Выбрать главу

Nadat zij enige mijlen hadden gereden, werd de hoofdweg een brede straat, geplaveid met grote platte stenen, vierkant en kunstig gelegd; geen grassprietje viel er tussen ook maar één voeg te bekennen. Diepe goten, gevuld met sijpelend water, liepen aan weerskanten. Plotseling rees een hoge zuil voor hen op. Deze was zwart en erbovenop stond een grote steen, bewerkt en beschilderd naar de gelijkenis van een lange witte hand. Zijn vinger wees naar het noorden. Zij wisten dat de poorten van Isengard nu niet ver weg meer konden zijn, en hun harten waren bezwaard, maar hun ogen konden de mist niet doorboren.

Onder de uitloper van de berg in het Tovenaarsdal had talloze jaren de oude plaats gelegen die de mensen Isengard noemden. Deze was gedeeltelijk gevormd door de bergen, maar de mensen van Westernisse hadden er vroeger machtige werken gewrocht; en Saruman had er lang gewoond en niet stilgezeten.

Zo zag het eruit toen Saruman op de top van zijn macht was, door velen als de leider van de tovenaars beschouwd. Een grote stenen ringmuur, als een hoge rotswand, stak een eind van de beschermende berghelling uit waar hij vandaan liep en weer naar terugkeerde. Er was slechts één ingang in gemaakt: een grote boog, uitgehakt in de zuidelijke muur. Hier was door de zwarte rots een lange tunnel gehouwen, aan beide zijden afgesloten met machtige deuren van ijzer. Zij waren zo gemaakt en in hun enorme hengsels opgehangen – posten van staal die in de levende rots waren gedreven – dat ze, wanneer ze ontgrendeld waren, met een lichte armbeweging geluidloos konden worden geopend. Iemand die er naar binnen ging en ten slotte uit de galmende tunnel kwam, zag een vlakte, een grote cirkel, enigszins uitgehold, als een enorme ondiepe kom: een mijl van rand tot rand. Eens was hij groen geweest en vol lanen en bosjes vruchtbomen, bevloeid door riviertjes die van de bergen naar een meer stroomden. Maar in de latere dagen van Saruman groeide er niets groens meer. De wegen waren geplaveid met plavuizen, donker en hard; en naast hun bermen stonden lange rijen pilaren in plaats van bomen, sommige van marmer, sommige van koper en van ijzer, door zware ketens met elkaar verbonden.

Er waren vele huizen, kamers, zalen en gangen, gegraven en naar binnen uitgehakt in de wanden, zodat talloze vensters en deuren op de open cirkel uitkeken. Duizenden konden daar wonen, arbeiders, bedienden, slaven en krijgers met grote wapenvoorraden; wolven werden gevoed en gehuisd in diepe kelders daaronder. In de vlakte waren ook gaten en gangen geboord. Schachten waren diep in de grond gedreven; de boveneinden waren met lage heuveltjes en stenen koepels bedekt, zodat de Kring van Isengard er in het maanlicht als een kerkhof van onrustige doden uitzag. Want de grond trilde. De schachten liepen langs vele hellingen en wenteltrappen naar grotten ver beneden; daar had Saruman schatten, opslagplaatsen, arsenalen, smederijen en grote ovens. IJzeren wielen wentelden er eindeloos rond, en hamers klonken er. ’s Nachts stegen rookpluimen uit de luchtopeningen op, vanonderen rood, blauw of giftig groen verlicht.

Alle wegen liepen tussen hun kettingen naar het centrum. Daar stond een wonderlijk gevormde toren. Deze was gemaakt door bouwmeesters van weleer, die de Kring van Isengard vlak hadden gemaakt, maar toch scheen het iets dat niet door mensenhanden was gemaakt, maar uit de beenderen van de aarde was gescheurd in de oude foltering van de heuvels. Het was een piek en een eiland van rots, zwart en hard glanzend: vier machtige pijlers van veelkantige steen waren tot één gesmeed, maar bij de top weken ze vaneen als gapende hoorns, hun pinakels scherp als de punten van speren, en randen vlijmend als messen. Daartussenin was een nauwe ruimte en daar, op een vloer van gepolijste steen, beschreven met vreemde tekens, kan men vijfhonderd voet boven de vlakte staan. Dit was Orthanc, de citadel van Saruman, waarvan de naam (bij toeval of met opzet) een dubbele betekenis had, want in de elfentaal betekent orthanc Klauwberg, maar in de oude taal van de Mark betekende het Geslepen Geest.

Isengard was een sterke wonderbaarlijke plaats, en lang was het mooi geweest. Eens hadden er grote heren gewoond, de beheerders van Gondor in het Westen, en wijze mannen die de sterren observeerden. Maar Saruman had het langzaam voor zijn eigen wisselende doeleinden omgevormd en verbeterd, naar hij meende. Ten onrechte – want heel zijn kunst en subtiele listen, waarvoor hij zijn vroegere wijsheid verzaakte, en waarvan hij graag aannam dat hij ze zelf bedacht had, kwamen uit Mordor, zodat wat hij maakte niets was, alleen maar een onbeduidende kopie, een speelgoedkasteel of een slaafse navolging van dat enorme fort, arsenaal, gevangenis, machtige oven, Barad-dûr, de Donkere Toren, die geen mededinger tolereerde en om vleierij lachte, zijn tijd afwachtend, veilig in zijn trots en zijn onmetelijke kracht.

Dit was, zo luidde het, de veste van Saruman, want sinds mensenheugenis waren de mensen van Rohan zijn poorten niet doorgegaan, op een paar na misschien, zoals Slangtong, die in het geheim kwamen en niemand vertelden wat ze zagen.

Nu reed Gandalf naar de grote zuil van de Hand en ging er voorlangs, en toen hij dat deed zagen de Ruiters tot hun verbazing dat de Hand niet langer wit bleek te zijn. Hij was bevlekt als door opgedroogd bloed, en toen ze nog scherper keken zagen ze dat de nagels rood waren. Onversaagd reed Gandalf verder in de mist en zij volgden hem met tegenzin. Alsof er een plotselinge wolkbreuk was geweest, stonden nu overal rondom hen grote plassen water naast de weg, die de kuilen vulden, en geulen slingerden zich tussen de stenen.

Ten slotte bleef Gandalf staan en wenkte hen; en zij kwamen en zagen dat de mist voor hen was opgetrokken en er een bleke zon scheen. Het middaguur was voorbij. Zij waren bij de deuren van Isengard aangekomen.

Maar de poorten lagen in verwrongen stukken op de grond. En overal eromheen lagen steenbrokken, ontelbare puntige splinters, her en der verspreid of op bouwvallige hopen gestapeld. De grote boog stond nog overeind, maar zij gaf nu toegang tot een dakloze afgrond: de tunnel was blootgelegd en in de rotsachtige wanden aan weerskanten liepen grote scheuren en barsten; hun torens waren tot stof vervallen. Als de Grote Zee vertoornd was opgerezen en deze heuvels met storm had overvallen, had de verwoesting niet groter kunnen zijn.

De kring daarachter was gevuld met stomend water; een borrelende kuip waarin resten van balken en palen, kisten en manden en gebroken werktuigen dreven en deinden. Verwrongen en scheve pilaren staken met hun versplinterde stompen boven de vloed uit, maar alle wegen waren ondergelopen. Ver weg, scheen het, half verhuld in kronkelende wolken, doemde de eilandrots op. Nog donker en hoog, ongebroken door de storm, stond de toren van Orthanc nog. Fletse wateren klotsten om zijn voet.

De koning en zijn gezelschap zaten zwijgend op hun paarden, verwonderd, en zagen dat de macht van Saruman omver was geworpen; maar hoe wisten zij niet. En nu richtten zij hun ogen op de boog en de verwoeste poorten. Daarnaast zagen zij een grote puinhoop; en plotseling zagen zij twee kleine figuurtjes die er op hun gemak lagen uitgestrekt, in het grijs gekleed, nauwelijks van de stenen te onderscheiden. Naast hen stonden flessen, nappen en borden, alsof ze zojuist stevig hadden gegeten en nu van hun inspanning uitrustten. Een scheen te slapen; de ander, die met gekruiste benen en armen onder het hoofd lag, leunde achterover tegen een gebroken rots en blies lange slierten en kleine kringetjes dunne blauwe rook uit.

Een ogenblik staarden Théoden en Éomer en al zijn manschappen hen verbaasd aan. Te midden van de verwoesting van Isengard vonden zij dit wel een heel vreemd gezicht. Maar voor de koning kon spreken, kreeg de kleine rook blazende figuur hen plotseling in de gaten, zoals zij daar zwijgend op de grens van de mist stonden. Hij sprong overeind. Het was een jongeman, of dat leek hij althans, hoewel nauwelijks half zo lang als een mens; zijn hoofd met bruin krullend haar was onbedekt, maar hij was gekleed in een door het reizen bevuilde mantel van dezelfde kleur en snit als de metgezellen van Gandalf hadden gedragen toen zij naar Edoras reden. Hij maakte een heel diepe buiging, waarbij hij zijn hand op zijn borst legde. Toen, want blijkbaar herkende hij de tovenaar en zijn vrienden niet, wendde hij zich tot Éomer en de koning.