Isengard begon nu vol te lopen met zwarte sijpelende stroompjes en poelen. Ze schitterden in de laatste stralen van de maan toen ze zich over de vlakte verspreidden. Nu en dan liep het water naar beneden in een schacht of spuigat. Grote pluimen witte stoom stegen er sissend uit op. Rook steeg op in grote wolken. Er waren ontploffingen en vuurstralen. Een grote kurkentrekker van damp schoot omhoog en wond zich om Orthanc heen, tot hij op een hoge wolkpiek leek, vanonderen vurig en vanboven door de maan beschenen. En er kwam nog meer water in stromen totdat Isengard er ten slotte uitzag als een grote platte koekenpan, overal dampend en borrelend.’
‘Wij hebben gisteravond in het zuiden een wolk van rook en stoom gezien, toen we bij de mond van de Nan Curunír kwamen,’ zei Aragorn. ‘Wij vreesden dat Saruman een nieuw duivels plan voor ons aan het uitbroeden was.’
‘Hij niet,’ zei Pepijn. ‘Hij kreeg het behoorlijk benauwd, en het lachen was hem vergaan. Tegen de morgen, gisterochtend, was het water in alle gaten gestroomd, en er hing een dichte mist. Wij namen onze toevlucht in die wachtkamer daarginds en werden behoorlijk bang. Het meer begon te overstromen en door de oude tunnel naar buiten te lopen, en het water steeg snel op de trap. Wij dachten dat we gevangen zouden zijn als orks in een hol, maar we zagen een wenteltrap achter in de voorraadkamer die ons boven op de boog van de poort bracht. Het was persen geblazen om naar buiten te komen, omdat de gangen waren gescheurd en bovenaan half door neergestorte stenen waren geblokkeerd. Daar zaten wij hoog boven de vloed en zagen hoe Isengard werd overstroomd. De enten bleven er almaar meer water in storten, tot alle vuren waren gedoofd en iedere grot was gevuld. De dampen trokken langzaam samen en stegen op tot een hoge paddestoel van wolken: die moet meer dan drie mijl hoog zijn geweest. ’s Avonds was er een grote regenboog boven de oostelijke heuvels en toen werd de ondergaande zon onzichtbaar door een dikke motregen op de berghellingen. Alles werd heel stil. Een paar wolven huilden jammerlijk in de verte. ’s Nachts maakten de enten een einde aan de toevoer en leidden de Isen terug in zijn oude bedding. En dat was het einde van alles.
Sindsdien is het water weer gezakt. Er moeten, denk ik, ergens afvoerwegen zijn uit de onderaardse grotten. Als Saruman uit een van zijn vensters kijkt, moet het er wel erg rommelig en troosteloos uitzien. Wij voelden ons heel eenzaam. Niet eens een zichtbare ent om mee te praten in al die verwoesting, en geen nieuws. Wij hebben de nacht daarboven op de boog doorgebracht, en het was er koud en vochtig en wij hebben niet geslapen. Wij hadden het gevoel dat er ieder ogenblik iets kon gebeuren. Saruman zit nog steeds in zijn toren. In de nacht was er een geluid als een wind die uit het dal aanwoei. Ik denk dat de enten en Huorns, die weg waren geweest, toen terugkwamen, maar waar ze nu allemaal gebleven zijn weet ik niet. Het was een mistige, vochtige ochtend toen wij naar beneden klommen en weer rondkeken, en er was niemand te zien. En dat is zo ongeveer alles wat er te vertellen valt. Het schijnt nu bijna vredig na al die beroering. En ook veiliger, op de een of andere manier, sinds Gandalf is teruggekomen. Ik zou nu kunnen slapen!’
Zij zwegen allen enige tijd. Gimli stopte opnieuw zijn pijp. ‘Eén ding vraag ik me af,’ zei hij toen hij hem met zijn vuursteen en tondeldoos aanstak. ‘Slangtong. Jij hebt Théoden verteld dat hij bij Saruman was. Hoe is hij daar gekomen?’
‘O ja, ik heb hem vergeten,’ zei Pepijn. ‘Hij is hier vanochtend pas aangekomen. Wij hadden het vuur net ontstoken en wat ontbeten toen Boombaard weer verscheen. Wij hoorden hem buiten hoemen en onze namen roepen.’
“Ik ben alleen maar even gekomen om te zien hoe jullie het maken, jongens,” zei hij, “en om jullie wat nieuws te brengen. De Huorns zijn teruggekomen. Alles is in orde: dik in orde zelfs!” zei hij lachend, en sloeg zich op de dijen. “Geen orks meer in Isengard, geen bijlen meer! En er zullen hier lieden uit het zuiden aankomen voor de dag oud is; lieden die jullie misschien graag zullen zien.”
Hij had dat nauwelijks gezegd, toen we het geluid van hoeven op de weg hoorden. Wij snelden naar de poort en ik stond daar te staren, en verwachtte half Stapper en Gandalf aan het hoofd van een leger te zien rijden. Maar uit de mist kwam een man op een oud vermoeid paard; hij zag er zelf uit als een vreemd verwrongen soort schepsel. Hij had niemand bij zich. Toen hij uit de mist kwam en plotseling alle verwoesting en ruïnes voor zich zag, bleef hij met open mond zitten en zijn gezicht werd bijna groen. Hij was zo in de war, dat hij ons eerst helemaal niet scheen op te merken. Toen hij ons zag, slaakte hij een kreet en probeerde zijn paard te wenden en weg te rijden. Maar Boombaard deed drie stappen, strekte een lange arm uit en tilde hem uit het zadel. Zijn paard ging er in paniek vandoor en hij kroop in het stof op de grond. Hij zei dat hij Gríma was, de vriend en raadgever van de koning, en met belangrijke boodschappen van Théoden naar Saruman was gestuurd.
“Niemand anders durfde door het open land te rijden, zo vol met gemene orks,” zei hij, “daarom zond men mij. En ik heb een bijzonder gevaarlijke reis gehad, en ik heb honger en ben moe. Ik ben van mijn weg ver naar het noorden gevlucht, door wolven achtervolgd.”
Ik zag de steelse blikken die hij op Boombaard wierp, en dacht bij mezelf “leugenaar”. Boombaard keek hem enkele minuten lang op zijn trage, slome manier aan, tot de ellendeling op de grond lag te kronkelen. Toen zei hij ten slotte: “Ha, hum, ik verwachtte u al, meester Slangtong.” De man schrok bij het horen van die naam. “Gandalf is hier het eerst aangekomen. Dus ik weet alles over je wat ik moet weten, en ik weet wat ik met je moet doen. Doe alle ratten in één val, zei Gandalf, en dat zal ik ook doen. Ik ben nu meester van Isengard, maar Saruman is in zijn toren opgesloten, en je mag daarheen gaan en hem alle boodschappen geven die je maar kunt bedenken.”
“Laat me gaan, laat me gaan!” zei Slangtong. “Ik weet de weg.”
“Je wist de weg, daar twijfel ik niet aan,” zei Boombaard. “Maar de dingen zijn hier enigszins veranderd. Ga maar eens kijken!”
Hij liet Slangtong gaan, en hij strompelde de poort door met ons op zijn hielen, totdat hij binnen de kring kwam en alle overstromingen kon zien die tussen hem en Orthanc lagen. Toen wendde hij zich tot ons.
“Laat me weggaan!” jammerde hij. “Laat me weggaan! Mijn boodschappen zijn nu nutteloos.”
“Dat zijn ze inderdaad,” zei Boombaard. “Maar je hebt slechts twee keuzen: bij mij blijven tot Gandalf en je meester aankomen, of het water oversteken. Wat wil je?”
De man huiverde toen hij zijn meester hoorde noemen, en zette een voet in het water; maar deinsde terug. “Ik kan niet zwemmen,” zei hij.
“Het water is niet diep,” zei Boombaard. “Het is vuil, maar dat zal je geen kwaad doen, meester Slangtong. Vooruit, je gaat erin!”
Hierop begaf de ellendeling zich in het water. Het steeg bijna tot aan zijn nek voordat hij zo ver weg was, dat ik hem niet meer kon zien. Het laatste dat ik zag was dat hij zich aan de een of andere oude ton of plank vastklampte. Maar Boombaard waadde hem achterna en keek of hij opschoot.
“Welnu, hij is naar binnen,” zei hij toen hij terugkwam. “Ik heb hem de trap zien opkruipen als een verdronken rat. Er is nog iemand in de toren; er kwam een hand naar buiten en trok hem naar binnen. Daar zit hij dus, en ik hoop dat de ontvangst hem zal bevallen. Nu moet ik het slijm van mij af gaan wassen. Ik ben aan de noordkant als iemand mij wil spreken. Er is hier geen schoon water dat een ent kan drinken of waarin hij zich kan wassen. Daarom moet ik jullie tweeën vragen om de wacht bij de poort te houden voor de lieden die onderweg zijn. De Heer van de Velden van Rohan is erbij, denk erom! Je moet hem zo goed mogelijk welkom heten; zijn manschappen hebben een grote slag tegen de orks geleverd. Misschien kennen jullie de juiste mensenwoorden voor zo’n grote heer beter dan de enten. In mijn tijd zijn er vele grote heren in de groene velden geweest, maar ik heb nooit hun taal leren spreken. Ze zullen menseneten willen hebben en daar weten jullie, denk ik, alles van. Zoek daarom wat je denkt dat geschikt eten voor een koning is, als je kunt.” En dat is het einde van het verhaal. Hoewel ik graag zou willen weten wie die Slangtong is. Was hij werkelijk de raadsman van de koning?’