Toen ineens was er een geweldige beroering. Trompetten schalden en de muren van Isengard weerkaatsten het. We dachten dat we ontdekt waren en dat de strijd op het punt stond te beginnen. Maar dat was het helemaal niet. Al Sarumans lieden marcheerden weg. Ik weet niet veel van deze oorlog of van de Ruiters van Rohan af, maar Saruman schijnt de koning en al zijn mannen in een laatste slag omver te hebben willen werpen. Isengard stroomde leeg. Ik zag de vijand gaan: eindeloze rijen marcherende orks en hele troepen die op grote wolven zaten. En er waren ook bataljons mensen. Velen van hen droegen fakkels, en in het schijnsel ervan kon ik hun gezichten zien. De meesten waren gewone mensen, nogal lang, met donker haar en somber, maar ze zagen er niet bijzonder kwaadaardig uit. Maar er waren anderen bij die afzichtelijk waren: even groot als mensen, maar met gezichten van aardmannen: vuilgeel, loensend, met scheefstaande ogen. Weet je, zij deden mij meteen aan die zuiderling in Breeg denken; alleen leek hij niet zo duidelijk op een ork als de meesten van hen.’
‘Ik heb ook aan hem gedacht,’ zei Aragorn. ‘Wij hebben bij de Helmsdiepte met veel van deze half-orks te maken gehad. Het lijkt nu wel duidelijk dat de zuiderling een van Sarumans spionnen was; maar of hij met de Zwarte Ruiters samenwerkte of alleen voor Saruman, weet ik niet. Het is moeilijk bij deze boosaardige lieden te zeggen wanneer ze samenspannen en wanneer ze elkaar bedriegen.’
‘Nu, alles bij elkaar moeten het er minstens tienduizend zijn geweest,’ zei Merijn. ‘Het duurde een uur voor ze de poort door waren. Sommigen gingen de hoofdweg langs naar de Voorden, maar anderen bogen ervan af en gingen naar het oosten. Er is daar een brug gebouwd, ongeveer drie mijl hiervandaan, waar de rivier in een heel diep kanaal loopt. Je zou hem nu kunnen zien, als je opstond. Ze zongen allemaal met rauwe stemmen en lachten en maakten een vreselijk kabaal. Ik dacht dat de zaken er heel zwart voor Rohan uitzagen. Maar Boombaard verroerde zich niet. Hij zei: “Ik heb vanavond iets met Isengard af te rekenen, met rots en steen.”
En hoewel ik niet kon zien wat er in het donker gebeurde, geloof ik dat de Huorns naar het zuiden begonnen te trekken zodra de poorten weer waren gesloten. Ik vermoed dat zij met orks gingen afrekenen. Ze waren de volgende morgen ver het dal in; of in elk geval was er een schaduw waar je niet doorheen kon zien.
Zodra Saruman zijn hele leger had weggestuurd, was de beurt aan ons. Boombaard zette ons neer en ging naar de poorten en begon op de deuren te bonzen en om Saruman te roepen. Er kwam geen antwoord, behalve pijlen en stenen van de muren. Maar pijlen halen niets uit tegen enten. Ze doen ze natuurlijk wel pijn en maken hen woedend; zoals stekende vliegen doen. Maar je kunt een ent volprikken met orkpijlen als een speldenkussen zonder dat hem dit veel kwaad doet. Ze kunnen in ieder geval niet vergiftigd worden; en hun huid schijnt heel dik te zijn en taaier dan bast. Er is een heel zware klap met een bijl voor nodig om ze ernstig te verwonden. Zij houden niet van bijlen. Maar er zouden heel wat bijldragers voor nodig zijn om een ent te vernietigen: iemand die een keer op een ent inhakt krijgt nooit meer de kans dat nog eens te doen. Een stoot van een entvuist doet ijzer ineenschrompelen als bladtin.
Toen Boombaard een paar pijlen in zich had, begon hij op te warmen, werkelijk “haastig” te worden, zoals hij pleegt te zeggen. Hij deed een machtig hoem-hom weerschallen, en er kwamen nog twaalf enten aangeschreden. Een boze ent is angstaanjagend. Hun vingers en tenen vriezen eenvoudig aan de rots vast en zij scheuren die stuk als een broodkorst. Het was alsof je het werk van grote boomwortels van honderd jaar gadesloeg, allemaal in enkele ogenblikken samengebald.
Ze duwden, trokken, scheurden, schudden en hamerden en klangbeng, krik-krak, in vijf minuten lagen deze enorme poorten eenvoudig in puin. En sommigen begonnen de muren al te ondergraven, als konijnen in een zandhoop. Ik weet niet wat Saruman dacht dat er aan de hand was, maar in elk geval wist hij niet wat hij ertegen moest doen. Zijn tovenarij is misschien de laatste tijd wat verzwakt, natuurlijk; maar in ieder geval heeft hij niet veel pit, niet veel gewone moed als hij alleen is op een hachelijke plaats zonder een hoop slaven en machines en zo, als je begrijpt wat ik bedoel. Heel anders dan de ouwe Gandalf. Ik vraag me af of zijn beroemdheid niet uitsluitend berust op zijn handigheid om zich in Isengard te vestigen.’
‘Nee,’ zei Aragorn. ‘Eens deed hij zijn roem werkelijk eer aan. Zijn kennis was grondig, zijn denken subtiel en zijn handen wonderbaarlijk vaardig; en hij bezat macht over het denken van anderen. De wijzen kon hij overhalen, en de kleinere lieden kon hij ontmoedigen. Die macht bezit hij ongetwijfeld nog. Er zijn er niet velen in Midden-aarde die ik veilig zou achten als zij alleen met hem zouden moeten praten, zelfs nu na zijn nederlaag. Gandalf, Elrond en Galadriel misschien, nu zijn slechtheid is blootgelegd, maar heel weinig anderen.’
‘De enten zijn veilig,’ zei Pepijn. ‘Hij schijnt hen eens te hebben omgepraat, maar daarna nooit meer. En in ieder geval begreep hij ze niet; en hij beging een grote fout door geen rekening met hen te houden. Hij had geen plan voor hen en er was ook geen tijd om er een te maken toen ze eenmaal aan het werk waren gegaan. Zodra onze aanval begon, vluchtten de paar overgebleven ratten in Isengard door elk gat dat de enten hadden gemaakt. De enten lieten de mensen gaan nadat zij hen hadden ondervraagd; twee of drie dozijn slechts aan deze kant. Ik denk niet dat er veel orklieden, van welk formaat ook, zijn ontsnapt. Niet aan de Huorns: tegen die tijd was er een heel bos van hen om Isengard heen, en ook niet van degenen die de vallei in waren gegaan.
Toen de enten een groot deel van de zuidelijke muren hadden verpulverd en de rest van zijn volk was gevlucht en hem in de steek had gelaten, vluchtte Saruman in paniek. Hij schijnt bij de poorten te zijn geweest, toen wij er aankwamen; ik denk dat hij naar de uittocht van zijn schitterende leger kwam kijken. Toen de enten binnenvielen, ging hij haastig weg. Eerst zagen zij hem niet. Maar de nacht was helder geworden en het sterrenlicht was sterk genoeg voor de enten om bij te zien, en plotseling slaakte Vlugstraal een kreet. “De boomdoder! De boomdoder!” Vlugstraal is een zachtaardig wezen, maar hij haat Saruman er des te meer om: zijn volk had wreed van orkbijlen te lijden gehad. Hij sprong het pad af dat van de binnenste poort leidde, en hij is vlug als de wind als hij zich opwindt. Een bleke figuur rende tussen de schaduwen van de pilaren en had bijna de trap naar de deur van de toren bereikt. Dat lukte op het nippertje. Vlugstraal zat hem zo dicht op de hielen, dat hij hem op een paar stappen na bijna had gegrepen en geworgd, toen hij door de deur naar binnen glipte.
Toen Saruman veilig in Orthanc terug was, duurde het niet lang voordat hij een deel van zijn prachtige machinerie in werking stelde. Tegen die tijd waren er vele enten in Isengard; sommigen waren Vlugstraal gevolgd en anderen waren uit het noorden en oosten doorgebroken; zij dwaalden rond en richtten een hoop schade aan. Plotseling kwamen er vlammen en smerige dampen uit de grond; de luchtkokers en schachten over de gehele vlakte begonnen te spuiten en te braken. Verscheidene enten werden verschroeid en verbrand. Een van hen, Beukbeen denk ik dat hij genoemd werd, een hele lange knappe ent, kwam in een straal van een of ander vloeibaar vuur terecht en brandde als een fakkeclass="underline" een afgrijselijk gezicht.
Dat maakte hen razend. Ik dacht dat ze al eerder echt boos waren gemaakt, maar ik had het mis. Ik zag eindelijk hoe ze in werkelijkheid konden zijn. Het was overweldigend. Zij brulden en schreeuwden en trompetterden, totdat stenen alleen al door de herrie ervan begonnen te barsten en neer te vallen. Merijn en ik lagen op de grond en bedekten onze oren met onze jassen. De enten beenden almaar rond de rots van Orthanc en bestormden hem als een brullende stormwind, pilaren brekend, lawines van zwerfkeien door de schachten werpend, enorme stukken steen als blaadjes in de lucht gooiend. De toren stond midden in een kolkende orkaan. Ik zag ijzeren stijlen en blokken metselwerk tientallen meters de lucht in schieten en de ramen van Orthanc breken. Maar Boombaard hield het hoofd koel. Hij had gelukkig geen ernstige brandwonden. Hij wilde niet dat zijn volk zich in zijn woede zou bezeren en hij wilde niet dat Saruman in de verwarring uit een of ander hol zou ontsnappen. Velen van de enten wierpen zich tegen de rots van Orthanc; maar daar konden ze niets tegen uitrichten. Die is heel glad en hard. Misschien schuilt er tovenarij in, ouder en sterker dan die van Saruman. In ieder geval konden ze er geen houvast aan krijgen, of er een scheur in maken; en zij bezeerden en verwondden zich eraan.