‘Je ontroert mij, Gimli,’ zei Legolas. ‘Ik heb je nog nooit eerder zo horen spreken. Ik begin het bijna te betreuren dat ik die grotten niet heb gezien. Kom! Laat ons dit afspreken – als wij beiden veilig terugkeren van de gevaren die ons wachten, zullen we een tijdje samen op reis gaan. Jij zult met mij Fangorn bezoeken, en dan zal ik met jou meegaan om de Helmsdiepte te bezichtigen.’
‘Dat zou niet de terugweg zijn die ik zou kiezen,’ zei Gimli. ‘Maar ik zal Fangorn op de koop toenemen als jij mij belooft mee te gaan naar de grotten en hun wonder met mij te aanschouwen.’
‘Dat beloof ik je,’ zei Legolas. ‘Maar helaas! Nu moeten we zowel bos als grot een tijdje achterlaten. Kijk! We komen aan het eind van de bomen. Hoe ver is het naar Isengard, Gandalf?’
‘Ongeveer vijfenveertig mijl, zoals de kraaien van Saruman vliegen,’ zei Gandalf, ‘vijftien van de mond van de Dieptekom naar de Voorden; en vandaar nog eens dertig naar de poorten van Isengard. Maar wij zullen vannacht niet zo ver rijden.’
‘En wat zullen wij zien als we daar aankomen?’ vroeg Gimli. ‘Jij weet het misschien, maar ik kan het niet raden.’
‘Ik weet het zelf niet zeker,’ antwoordde de tovenaar. ‘Ik was daar gisteren bij het vallen van de avond, maar misschien is er sindsdien veel gebeurd. Toch denk ik dat je niet zult zeggen dat de reis vergeefs is geweest – ook al heb je de Glinsterende Grotten van Aglarond moeten achterlaten.’
Eindelijk was het gezelschap aan het eind van het bos gekomen, en merkte dat ze de bodem van de Kom hadden bereikt, waar de weg van de Helmsdiepte zich vertakte, de ene naar Edoras en de andere naar het noorden, naar de Voorden van de Isen uitgaand. Toen zij het bos uit reden, hield Legolas halt en keek spijtig achterom. Toen slaakte hij plotseling een kreet.
‘Er zijn ogen!’ zei hij. ‘Ogen die uit de schaduwen van de takken kijken! Zulke ogen heb ik nog nooit gezien.’
De anderen, verbaasd door zijn kreet, bleven staan en draaiden zich om; maar Legolas begon terug te rijden.
‘Nee, nee,’ riep Gimli. ‘Doe wat je wilt in je dwaasheid, maar laat mij eerst van dit paard af komen! Ik wil geen ogen zien!’
‘Blijf staan, Legolas Groenblad,’ zei Gandalf. ‘Ga niet terug in dit bos, nog niet! Nu is het nog niet je tijd.’
Toen hij dit zei, kwamen er drie vreemde gedaanten uit het bos naar voren. Zij waren even groot als trollen, twaalf voet of meer lang; hun sterke lichamen, stevig als jonge bomen, schenen met stof of met een huid van nauwsluitend grijs en bruin te zijn bekleed. Hun ledematen waren lang en hun handen hadden vele vingers; hun haar was stijf en hun baarden grijsgroen als mos. Zij keken uit ernstig starende ogen, maar zij keken niet naar de ruiters: hun ogen waren op het noorden gericht. Plotseling brachten zij hun lange handen aan hun mond en slaakten schallende kreten, helder als de tonen van een hoorn, maar muzikaler en met meer afwisseling. Hun geroep werd beantwoord, en toen ze zich weer omdraaiden zagen de ruiters andere, soortgelijke schepselen naderen, die door het gras schreden. Zij kwamen snel uit het noorden; ze liepen als wadende reigers wat hun gang betrof, maar niet hun snelheid; want hun benen gingen met hun lange passen vlugger op en neer dan reigervleugels. De ruiters slaakten kreten van verbazing, en sommigen brachten hun handen aan de gevesten van hun zwaarden.
‘Jullie hebben geen wapens nodig,’ zei Gandalf. ‘Dit zijn maar herders. Het zijn geen vijanden; in werkelijkheid schenken ze helemaal geen aandacht aan ons.’
En dat bleek zo te zijn, want terwijl hij sprak schreden de lange schepselen zonder een blik op de ruiters te werpen het woud in en verdwenen.
‘Herders!’ zei Théoden. ‘Waar zijn hun kudden? Wat zijn het, Gandalf? Want het is duidelijk dat ze voor jou in ieder geval niet vreemd zijn.’
‘Het zijn de herders van de bomen,’ antwoordde Gandalf. ‘Is het zo lang geleden sinds u bij de haard naar verhalen hebt geluisterd? Er zijn kinderen in uw land die uit de verwarde draden van het verhaal het antwoord op uw vraag zouden kunnen opmaken. U hebt enten gezien, o koning. Enten uit het bos van Fangorn, dat in uw taal het Entwoud heet. Dacht u dat die naam slechts in ijdele fantasie is gegeven? Nee, Théoden, het is anders; voor hen bent u slechts een vluchtig verhaal; alle jaren van Eorl de Jonge tot Théoden de Oude tellen nauwelijks voor hen; en alle daden van uw huis zijn voor hen slechts een kleinigheid.’
De koning zweeg. ‘Enten!’ zei hij ten slotte. ‘Uit de schaduw van de overlevering begin ik iets te begrijpen van het wonder van de bomen, denk ik. Het zijn vreemde tijden tegenwoordig. Lang hebben wij onze dieren en velden verzorgd, onze huizen gebouwd, onze werktuigen gemaakt, of zijn uitgereden om in de oorlogen van Minas Tirith te helpen. En dat noemden wij het leven van de mensen, de manier waarop het in de wereld toegaat. Wij bekommerden ons weinig om wat buiten de grenzen van ons land lag. Wij hebben liederen die van deze dingen verhalen, maar wij vergeten ze en leren ze alleen maar aan kinderen, als een achteloze gewoonte. En nu zijn de liederen uit vreemde plaatsen tot ons gekomen, en leven zichtbaar onder de zon.’
‘U zou blij moeten zijn, koning Théoden,’ zei Gandalf. ‘Want niet alleen is het onaanzienlijke leven van mensen nu in gevaar, maar ook het leven van de dingen die u als het onderwerp van legenden hebt beschouwd. U bent niet zonder bondgenoten, ook al kent u ze niet.’
‘Maar ik zou ook bedroefd moeten zijn,’ zei Théoden. ‘Want hoe het getij van de oorlog ook zal verlopen, zou het niet zo kunnen eindigen dat veel dat schoon en wonderlijk was voor altijd uit Midden-aarde zal verdwijnen?’
‘Dat zou kunnen,’ zei Gandalf. ‘Het kwaad van Sauron kan niet geheel en al ongedaan worden gemaakt, alsof het er niet was geweest. Maar tot zo’n tijd zijn wij gedoemd. Laat ons nu de reis vervolgen die wij zijn begonnen!’
Daarop verliet het gezelschap de Kom en het woud en nam de weg naar de Voorden. Legolas volgde met tegenzin. De zon was ondergegaan; zij was al achter de rand van de wereld verdwenen, maar toen ze uit de schaduw van de heuvels kwamen en naar het westen, waar de Kloof van Rohan was keken, was de hemel nog rood, en licht als van een brand scheen onder de overdrijvende wolken. Donker daartegen cirkelden en vlogen vele zwartgevleugelde vogels. Sommige vlogen met naargeestige kreten boven hun hoofden voorbij, naar hun nesten tussen de rotsen terugkerend.
‘De aasgieren zijn druk bezig geweest op het slagveld,’ zei Éomer. Zij reden nu met een kalm gangetje en de duisternis daalde over de vlakte om hen heen. De maan kwam langzaam op en had haar volle wasdom bijna bereikt, en in haar koude zilveren licht s tegen de golvende graslanden omhoog en daalden als een wijde grijze zee. Zij hadden ongeveer vier uur van de splitsing van de wegen gereden toen zij de Voorden begonnen te naderen. Lange hellingen liepen snel omlaag tot waar de rivier breed in een rotsachtige bedding tussen hoge grazige terrassen liep. Op de wind hoorden ze het gehuil van wolven. Hun harten waren bezwaard toen zij zich de vele mannen herinnerden die op deze plaats in de slag waren gevallen.
De weg dook tussen hoge glooiingen van gras, doorsneed de terrassen naar de rand van de rivier, en liep op de andere oever weer omhoog. In de stroom lagen drie rijen platte stenen en daartussen voorden voor de paarden die van beide oevers naar een kaal eilandje in het midden liepen. De ruiters keken neer op de oversteekplaatsen en er was iets vreemds mee, want de Voorden waren altijd vervuld geweest van het ruisen en klotsen van water tegen stenen; maar nu waren zij stil. De beddingen van de stroom stonden bijna droog: een woestenij van kiezel en grijs zand.
‘Dit is een trieste plek geworden,’ zei Éomer. ‘Welke ziekte heeft de rivier overvallen? Saruman heeft vele mooie dingen vernietigd; heeft hij ook de bronnen van de Isen verzwolgen?’