‘Het lijkt erop,’ zei Gandalf.
‘Helaas,’ zei Théoden. ‘Moeten wij deze weg gaan, waar de aasgieren zoveel voortreffelijke Ruiters van de Mark verslinden?’
‘Dit is onze weg,’ zei Gandalf. ‘Triest is de dood van uw mannen; maar ge zult tenminste zien dat de wolven van de bergen hen niet verslinden. Het is aan hun vrienden, de orks, dat zij zich te goed doen; dat is hun soort vriendschap. Kom!’
Zij reden omlaag naar de rivier, en toen zij er aankwamen hielden de wolven op met huilen en slopen weg. Vrees overviel hen toen zij Gandalf in het maanlicht zagen en diens paard Schaduwvacht als zilver zagen schitteren. De ruiters staken over naar het eilandje en glinsterende ogen sloegen hen uit de schaduwen van de oevers gade. ‘Kijk,’ zei Gandalf. ‘Vrienden hebben hier gewerkt.’
En zij zagen dat in het midden van het eilandje een grafheuvel was opgeworpen, omringd met stenen en omgeven met vele speren. ‘Hier rusten alle mensen van de Mark die bij deze plek zijn gevallen,’ zei Gandalf.
‘Laat hen hier rusten,’ zei Éomer. ‘En wanneer hun speren zijn verrot en verroest, moge dan hun grafheuvel nog lang staan en de Voorden van de Isen bewaken!’
‘Is dat ook uw werk, Gandalf, mijn vriend?’ vroeg Théoden. ‘U hebt veel tot stand gebracht in een avond en een nacht.’
‘Met behulp van Schaduwvacht – en anderen,’ zei Gandalf. ‘Ik heb ver en snel gereden. Maar hier naast de grafheuvel zal ik u dit tot troost zeggen: velen zijn in de slagen van de Voorden gevallen, maar minder dan wordt beweerd. Er zijn er meer verstrooid dan gedood; ik heb allen die ik kon vinden verzameld. Sommigen heb ik met Grimbold van de Westfold naar Erkenbrand gestuurd. Anderen heb ik dit graf laten maken. Zij zijn nu uw maarschalk Elfhelm gevolgd. Ik heb hem met vele Ruiters naar Edoras gestuurd. Ik wist dat Saruman zijn volledige macht tegen u had ingezet, en zijn dienaren hebben alle andere zaken laten rusten om naar de Helmsdiepte te gaan: de landen leken vrij van vijanden. Toch vreesde ik dat wolfruiters en plunderaars niettemin naar Meduseld zouden kunnen gaan terwijl het niet verdedigd werd. Maar nu denk ik dat u niet bang hoeft te zijn; u zult uw huis weervinden om uw terugkeer te vieren.’
‘En ik zal blij zijn het weer te zien,’ zei Théoden, ‘hoewel ik er niet aan twijfel dat mijn verblijf er kort zal zijn.’
Hierop nam het gezelschap afscheid van het eiland en de grafheuvel, stak de rivier over en beklom de andere oever. Toen reden zij verder, blij om de trieste Voorden te hebben verlaten. Toen ze verdergingen barstte het gehuil van de wolven opnieuw los.
Er was een oude hoofdweg die van Isengard naar de oversteekplaatsen liep. Deze liep een eind langs de rivier, naar het oosten en vervolgens naar het noorden, maar ten slotte keerde hij zich ervan af en liep rechtstreeks naar de poorten van Isengard; deze lagen onder de bergkant in het westen van de vallei, ongeveer zestien mijl van het begin. Deze weg volgden zij, hoewel zij er niet op reden, want de grond ernaast was stevig en vlak, en met kort veerkrachtig gras begroeid. Zij reden nu sneller, en tegen middernacht lagen de Voorden bijna vijftien mijl achter hen. Toen hielden zij halt, hun nachtelijke reis beëindigend, want de koning was moe. Zij hadden de voet van de Nevelbergen bereikt en de lange uitlopers van de Nan Curunír strekten zich naar hen uit. Donker lag het dal voor hen, want de maan stond in het westen en het licht ervan ging schuil achter de heuvels. Maar uit de diepe schaduw van het dal rees een grote spiraal van rook en damp op; terwijl hij verder steeg, ving zij de stralen van de ondergaande maan op en verspreidde zich in glinsterende golven, zwart en zilver, over de met sterren bezaaide hemel.
‘Wat vind je daarvan, Gandalf?’ vroeg Aragorn. ‘Je zou zeggen dat het hele Tovenaarsdal in brand stond.’
‘Er hangt tegenwoordig altijd rook boven die vallei,’ zei Éomer. ‘Maar zo heb ik het nooit eerder gezien. Dit lijkt meer op damp dan op rook. Saruman zint op een duivelsstreek om ons mee te begroeten. Misschien kookt hij alle wateren van de Isen, en is dat de reden waarom de rivier droogvalt.’
‘Misschien,’ zei Gandalf. ‘Morgen zullen we weten wat hij uitvoert. Laat ons nu een tijdje rusten, als wij kunnen.’
Zij overnachtten naast de bedding van de rivier de Isen; deze was nog altijd stil en ledig. Sommigen van hen sliepen wat. Maar laat in de nacht riepen de wachters, en iedereen werd wakker. De maan was verdwenen. Sterren schenen aan de hemel, maar over de grond kroop een duisternis zwarter dan de nacht. Aan beide kanten van de rivier kwam deze naar hen toe rollen, in noordelijke richting gaand.
‘Blijf waar je bent,’ zei Gandalf. ‘Trek geen wapenen. Wacht! Het zal langs jullie heen gaan.’
Mist trok zich rondom hen samen. Boven hun hoofden twinkelden nog flauw een paar sterren, maar aan beide kanten verrezen muren van ondoordringbare duisternis; zij bevonden zich op een nauw pad tussen bewegende torens van schaduw. Zij hoorden stemmen, gefluister en gekerm en een eindeloos ruisende zucht; de aarde schudde onder hun voeten. Het scheen hun toe dat zij daar lange tijd zaten en bang waren; maar ten slotte gingen de duisternis en het geluid voorbij, en verdwenen tussen de uitlopers van de bergen. Ver weg in het zuiden op de Hoornburg hoorde men midden in de nacht een groot geluid, als een wind in het dal, en de grond trilde; iedereen was bang en niemand durfde naar buiten te gaan. Maar in de ochtend gingen zij naar buiten en waren verbaasd, want de gesneuvelde orks waren verdwenen en de bomen ook. Helemaal beneden in het dal van de Diepte was het gras geknakt en bruin getrapt, alsof reusachtige herders daar grote kudden vee hadden laten grazen; maar een mijl voorbij de Dijk was een grote kuil in de aarde gegraven en daarboven waren stenen opgehoopt tot een heuvel. De mensen geloofden dat de orks die zij hadden gedood daar begraven waren, maar of zij die in het bos waren gevlucht daar ook lagen wist niemand, want geen mens zette ooit een voet op die heuvel. De Dodenheuvel werd hij naderhand genoemd, en er wilde geen gras op groeien. Maar de vreemde bomen zag men nooit weer in de Dieptekom terug; zij waren bij nacht teruggekeerd en waren ver weggegaan naar de donkere dalen van Fangorn. Op die manier wreekten zij zich op de orks.
De koning en zijn metgezellen sliepen die nacht niet meer, maar zagen of hoorden verder niets vreemds, behalve één ding: de stem van de rivier naast hen ontwaakte plotseling. Er klonk geruis van water dat tussen de stenen snelde; en toen het voorbij was, stroomde en borrelde de Isen weer in haar bedding zoals zij altijd had gedaan.
In de ochtend maakten zij zich gereed om te vertrekken. De dag brak grijs en bleek aan, en zij zagen de zonsopgang niet. Er hing een dichte mist in de lucht, en een vunzige lucht lag over het land rondom hen. Zij gingen langzaam en reden nu op de hoofdweg. Hij was breed en hard en goed onderhouden. Vaag konden zij door de nevels de lange arm van de bergen aan hun linkerzijde zien verrijzen. Zij waren de Nan Curunír, het Tovenaarsdal, in gegaan. Dat was een beschutte vallei, die alleen naar het zuiden openlag. Eens was zij mooi en groen geweest en de Isen stroomde erdoor, diep en krachtig al voor zij de vlakte bereikte, want zij werd door vele bronnen en kleinere stroompjes tussen de door regen bevloeide heuvels gevoed, en overal eromheen had aangenaam, vruchtbaar land gelegen.
Maar nu was dat anders. Onder aan de muren van Isengard lagen nog altijd velden die door de slaven van Saruman werden bebouwd, maar het grootste deel van de vallei was een wildernis van onkruid en doornen geworden. Braamstruiken slierden over de grond, of slingerden zich over bosjes en hellingen en vormden ruwe grotten waarin kleine dieren huisden. Er groeiden daar geen bomen, maar te midden van het weelderige gras waren nog de geblakerde en door bijlen stukgehakte stompen van oude bosjes te zien. Het was een triest land, stil op het steenachtige geluid van snelle wateren na. Rook en stoom dreven in sombere wolken en bleven in de holten hangen. De ruiters spraken niet. Velen twijfelden in hun hart en vroegen zich af tot welk naargeestig einde hun reis zou leiden.