‘Vereffenen!’ riep Gimli uit. ‘Alleredelste hobbit, ik sta daardoor zwaar bij je in het krijt.’
‘Kom, ik ga weer naar buiten om te zien wat de wind en de hemel doen!’ zei Legolas.
‘Wij gaan met je mee!’ zei Aragorn.
Ze liepen naar buiten en gingen op de steenhoop voor de poort zitten. Ze konden nu ver het dal in kijken; de nevel begon op te trekken en werd door een briesje weggewaaid.
‘Laten we hier een tijdje op ons gemak blijven zitten!’ zei Aragorn. ‘We zullen op de rand van de verwoesting gaan zitten praten, zoals Gandalf zegt, terwijl hij ergens anders druk bezig is. Ik voel mij zo moe als ik me zelden eerder heb gevoeld.’ Hij sloeg zijn grijze mantel om zich heen, zijn hemd van maliën verbergend, en strekte zijn lange benen uit. Toen ging hij achteroverliggen en zijn lippen bliezen een dun sliertje rook uit.
‘Kijk!’ zei Pepijn. ‘Stapper de Doler is teruggekomen!’
‘Hij is nooit weggeweest,’ zei Aragorn. ‘Ik ben Stapper, maar ook Dúnadan, en ik hoor zowel in Gondor als in het Noorden thuis.’
Zij rookten een tijdje in stilte en de zon scheen op hen neer; zij viel schuin het dal in tussen witte wolken hoog in het westen. Legolas lag stil met vaste blik naar zon en hemel te kijken en zachtjes in zichzelf te zingen. Eindelijk ging hij rechtop zitten. ‘Vooruit nu!’ zei hij. ‘De tijd verstrijkt en de mist trekt op, tenminste dat zou-ie, als jullie je niet in rook hulden. Hoe zit het nu met het verhaal?’
‘Nou, mijn verhaal begint ermee dat ik in het donker wakker word en merk dat ik aan handen en voeten gebonden in een orkkamp ben,’ zei Pepijn. ‘Laat eens kijken, wat is het vandaag?’
‘De vijfde maart volgens de Gouwtelling,’ zei Aragorn.
Pepijn rekende iets op zijn vingers uit. ‘Pas negen dagen geleden!’ zei hij. ‘Het lijkt wel een jaar geleden sinds wij gevangen werden genomen. Hoewel de helft ervan een boze droom scheen, schat ik dat er drie verschrikkelijke dagen op gevolgd zijn. Merijn zal me wel verbeteren als ik iets belangrijks vergeet; ik ben niet van plan in bijzonderheden te treden: de zwepen, het vuil en de stank en dergelijke; het is te erg om je te herinneren.’ Hierop begon hij ineens met een relaas over Boromirs laatste gevecht en de orkmars van de Emyn Muil naar het Woud. De anderen knikten als bepaalde punten met hun vermoedens overeenstemden.
‘Hier zijn enkele kostbaarheden die je hebt laten vallen,’ zei Aragorn. ‘Je zult ze wel terug willen hebben.’ Hij gespte zijn riem onder zijn mantel los, en haalde twee messen in scheden tevoorschijn. ‘Allemachtig!’ zei Merijn. ‘Ik had nooit gedacht dat ik die nog eens terug zou zien! Ik heb een paar orks met de mijne bewerkt, maar Uglúk heeft ze van ons afgenomen. Hij was ziedend! Eerst dacht ik dat hij me zou doodsteken, maar hij gooide de dingen weg alsof hij zijn vingers had gebrand.’
‘En hier is ook je broche, Pepijn,’ zei Aragorn. ‘Ik heb haar veilig bewaard, want ze is zeer kostbaar.’
‘Ik weet het,’ zei Pepijn. ‘Het was hard om haar achter te laten, maar wat kon ik anders doen?’
‘Niets anders,’ zei Aragorn. ‘Iemand die in nood geen afstand van een sieraad kan doen is gekluisterd. Je hebt er goed aan gedaan.’
‘Het doorsnijden van de koorden om je handen was een knap staaltje,’ zei Gimli. ‘Je hebt geluk gehad, maar je hebt je kans met beide handen aangegrepen, zou men kunnen zeggen.’
‘En ons voor een lastig raadsel gesteld,’ zei Legolas. ‘Ik vroeg me af of je vleugels had gekregen.’
‘Jammer genoeg niet,’ zei Pepijn. ‘Maar jullie wisten ook niet van Grishnákh.’ Hij huiverde en zweeg en liet het aan Merijn over om die laatste afschuwelijke ogenblikken te vertellen: de strelende handen, de hete adem en de vreselijke kracht van Grishnákhs harige armen.
‘Dit alles over de orks uit Mordor of Lugbúrz, zoals zij het noemen, geeft me een onbehaaglijk gevoel,’ zei Aragorn. ‘De Zwarte Heer wist al te veel, en zijn dienaren ook: en Grishnákh heeft blijkbaar na de ruzie een boodschap over de Rivier gestuurd. Het Rode Oog zal nu op Isengard gericht zijn. Maar Saruman zit lelijk in zijn eigen val.’
‘Ja, welke partij ook wint, zijn toekomst ziet er somber uit,’ zei Merijn. ‘Van het moment af dat zijn orks voet in Rohan zetten, zijn de zaken voor hem misgelopen.’
‘Wij hebben de oude schurk heel even gezien, dat beweert Gandalf althans,’ zei Gimli. ‘Aan de rand van het Woud.’
‘Wanneer was dat?’ vroeg Pepijn.
‘Vijf nachten geleden,’ zei Aragorn.
‘Laat me eens zien,’ zei Merijn, ‘vijf nachten geleden – nu komen we aan een deel van het verhaal waar je niets van af weet. Wij ontmoetten Boombaard die morgen na de slag; en die nacht waren we in de Wellingzaal – een van zijn enthuizen. De volgende ochtend gingen we naar de Entmoet – dat wil zeggen, een vergadering van enten en het vreemdste dat ik van mijn leven heb gezien. Die duurde die hele dag en de volgende; en wij logeerden ’s nachts bij een ent, Vlugstraal genaamd. En toen, laat in de middag op de tweede dag van hun Moet, raakten de enten plotseling in vuur en vlam. Het was verbazingwekkend! Het Woud was even broeierig geweest alsof zich daarbinnen een onweer samentrok; toen barstte het plotseling los. Ik wou dat je hen had kunnen horen zingen terwijl ze marcheerden.’
‘Als Saruman het had gehoord, zou hij nu honderd mijl ver weg zijn, al had hij op zijn eigen benen moeten rennen,’ zei Pepijn.
‘Al is Isengard ook sterk en hard en koud als steen en kaal als been: We gaan ten strijde, en hakken op steen en deuren in!
Er was nog veel meer. Het grootste gedeelte van het lied had geen woorden, en klonk als muziek van hoorns en trommels. Het was erg opwindend. Maar ik dacht dat het gewoon marsmuziek was en meer niet – gewoon maar een lied, totdat ik hier aankwam. Nu weet ik wel beter.’
‘Wij kwamen over de laatste bergrug naar de Nan Curunír, nadat de avond gevallen was,’ vervolgde Merijn. ‘Toen kreeg ik voor de eerste keer het gevoel dat het bos achter ons aanliep. Ik dacht dat ik droomde, maar Pepijn had het ook opgemerkt. Wij waren allebei bang, maar pas later zijn we er meer over aan de weet gekomen.
Het waren de Huorns; zo noemen de enten ze tenminste in “korte taal”. Boombaard wil niet veel over hen loslaten, maar ik denk dat het enten zijn die bijna bomen zijn geworden, althans om te zien. Ze staan hier en daar in het bos of aan de rand ervan, stil, eindeloos over de bomen uit te staren; maar diep in de donkerste dalen zijn er honderden en honderden, geloof ik.
Er huist een grote macht in hen en ze schijnen zich in schaduw te kunnen hullen: het is moeilijk hen te zien bewegen. Maar ze doen het wel. Ze kunnen zich erg vlug bewegen als ze boos zijn. Je staat stil naar de lucht te kijken, misschien, of naar het ruisen van de wind te luisteren en dan ineens merk je dat je midden in een bos bent met grote grijpende bomen overal om je heen. Ze hebben nog stemmen en kunnen met de enten spreken – daarom worden ze Huorns genoemd, zegt Boombaard – maar ze zijn vreemd en wild geworden. Gevaarlijk. Ik zou doodsbang zijn om ze tegen te komen als er geen echte enten in de buurt waren om ze in de gaten te houden.
Nu dan, aan het begin van de nacht kropen we door een lang ravijn naar omlaag naar het andere eind van het Tovenaarsdal, de enten met al hun ruisende Huorns erachteraan. Wij konden ze natuurlijk niet zien, maar de lucht was vervuld van gekraak. Het was een heel donkere, bewolkte nacht. Ze liepen zeer snel zodra ze de heuvels hadden verlaten, en maakten een geluid als ruisende wind. De maan brak niet door de wolken en niet lang na middernacht stond er een hoog bos helemaal om het noordelijke eind van Isengard heen. Er was geen teken van vijanden of van een uitdaging te bekennen. Er straalde licht uit een hoog raam in de toren, dat was alles.
Boombaard en nog een paar andere enten kropen verder, helemaal rond tot ze binnen het zicht van de grote poorten waren. Pepijn en ik waren bij hem. We zaten op Boombaards schouders, en ik kon hem van spanning voelen trillen. Maar ook als ze in actie zijn gekomen, kunnen enten toch heel voorzichtig en geduldig zijn. Ze stonden stil als stenen beelden te ademen en te luisteren.