‘Alles op z’n tijd,’ zei Legolas. ‘Wij waren de jagers, en jullie moeten in de eerste plaats maar eens verslag van jullie wederwaardigheden uitbrengen.’
‘Of in de tweede plaats,’ zei Gimli. ‘Het zou beter gaan na een maaltijd. Ik heb pijn in mijn hoofd; en het middaguur is al voorbij. Jullie, spijbelaars, mochten ’t weleens goedmaken door ons wat van de buit te geven waar je het over had. Eten en drinken zouden iets van jullie schuld aan mij vereffenen.’
‘Dan zul je het krijgen,’ zei Pepijn. ‘Wil je het hier hebben of onder gerieflijker omstandigheden in wat er over is van Sarumans wachthuis – daarginds onder de boog? Wij moesten hierbuiten picknicken om een oog op de weg te houden.’
‘Nog minder dan een oog,’ zei Gimli. ‘Maar ik weiger om een orkhuis binnen te gaan, of vlees van orks of ook maar iets dat zij hebben verscheurd aan te raken.’
‘Wij zouden je niet vragen dat te doen,’ zei Merijn. ‘We hebben voor de rest van ons leven onze buik vol van orks. Maar er zijn veel andere lieden hier in Isengard geweest. Saruman was wel zo verstandig om zijn orks niet te vertrouwen. Hij had mensen om zijn poorten te bewaken: enkelen van zijn trouwste dienaren, veronderstel ik. In elk geval werden zij bevoordeeld en kregen goede proviand.’
‘En pijpkruid?’ vroeg Gimli.
‘Nee, dat denk ik niet,’ zei Merijn lachend. ‘Maar dat is een ander verhaal, dat tot na het noenmaal kan wachten.’
De hobbits gingen voor; zij liepen onder de boog door en kwamen bij een brede deur aan de linkerkant, boven aan een trap. Deze kwam rechtstreeks op een groot vertrek uit, met kleinere deuren aan het andere eind, en een schoorsteen en schouw aan één kant. Het vertrek was uit de rots gehouwen en moest eens donker zijn geweest, want de ramen ervan kwamen slechts op een tunnel uit. Maar nu kwam er licht naar binnen door het vernielde dak. In de grote haard brandde een vuur.
‘Ik heb een vuurtje aangelegd,’ zei Pepijn. ‘Dat heeft ons in de mist opgevrolijkt. Er waren een paar takkenbossen in de buurt, maar het grootste deel van het hout dat we konden vinden was nat. Maar de schoorsteen trekt geweldig; hij schijnt helemaal door de rots naar boven te lopen en gelukkig is hij niet verstopt geraakt. Een vuur is handig. Ik zal wat brood voor jullie roosteren. Ik vrees dat het brood drie of vier dagen oud is.’
Aragorn en zijn metgezellen gingen aan het ene einde van een lange tafel zitten en de hobbits verdwenen door een van de deuren in het vertrek.
‘De provisiekamer is daar, en gelukkig veilig voor overstromingen,’ zei Pepijn, toen ze terugkwamen, beladen met borden, kommen, bekers, messen en verschillende soorten voedsel.
‘En je hoeft je neus niet op te trekken voor de mondvoorraad, meester Gimli,’ zei Merijn. ‘Dit is geen orkvoer, maar menseneten, zoals Boombaard het noemt. Wil je wijn of bier hebben? Er is daarbinnen een vat – lang niet gek. En dit is eersteklas gezouten varkensvlees. Of ik kan een paar plakken spek voor je snijden en die bakken, als je wilt. Het spijt me dat er geen verse groente is: de bezorging heeft de afgelopen dagen nogal wat te wensen overgelaten. Ik kan je daarna niets anders aanbieden dan boter en honing voor op het brood. Ben je tevreden?’
‘Ja, werkelijk,’ zei Gimli. ‘De schuld is aanzienlijk verminderd.’
Het drietal was weldra druk aan het eten en de twee hobbits vonden het geen enkel probleem om nog eens mee te doen. ‘Wij moeten onze gasten gezelschap houden,’ zeiden ze.
‘Jullie zijn vandaag wel bijzonder beleefd,’ zei Legolas lachend. ‘Maar misschien zouden jullie nu mekaar weer gezelschap hebben gehouden als wij niet waren aangekomen.’
‘Misschien wel, en waarom niet?’ vroeg Pepijn. ‘We hebben weinig te eten gehad bij de orks, en daarvoor was het ook al geen vetpot. Het schijnt lang geleden sinds we naar hartelust konden eten.’
‘Het schijnt jullie helemaal geen kwaad te hebben gedaan,’ zei Aragorn. ‘Jullie zien er werkelijk als toonbeelden van gezondheid uit.’
‘Ja, echt waar,’ zei Gimli, terwijl hij hen boven zijn beker van top tot teen bekeek. ‘Lieve help, jullie haar is twee keer zo dik en krullend als toen wij afscheid namen; en ik zou erop kunnen zweren dat jullie beiden een beetje zijn gegroeid, als dat mogelijk is voor hobbits van jullie leeftijd. Die Boombaard heeft jullie in ieder geval niet laten verhongeren.’
‘Dat heeft hij ook niet,’ zei Merijn. ‘Maar enten drinken alleen maar, en drinken is niet genoeg om je tevreden te voelen. Al zijn Boombaards dranken voedzaam, je voelt toch behoefte aan iets hartigers. En zelfs iets anders dan lembas is helemaal niet gek voor de verandering.’
‘Zo, dus jullie hebben van de wateren van de enten gedronken,’ zei Legolas. ‘Ha, dan ziet het ernaar uit dat Gimli’s ogen hem niet bedriegen. Vreemde liederen zijn er gezongen over de dranken van Fangorn.’
‘Er zijn vele vreemde verhalen over dat land verteld,’ zei Aragorn. ‘Ik ben er nooit geweest. Kom, vertel er eens meer van, en over de enten.’
‘Enten,’ zei Pepijn. ‘Enten zijn – nou, eh, enten zijn in ieder geval helemaal anders. Neem hun ogen bijvoorbeeld, hun ogen zijn heel vreemd.’ Hij zocht aarzelend naar een paar woorden, die op stilte uitliepen. ‘Nou, goed,’ vervolgde hij, ‘jullie hebben er al een paar in de verte gezien – in ieder geval hebben ze jullie gezien en bericht dat jullie onderweg waren – en jullie zullen nog veel anderen zien, verwacht ik, voordat jullie hiervandaan gaan. Jullie moeten zelf maar zien wat je van ze vindt.’
‘Nou, nou,’ zei Gimli. ‘We beginnen het verhaal in het midden. Ik zou het in de juiste volgorde willen horen, te beginnen met die vreemde dag toen ons Reisgenootschap uiteenviel.’
‘Dat zul je ook, als er tijd voor is,’ zei Merijn. ‘Maar eerst – als jullie klaar zijn met eten – moeten jullie je pijp stoppen en opsteken. En dan kunnen we een poosje doen alsof we allemaal weer veilig in Breeg of in Rivendel terug zijn.’
Hij haalde een kleine leren tabakszak tevoorschijn, vol met tabak. ‘We hebben er hopen van,’ zei hij, ‘en jullie mogen allemaal net zoveel meenemen als je wilt wanneer wij weggaan. We hebben vanmorgen wat bergingswerk verricht, Pepijn en ik. Er drijven hopen dingen rond. Pepijn heeft twee kleine vaten gevonden, vermoedelijk aangespoeld uit een of andere kelder of opslagplaats. Toen we ze openmaakten, zagen we dat ze gevuld waren met dit spuclass="underline" het fijnste pijpkruid dat je je maar kunt wensen, en volkomen onbedorven.’
Gimli haalde er wat uit en wreef het fijn in de palm van zijn hand en rook eraan. ‘Het voelt goed aan en het ruikt goed,’ zei hij.
‘Het is ook goed!’ zei Merijn. ‘Waarde Gimli, het is Langebroekblad! Het merk Hoornblazer was in de vaten gebrand, zo duidelijk als het maar kan. Hoe het hier gekomen is weet ik niet. Vermoedelijk voor Sarumans eigen gebruik. Ik heb nooit geweten dat het zo ver van huis werd gestuurd. Maar het komt nu goed van pas.’
‘Dat zou zo zijn,’ zei Gimli, ‘als ik er een pijp voor had. Helaas heb ik de mijne in Moria of al eerder verloren. Zit er geen pijp bij jullie buit?’
‘Nee, het spijt me,’ zei Merijn. ‘We hebben niets gevonden, zelfs hier niet in de kamers van de wachters. Saruman heeft deze lekkernij voor zichzelf bewaard, schijnt het. En ik geloof niet dat het iets zou uithalen om bij Orthanc aan te kloppen om hem om een pijp te vragen! We zullen de pijpen moeten delen, als goede vrienden doen in geval van nood.’
‘Wacht eens even!’ zei Pepijn. Hij stak zijn hand in het binnenste van zijn vest en haalde er een klein zacht zakje aan een koord uit. ‘Ik bewaar een paar schatten op mijn huid die mij even dierbaar zijn als ringen. Hier is er een: mijn oude houten pijp. En hier is er nog een: een ongebruikte. Ik heb er een heel eind mee rondgesjouwd, hoewel ik niet weet waarom. Ik heb nooit echt verwacht onderweg nog eens pijpkruid te zullen aantreffen wanneer mijn eigen voorraad op was. Maar nu komt hij in elk geval goed van pas.’ Hij hield een kleine pijp met een platte kop omhoog en gaf die aan Gimli. ‘Vereffent dat onze schuld?’ vroeg hij.