Выбрать главу

‘Ja,’ zei Aragorn, ‘en ook Sarumans spion en dienaar in Rohan. Het lot is niet vriendelijker voor hem geweest dan hij verdient. De aanblik van de verwoesting van alles wat hij zo groot en schitterend vond, moet al bijna een voldoende straf voor hem zijn geweest. Maar ik vrees dat hem nog erger te wachten staat.’

‘Ja, ik denk niet dat Boombaard hem uit vriendelijkheid naar Orthanc heeft gestuurd,’ zei Merijn. ‘Hij scheen nogal grimmig tevreden over de zaak, en lachte bij zichzelf toen hij wegging om te baden en te drinken. Wij hebben het daarna druk gehad met het onderzoeken van het wrakhout en zo. Wij hebben een stuk of drie opslagkamers op verschillende plaatsen in de buurt gevonden, boven de vloedlijn. Maar Boombaard heeft wat enten naar ons toe gestuurd en zij hebben een groot gedeelte van de voorraden weggehaald.

“We moeten voor vijfentwintig man eten hebben,” zeiden de enten, dus je ziet dat iemand jullie gezelschap nauwkeurig had geteld voordat jullie hier aankwamen. Blijkbaar was het de bedoeling dat jullie drieën met de grote lieden zouden meegaan. Maar j ullie zouden niet beter hebben gegeten. Wij hebben even goede spullen hier gehouden als we hebben meegegeven, dat kan ik je verzekeren. Beter, omdat we geen drank hebben meegestuurd.

“En moet er geen drank zijn?” vroeg ik aan de enten.

“Er is water van de Isen,” zeiden ze, “en dat is goed genoeg voor enten en mensen.” Maar ik hoop dat de enten de tijd hebben gevonden om wat van hun dranken uit de bergstromen te brouwen, en wij Gandalfs baard zullen zien krullen als hij terugkomt. Nadat de enten waren weggegaan, voelden we ons moe en hongerig. Maar wij mopperden niet – onze inspanning was goed beloond. Het kwam door ons zoeken naar eten dat Pepijn het beste van alle aangespoelde goederen ontdekte – die vaten Hoornblazer. “Pijpkruid is beter na het eten,” zei Pepijn; en zo is deze situatie ontstaan.’

‘Het is ons nu allemaal volmaakt duidelijk,’ zei Gimli.

‘Alles behalve één ding,’ zei Aragorn. ‘Blad uit het Zuiderkwartier in Isengard. Hoe meer ik erover nadenk, hoe merkwaardiger ik het vind. Ik ben nooit in Isengard geweest, maar ik heb door dit land gereisd en ken de woeste landen die tussen Rohan en de Gouw liggen heel goed. Goederen noch lieden zijn in vele jaren die weg gegaan, niet openlijk. Ik vermoed dat Saruman in het geheim omgang heeft gehad met iemand uit de Gouw. Men treft Slangtongen niet alleen in koning Théodens huis aan. Stond er een datum op de vaten?’

‘Ja,’ zei Pepijn. ‘Het was de oogst van 1417; dat is vorig jaar, nee, het jaar daarvoor natuurlijk; een goed jaar.’

‘Welaan, het kwaad dat er was is nu voorbij, hoop ik; of anders ligt het op het ogenblik buiten ons bereik,’ zei Aragorn. ‘Toch denk ik dat ik het Gandalf vertel, al lijkt het ook onbelangrijk nu er zoveel gewichtige vraagstukken spelen.’

‘Ik vraag me af wat hij uitvoert,’ zei Merijn. ‘De middag begint al aardig op te schieten. Laten we eens gaan rondkijken! Jij kunt Isengard nu in ieder geval binnengaan, Stapper, als je wilt. Maar het is niet bepaald een opwekkend gezicht.’

X. De stem van Saruman

Ze gingen de ingestorte tunnel door en stonden op een steenhoop naar de donkere rots van Orthanc en haar vele ramen te kijken: nog altijd een dreiging te midden van de ruïnes die haar omringden. De wateren waren nu bijna allemaal gezakt. Hier en daar lagen nog naargeestige plassen, bedekt met schuim en wrakhout, maar het grootste deel van de wijde kring lag weer bloot: een wildernis van slijk en rotsblokken, pokdalig met geblakerde gaten en bezaaid met palen en pilaren, die dronken vooroverleunden. Aan de rand van de verwoeste kom lagen enorme wallen en hellingen, als kiezelstenen die door een zware storm waren opgeworpen, en daarachter liep de groene chaotische vallei omhoog naar het lange ravijn tussen de donkere uitlopers van de bergen. Aan de andere kant van de woeste vlakte zagen zij ruiters komen aanrijden; zij kwamen van de noordkant en begonnen Orthanc al te naderen.

‘Daar heb je Gandalf en Théoden en zijn mannen!’ zei Legolas. ‘Laten we hen tegemoet gaan!’

‘Loop voorzichtig,’ zei Merijn. ‘Er zijn losse stukken steen die kunnen opwippen, zodat je in een kuil valt als je niet oppast.’

Zij volgden de restanten van de weg van de poorten naar Orthanc, en kwamen heel langzaam vooruit, want de plavuizen waren gebarsten en slijmerig. Toen de ruiters hen zagen naderen, bleven zij in de schaduw van de rots op hen staan wachten. Gandalf reed naar voren om hen te begroeten.

‘Welnu, Boombaard en ik hebben enkele belangwekkende gesprekken gevoerd en wat plannen gemaakt,’ zei hij, ‘en we hebben allemaal van wat hoognodige rust genoten. Nu moeten we weer verdergaan. Ik hoop dat jullie, Reisgenoten, ook allemaal wat hebben gerust en jezelf hebben verfrist.’

‘Dat hebben we,’ zei Merijn. ‘Maar onze gesprekken zijn in rook begonnen en geëindigd. Toch voelen we ons minder vijandig tegenover Saruman gestemd dan eerst.’

‘Zo, werkelijk?’ vroeg Gandalf. ‘Nou, ik niet. Ik heb nog een laatste taak te vervullen voor ik ga: ik moet Saruman een afscheidsbezoek brengen. Gevaarlijk en waarschijnlijk nutteloos, maar het moet gebeuren. Degenen van jullie die met mij mee willen, mogen dat. Maar pas op! En maak geen grappen! Dit is er de tijd niet voor.’

‘Ik ga mee,’ zei Gimli. ‘Ik wil wel eens zien of hij werkelijk op jou lijkt.’

‘En hoe denk je daarachter te komen, meester dwerg?’ vroeg Gandalf. ‘Saruman zou in jouw ogen op mij kunnen lijken, als dat in zijn kraam te pas kwam. En ben je al wijs genoeg om al zijn vermommingen te doorzien? Welnu, we zullen het wel merken. Misschien wil hij zich niet graag aan zoveel verschillende ogen tegelijk vertonen. Maar ik heb gelast dat alle enten zich aan het zicht moeten onttrekken, dus misschien kunnen we hem ertoe overhalen naar buiten te komen.’

‘Wat voor gevaar is erbij?’ vroeg Pepijn. ‘Zal hij op ons schieten en vuur uit de ramen storten, of kan hij ons op een afstand betoveren?’

‘Het laatste is het waarschijnlijkste, als je lichtvaardig naar zijn deur rijdt,’ zei Gandalf. ‘Maar het valt niet vooruit te zeggen wat hij zal doen of zal proberen te doen. Het is niet veilig om een wild beest dat in het nauw zit te benaderen. En Saruman bezit krachten waar je geen vermoeden van hebt. Hoed je voor zijn stem!’

Zij kwamen nu aan de voet van Orthanc. Deze was zwart en de rots glansde alsof zij nat was. De vele facetten van de steen hadden scherpe randen, alsof ze pas waren gebeiteld. Een paar krassen en minuscule splintertjes onder aan de voet waren de enige sporen die de furie van de enten had achtergelaten.

Aan de oostzijde, in de hoek tussen twee pijlers, was een grote deur, hoog boven de grond; en daarboven was een geblindeerd raam, dat uitkwam op een balkon omheind met ijzeren spijlen. Naar de drempel van de deur liep een trap van zevenentwintig brede treden van dezelfde zwarte steen, uitgehakt volgens een onbekend procédé. Dit was de enige toegang tot de toren, maar er waren vele hoge vensters met diepe sponningen in de oprijzende muren uitgehakt. Helemaal aan de top tuurden zij als kleine ogen tussen de hoorns uit.

Aan de voet van de trap stegen Gandalf en de koning af. ‘Ik zal naar boven gaan,’ zei Gandalf. ‘Ik ben in Orthanc geweest en ken het gevaar waarin ik verkeer.’

‘En ik zal ook naar boven gaan,’ zei de koning. ‘Ik ben oud en vrees niet langer gevaar. Ik wil de Vijand spreken die mij zoveel onrecht heeft aangedaan. Éomer zal met mij meegaan en ervoor zorgen dat mijn oude benen het niet begeven.’