Выбрать главу

‘Welkom, mijne heren, in Isengard!’ zei hij. ‘Wij zijn de poortwachters. Meriadoc, zoon van Saradoc, is mijn naam; en mijn metgezel, die helaas door vermoeidheid is overmand’ – hierop gaf hij de ander een por met zijn voet – ‘is Peregrijn, zoon van Paladijn, van het huis Toek. Ver in het noorden horen wij thuis. Heer Saruman is binnen, maar op het ogenblik heeft hij zich met ene Slangtong teruggetrokken, anders zou hij ongetwijfeld hier zijn geweest om zulke eerbiedwaardige gasten te begroeten.’

‘Ongetwijfeld!’ riep Gandalf lachend uit. ‘En was het Saruman die je heeft bevolen om zijn gehavende deuren te bewaken en naar de komst van gasten uit te kijken, wanneer je gelegenheid had om je bord en fles even te laten rusten?’

‘Nee, beste heer, de zaak is zijn aandacht ontsnapt,’ antwoordde Merijn ernstig. ‘Hij heeft het te druk gehad. Wij hebben onze orders van Boombaard ontvangen, die het bestuur van Isengard heeft overgenomen. Hij heeft mij gelast de Heer van Rohan met passende woorden welkom te heten. Ik heb mijn best gedaan.’

‘En je metgezellen? En Legolas en mij?’ riep Gimli uit, die zich niet langer kon inhouden. ‘Jullie schavuiten, jullie wolharige en wolvoetige spijbelaars! Jullie hebben ons mooi laten jagen! Zeshonderd mijl door moerassen en bossen, strijd en dood, om jullie te redden! En hier zitten jullie je vol te vreten en niets te doen – en te roken! Roken! Hoe zijn jullie aan het kruid gekomen, schurken? Wel allemachtig! Ik word zo heen en weer geslingerd tussen woede en vreugde, dat het een wonder mag heten dat ik niet barst!’

‘Je haalt me de woorden uit de mond, Gimli,’ zei Legolas lachend. ‘Hoewel ik liever zou willen weten hoe jullie aan die wijn zijn gekomen.’

‘Er is één ding dat jullie niet bij je achtervolging hebben gevonden, en dat is wat meer verstand,’ zei Pepijn, terwijl hij een oog opende. ‘Jullie treffen ons hier aan gezeten op een veld van overwinning te midden van de oorlogsbuit, en jullie vragen je af hoe wij aan een beetje welverdiende luxe zijn gekomen!’

‘Welverdiend?’ vroeg Gimli. ‘Dat kan ik niet geloven!’

De Ruiters lachten. ‘Er is geen twijfel aan dat wij de ontmoeting van goede vrienden meemaken,’ zei Théoden. ‘Dus dit zijn de verloren schapen van je gezelschap, Gandalf? De tijden zijn voorbestemd vol wonderen te zijn. Ik heb er al een hoop meegemaakt sinds ik mijn huis verliet; en nu staan daar weer legendarische lieden voor mijn ogen. Zijn dit geen halflingen, door sommigen Holbytlan genoemd?’

‘Hobbits alstublieft, heer,’ zei Pepijn.

‘Hobbits?’ vroeg Théoden. ‘Jullie taal is vreemd veranderd; maar de naam klinkt niet ongepast. Hobbits! Geen enkel verslag dat ik heb gehoord doet de waarheid recht.’

Merijn boog en Pepijn stond op en boog eveneens. ‘U bent genadig, heer; ik hoop tenminste dat ik uw woorden zo mag opvatten,’ zei hij. ‘En hier is nog een wonder! Ik heb door vele landen gezworven sinds ik mijn huis en haard heb verlaten, maar tot nu toe heb ik nog nooit lieden aangetroffen die een verhaal over hobbits hadden gehoord.’

‘Mijn volk is lang geleden uit het Noorden gekomen,’ zei Théoden. ‘Maar ik zal je niet bedriegen: wij kennen geen verhalen over hobbits. Het enige dat onder ons wordt verteld is dat ver weg, over vele heuvels en rivieren, het halflingenvolk woont dat in holen in duinen huist. Maar er bestaan geen legenden over hun daden, want men zegt dat ze weinig doen, en de aanblik van mensen vermijden, en in staat zijn om in een oogwenk te verdwijnen; en dat zij hun stemmen zo kunnen veranderen, dat het op het piepen van vogels lijkt. Maar het schijnt dat daar meer over te zeggen valt.’

‘Inderdaad, heer,’ zei Merijn.

‘In ieder geval,’ zei Théoden, ‘had ik niet gehoord dat zij rook uit hun mond blazen.’

‘Dat is niet verbazingwekkend,’ antwoordde Merijn, ‘want het is een kunst die wij slechts enige generaties geleden zijn gaan beoefenen. Het was Tobold Hoornblazer, uit Langebroek in het Zuiderkwartier, die als eerste het echte pijpkruid in zijn tuinen verbouwde, omtrent het jaar 1070 van onze jaartelling. Hoe de oude Toby aan de plant gekomen is...’

‘U kent het gevaar niet waarin u verkeert, Théoden,’ zei Gandalf, hem in de rede vallend. ‘Deze hobbits zien er geen been in om op de rand van een ruïne te zitten en de genoegens van de tafel of de kleine gebeurtenissen van hun vaders, grootvaders, overgrootvaders en verre neven in de negende graad te bespreken, als je ze met overmatig geduld aanmoedigt. Een andere keer zal geschikter zijn voor de geschiedenis van het roken. Waar is Boombaard, Merijn?’

‘Aan de noordkant, geloof ik. Hij is weggegaan om te drinken – schoon water. De meesten van de andere enten zijn bij hem, nog druk aan hun werk – daarginds.’ Merijn wuifde met zijn hand naar het stomende meer; en toen zij keken hoorden ze in de verte gerommel en geratel alsof er een steenlawine van de berghelling afviel. Ver weg klonk een hoem-hom als van hoorns die triomfantelijk schetterden.

‘En is Orthanc dan onbewaakt achtergelaten?’ vroeg Gandalf.

‘Daar is het water,’ zei Merijn. ‘Maar Vlugstraal en enkele anderen bewaken het. Niet al die palen en zuilen in de vlakte zijn door Saruman geplant. Vlugstraal is, geloof ik, bij de rots, bij de voet van de trap.’

‘Ja, daar staat een lange grijze ent,’ zei Legolas, ‘maar zijn armen hangen langs zijn lichaam en hij staat stokstijf als een deurboom.’

‘Het is al middag geweest,’ zei Gandalf, ‘en wij hebben in ieder geval sinds vanmorgen vroeg niets gegeten. Toch wil ik Boombaard zo gauw mogelijk spreken. Heeft hij geen boodschap voor me achtergelaten, of hebben bord en fles je die doen vergeten?’

‘Hij heeft een boodschap achtergelaten,’ zei Merijn, ‘en ik was er bijna aan toe, maar ik werd door vele andere vragen opgehouden. Ik moest zeggen dat, als de Heer van de Mark en Gandalf naar de noordelijke muur willen rijden, zij Boombaard daar zullen aantreffen, en dat hij hen zal verwelkomen. Ik kan er wel aan toevoegen dat zij daar ook voortreffelijk eten zullen vinden; het werd ontdekt en uitgekozen door uw onderdanige dienaren.’ Hij maakte een buiging.

Gandalf lachte. ‘Dat klinkt beter,’ zei hij. ‘Welnu, Théoden, wilt u met me meerijden om Boombaard op te zoeken? Wij moeten omrijden, maar het is niet ver. Wanneer u Boombaard ziet, zult u veel te weten komen, want Boombaard is Fangorn, en de oudste en het hoofd van de enten, en wanneer u met hem spreekt, zult u de stem van de oudste van alle levende wezens horen.’

‘Ik zal met je meegaan,’ zei Théoden. ‘Vaarwel, hobbits. Mogen wij elkaar weer bij mij thuis ontmoeten! Daar zullen jullie naast mij zitten en mij alles vertellen wat jullie hart begeert: de daden van jullie voorouders, voorzover je je die kunt herinneren; en wij zullen ook over Tobold de Oude en zijn kruidkunde spreken. Vaarwel!’ De hobbits maakten een diepe buiging. ‘Dus dat is de koning van Rohan,’ zei Pepijn zacht. ‘Een fidele oude baas. Heel beleefd.’

IX. Wrakhout

Gandalf en het gezelschap van de koning reden weg en sloegen naar het oosten af om langs de ingestorte muren van Isengard te rijden. Maar Aragorn, Gimli en Legolas bleven achter. Zij lieten Arod en Hasufel loslopen om naar gras te zoeken en gingen zelf naast de hobbits zitten.

‘Hè, hè! De achtervolging is voorbij en eindelijk ontmoeten wij elkaar weer op een plaats waarvan geen van ons ooit had gedacht dat hij daar nog eens zou komen,’ zei Aragorn.

‘En nu de groten gewichtige zaken zijn gaan bespreken,’ zei Legolas, ‘kunnen de jagers misschien de antwoorden op hun eigen kleine raadsels te weten komen. Wij zijn jullie tot aan het bos gevolgd, maar er zijn nog veel dingen waarover ik de waarheid zou willen weten.’

‘En er is ook een hoop dat wij van jullie willen weten,’ zei Merijn. ‘We zijn een aantal dingen door Boombaard, de oude ent, te weten gekomen, maar dat is bij lange na niet genoeg.’