jullie hun stemmen niet?’

‘Ik hoor ze wel,’ zei Éomer, ‘maar in mijn oren klinkt het slechts als het gekrijs van vogels en het gebrul van dieren.’

‘Toch zijn er velen die in de taal van Donkerland schreeuwen,’ zei Gamling. ‘Ik ken die taal. Het is een vroegere mensentaal die eens in vele westelijke dalen van de Mark werd gesproken. Hoor! Ze haten ons en verheugen zich, want onze ondergang lijkt hun onvermijdelijk. “De koning! De koning!” roepen zij. “Wij zullen hun koning gevangennemen. Dood aan de Forgoil! Dood aan de Strokoppen! Dood aan de rovers uit het Noorden!” Dat zijn de namen die zij ons geven. In geen vijfhonderd jaar zijn zij het bittere gevoel vergeten dat de heren van Gondor hen bezorgden toen ze de Mark aan Eorl de Jonge gaven en een bondgenootschap met hem sloten. Die oude haat heeft Saruman aangewakkerd. Het zijn woeste lieden wanneer ze worden geprikkeld. Ze zullen niet voor duisternis of dageraad wijken, voordat Théoden is gevangengenomen of zijzelf zijn verslagen.’

‘Niettemin zal de dag mij hoop brengen!’ zei Aragorn. ‘Zegt men niet dat geen vijand ooit de Hoornburg heeft ingenomen als zij door mensen werd verdedigd?’

‘Dat zeggen de minstrelen,’ zei Éomer.

‘Laten we haar dan verdedigen en hopen!’ zei Aragorn.

Terwijl zij zo spraken klonk er trompetgeschal. Toen was er gekraak en een flits van vuur en rook. De wateren van de Dieptestroom kwamen sissend en schuimend tevoorschijn. Zij waren niet langer verstopt: er was een gapend gat in de muur geslagen. Een leger van donkere gestalten stroomde erdoor naar binnen.

‘Duivelswerk van Saruman!’ riep Aragorn uit. ‘Ze zijn weer in de duiker gekropen terwijl wij praatten, en ze hebben het vuur van Orthanc onder onze voeten ontstoken. Elendil! Elendil!’ riep hij, terwijl hij in de bres sprong, maar terwijl hij dit deed werden er honderden ladders tegen de kantelen gezet. Over de muur en onder de muur sloeg de laatste aanval als een donkere golf op een zandheuvel. De verdediging werd weggevaagd. Sommige Ruiters werden verder en verder in de Diepte teruggedreven, sneuvelend en vechtend, terwijl zij zich stap voor stap naar de grotten terugtrokken. Anderen baanden zich een weg terug naar de citadel.

Een brede trap liep van de Diepte omhoog naar de Rots en de achterpoort van de Hoornburg. Onder aan de trap stond Aragorn. In zijn hand glansde Andúril nog, en de verschrikking van het zwaard hield de vijand korte tijd tegen, terwijl allen die de trap konden bereiken, één voor één naar de poort klommen. Daarachter, op de bovenste treden, knielde Legolas. Zijn boog was gespannen, maar hij had nog slechts één gevonden pijl, en hij tuurde nu naar buiten, klaar om de eerste ork die het zou wagen de trap te naderen neer te schieten.

‘Allen die daartoe in staat zijn, zijn nu veilig binnen, Aragorn,’ riep hij. ‘Kom terug!’

Aragorn draaide zich om en snelde de trap op, maar onder het rennen struikelde hij van vermoeidheid. Meteen sprongen zijn vijanden naar voren. De orks snelden gillend met lange uitgestrekte handen op hem af om hem te grijpen. De voorste viel met Legola s’ laatste pijl in zijn keel, maar de rest sprong over hem heen. Toen stortte een grote kei, die van de buitenste muur boven was neergeworpen, op de trap en wierp ze in de Diepte terug. Aragorn bereikte de deur en gooide die vlug achter zich dicht.

‘We staan er slecht voor, vrienden,’ zei hij, zich het zweet met de arm van het hoofd wissend.

‘Erg slecht,’ zei Legolas, ‘maar nog niet hopeloos, zolang wij jou bij ons hebben. Waar is Gimli?’

‘Ik weet het niet,’ zei Aragorn. ‘Ik heb hem voor het laatst gezien toen hij op de grond achter de muur vocht, maar de vijand heeft ons gescheiden.’

‘Helaas! Dat is slecht nieuws,’ zei Legolas.

‘Hij is stevig en sterk,’ zei Aragorn. ‘Laat ons hopen dat hij naar de grotten zal ontsnappen. Daar zou hij een tijdje veilig zijn. Veiliger dan wij. Zo’n toevluchtsoord zou een dwerg wel aanstaan.’

‘Daar moet ik dan maar op hopen,’ zei Legolas. ‘Maar ik wou dat hij deze kant was uitgekomen. Ik wilde meester Gimli zeggen dat mijn totaal nu negenendertig bedraagt.’

‘Als hij de grotten bereikt, zal hij jouw totaal weer overtreffen,’ zei Aragorn lachend. ‘Nog nooit heb ik iemand een bijl zo zien hanteren.’

‘Ik moet wat pijlen gaan zoeken,’ zei Legolas. ‘Ik wou dat deze nacht om was, en dat ik beter licht had om bij te schieten.’

Aragorn ging nu de citadel binnen. Daar vernam hij tot zijn ontsteltenis dat Éomer de Hoornburg niet had bereikt.

‘Nee, hij is niet naar de Rots gekomen,’ zei een van de mensen van de Westfold. ‘De laatste keer dat ik hem heb gezien was hij manschappen om zich heen aan het verzamelen en in de mond van de Diepte aan het vechten. Gamling was bij hem, en de dwerg, maar ik kon hen niet bereiken.’

Aragorn liep verder over de binnenhof en klom naar een hoog vertrek in de toren. Daar stond de koning, donker tegen een smal raam, over het dal uit te kijken.

‘Wat is het nieuws, Aragorn?’ vroeg hij.

‘De Dieptemuur is ingenomen, heer, en de verdediging volledig weggevaagd; maar velen zijn vandaar naar de Rots ontsnapt.’

‘Is Éomer hier?’

‘Nee, heer. Maar velen van uw manschappen hebben zich in de Diepte teruggetrokken; en sommigen zeggen dat Éomer bij hen was. In de spleten kunnen ze de vijand misschien tegenhouden en in de grotten komen. Welke hoop er daarna voor hen is, weet ik niet.’

‘Meer dan voor ons. Goede voorraden, zegt men. En de lucht is er gezond, want er zijn openingen in de rotsen hoog boven hen. Niemand kan tegen vastberaden mannen een ingang forceren. Ze zouden het wel eens lang kunnen uithouden.’

‘Maar de orks hebben duivelskunst uit Orthanc meegebracht,’ zei Aragorn. ‘Ze hebben een verwoestend vuur, en daarmee hebben ze de Muur genomen. Als ze niet in de grotten kunnen komen, zullen ze hen die zich erin bevinden misschien opsluiten. Maar wij moeten nu heel onze aandacht aan onze eigen verdediging schenken.’