‘Ik kwijn weg in deze gevangenis,’ zei Théoden. ‘Als ik met gestoken lans voor mijn mannen uit het slagveld op had kunnen rijden, zou ik misschien de vreugde van het gevecht weer hebben gevoeld en zo zijn gestorven. Maar hier ben ik van weinig nut.’
‘Hier wordt u tenminste in de sterkste veste van de Mark beschermd,’ zei Aragorn. ‘Er is meer hoop op dat we u in de Hoornburg kunnen verdedigen, dan in Edoras, of zelfs in Dunharg in de bergen.’
‘Men zegt dat de Hoornburg nog nooit voor een aanval is bezweken,’ zei Théoden, ‘maar nu verkeert mijn hart in twijfel. De wereld verandert, en alles wat eens sterk was is nu onzeker. Hoe zal een toren zulke aantallen en zo’n roekeloze haat weerstaan? Als ik had geweten dat de kracht van Isengard zo groot was, zou ik die misschien niet zo haastig tegemoet zijn gereden, ondanks alle bekwaamheden van Gandalf. Zijn raad schijnt mij nu niet meer zo goed toe als in de ochtendzon.’
‘Oordeel niet over Gandalfs raad voor alles voorbij is, heer,’ zei Aragorn.
‘Het einde zal niet meer veraf zijn,’ zei de koning. ‘Maar ik wil hier niet eindigen als een oude das in de val. Sneeuwmaan en Hasufel en de paarden van mijn wacht staan op de binnenplaats. Wanneer de dageraad aanbreekt, zal ik de mannen vragen Helms hoorn te steken, en ik zal uitrijden. Wil jij dan aan mijn zijde rijden, zoon van Arathorn? Misschien zullen wij ons een weg banen, of op zodanige manier sneuvelen, dat dit een lied waard zal zijn – als er hierna tenminste nog iemand over is om over ons te zingen.’
‘Ik zal met u meerijden,’ zei Aragorn.
Na afscheid te hebben genomen, keerde hij naar de muren terug, en deed de hele ronde, de manschappen aanmoedigend en hulp verlenend waar de aanval fel was. Legolas ging met hem mee. Laaiende vlammen sprongen van beneden omhoog en deden de stenen schudden. Er werden enterhaken gegooid en ladders tegen de muren gezet. Telkens weer bereikten de orks de top van de buitenste muur, maar telkens weer sloegen de verdedigers hen terug.
Eindelijk stond Aragorn boven de grote poorten, geen acht slaand op de pijlen van de vijand. Toen hij neerkeek zag hij de oostelijke hemel licht worden. Toen hief hij de lege hand op, de palm naar buiten gekeerd als teken dat hij wilde onderhandelen.
De orks joelden en gilden. ‘Kom naar beneden! Kom naar beneden!’ riepen zij. ‘Als je met ons wilt spreken, kom dan naar beneden! Breng je koning naar buiten! Wij zijn de vechtende uruk-hai! We zullen hem uit zijn hol halen als hij niet komt. Breng je gluiperige koning naar buiten!’
‘De koning blijft waar hij is of komt als hij dat zelf wil,’ zei Aragorn.
‘Wat doe jij daar dan?’ zeiden ze. ‘Waarom kijk je naar buiten? Wil je zien hoe groot ons leger is? Wij zijn de vechtende uruk-hai!’
‘Ik heb naar buiten gekeken om de dageraad te zien,’ zei Aragorn.
‘Wat dageraad?’ spotten zij. ‘Wij zijn de uruk-hai. Wij houden niet op met vechten, of het dag is of nacht, mooi weer of storm. Wij komen om te doden, bij zon of maan. Wat heeft de dageraad ermee te maken?’
‘Niemand weet wat de nieuwe dag hem zal brengen,’ zei Aragorn. ‘Scheer je weg, voor hij ten kwade keert.’
‘Kom naar beneden of we zullen je van de muur afschieten,’ riepen zij. ‘Dit zijn geen onderhandelingen. Je hebt niets te zeggen.’
‘Ik heb dit te zeggen,’ antwoordde Aragorn. ‘Geen vijand heeft tot op heden de Hoornburg ingenomen. Ga weg, of niet één van jullie zal worden gespaard. Niet één zal in leven worden gelaten om berichten naar het noorden te brengen. Jullie kennen het gevaar niet waarin jullie verkeren.’
Zo groot waren de macht en koninklijke waardigheid die Aragorn tentoonspreidde, terwijl hij daar alleen boven de verwoeste poorten voor het leger van zijn vijanden stond, dat velen van de wilde mannen aarzelden en over hun schouders achterom naar de vallei keken, terwijl anderen twijfelachtig naar de hemel tuurden. Maar de orks lachten met luide stemmen, en een hagel van werpspiezen en pijlen gierde over de muur toen Aragorn naar beneden sprong.
Er klonk gebrul van een oplaaiend vuur. De boog van de poort waar hij een ogenblik geleden bovenop had gestaan, stortte in en viel in rook en puin neer. De barricade was als door een donderslag uiteengeslagen. Aragorn snelde naar de toren van de koning.
Maar op hetzelfde ogenblik waarop de poort instortte en de orks eromheen gilden en zich opmaakten om aan te vallen, steeg achter hen een gemurmureer op, als een wind in de verte, en het groeide aan tot een gerucht van vele stemmen die in de dageraad vreemd nieuws uitriepen. De orks op de Rots, die het gerucht ontsteld aanhoorden, aarzelden en keken om. En toen schalde, plotseling en angstwekkend, het geluid van de grote hoorn van Helm van de toren af.
Allen die dat geluid hoorden beefden. Velen van de orks wierpen zich languit op de grond en bedekten hun oren met hun klauwen.
Uit de Diepte kwamen de echo’s, stoot na stoot, alsof er op iedere steile rots en heuvel een machtige heraut stond. Maar op de muren keek men omhoog en luisterde verbaasd, want de echo’s stierven niet weg. Telkens weer slingerden de hoornstoten zich do or de heuvels; dichterbij nu en luider antwoordden zij elkaar, hard en vrijuit blazend.
‘Helm! Helm!’ schreeuwden de Ruiters. ‘Helm is opgestaan en trekt weer ten strijde. Helm voor koning Théoden!’
En op deze kreet verscheen de koning. Zijn paard was wit als sneeuw, goud was zijn schild en zijn speer was lang. Aan zijn rechterhand reed Aragorn, Elendils erfgenaam, en achter hen reden de heren van het Huis van Eorl de Jonge. Het licht besprong de hemel. De nacht vluchtte.
‘Vooruit, Eorlingas!’ Met een kreet en een geweldig gedruis vielen zij aan. Zij reden donderend de poorten door, de oprit over en joegen toen de legers van Isengard als wind door het gras. Achter hen uit de Diepte klonken de harde kreten van de mannen die uit de grotten tevoorschijn kwamen, de vijand voor zich uit jagend. Alle manschappen die op de Rots waren achtergebleven, stroomden tevoorschijn. En telkens weer schalde het geluid van hoorns in de heuvels.
Zij reden verder, de koning en zijn metgezellen. Aanvoerders en kampioenen sneuvelden of vluchtten voor hen. Ork noch mens kon hen weerstaan. Hun ruggen waren naar de zwaarden en speren van de Ruiters gekeerd, en hun gezichten naar het dal. Zij schreeuwden en jammerden, want angst en verbazing hadden zich met het aanbreken van de dag van hen meester gemaakt.
Zo reed koning Théoden van de Helmspoort en baande zich een pad naar de grote Dijk. Daar bleef de compagnie staan. Het licht rondom hen werd sterker. Bundels zonlicht vonkten boven de oostelijke heuvels en glinsterden op hun speren. Maar zij bleven zwijgend op hun paarden zitten en zij keken neer op de Dieptekom.
Het landschap was veranderd. Waar eerst een groen dal had gelegen, met grazige hellingen op de steeds hoger oprijzende heuvels, doemde nu een bos op. Grote bomen, kaal en zwijgend, stonden rij aan rij met verwarde takken en grijze kruinen; hun verwrongen wortels waren in het lange groene gras begraven. Onder hen heerste duisternis. Tussen de Dijk en de zomen van dat naamloze woud lag slechts vierhonderd meter open terrein. Daar hoopten zich nu de trotse legers van Saruman op, doodsbang voor de koning en doodsbang voor de bomen. Zij kwamen van de Helmspoort omlaag stromen tot er geen een meer boven de Dijk was, maar daarbeneden waren zij als een zwerm vliegen tezamen gepakt. Vergeefs kropen en verdrongen ze zich tegen de wanden van de Kom in een poging om te ontsnappen. In het oosten was de helling van de vallei te steil en rotsachtig; in het westen naderde hun laatste oordeel.
Daar verscheen plotseling op een heuvelrug een ruiter, in het wit gekleed, stralend in de opgaande zon. Boven de lage heuvels schalden de hoorns. Achter hem, zich langs de lange hellingen voortspoedend, waren duizend mannen te voet, hun zwaarden in de hand. In hun midden schreed een lange sterke man. Zijn schild was rood. Toen hij aan de rand van de vallei kwam, zette hij een grote zwarte hoorn aan zijn lippen en gaf een geweldige stoot.