‘Zoals u wilt,’ zei Gandalf. ‘Aragorn zal met mij meegaan. Laten de anderen aan de voet van de trap op ons wachten. Zij zullen genoeg te horen en te zien krijgen, als er iets te horen of te zien valt.’
‘Nee!’ zei Gimli. ‘Legolas en ik willen het wel van dichterbij meemaken. Wij zijn hier de enige vertegenwoordigers van ons geslacht. Wij gaan ook mee.’
‘Kom dan,’ zei Gandalf, en daarop beklom hij de treden met Théoden aan zijn zijde.
De Ruiters van Rohan zaten onrustig op hun paarden aan weerskanten van de trap en keken somber omhoog naar de grote toren, bang dat hun heer iets zou kunnen overkomen. Merijn en Pepijn zaten op de onderste trede en voelden zich onbelangrijk en onveilig.
‘Een lastige halve mijl van hier naar de poort!’ mompelde Pepijn. ‘Ik wou dat ik onopgemerkt naar de kamer van de wacht terug kon glippen! Waarom zijn we meegegaan? We zijn niet gewenst.’
Gandalf stond voor de deur van Orthanc en sloeg er met zijn staf op. Het maakte een hol geluid. ‘Saruman, Saruman!’ riep hij op een luide bevelende toon. ‘Saruman, kom tevoorschijn!’
Een tijdlang kwam er geen antwoord. Eindelijk werd het venster boven de deur ontgrendeld, maar er verscheen geen gestalte in de donkere opening.
‘Wie is het?’ vroeg een stem. ‘Wat wil je?’
Théoden schrok. ‘Ik ken die stem,’ zei hij, ‘en ik vervloek de dag waarop ik hem voor het eerst hoorde.’
‘Ga Saruman halen nu je zijn lakei bent geworden, Gríma Slangtong,’ zei Gandalf. ‘En verspil onze tijd niet.’
Het raam ging dicht. Ze wachtten. Plotseling sprak er een andere stem, diep en melodieus, een verrukking om naar te luisteren. Zij die zich aan die stem overgaven, konden zelden de woorden navertellen die zij hadden gehoord; en als ze het wel deden, verbaasden ze zich, want er bleef weinig kracht in ze over. Meestal herinnerden zij zich alleen maar dat het verrukkelijk was om die stem te horen spreken, alles wat hij zei scheen wijs en redelijk en het verlangen kwam bij hen op om door snel in te stemmen zelf wijs te schijnen. Wanneer anderen spraken schenen zij daarbij vergeleken grof en onbeschaafd; en als zij de stem tegenspraken, ontstak er woede in de harten van hen die in de ban waren. Voor sommigen duurde die betovering slechts zolang de stem tot hen sprak, en wanneer hij tegen een ander sprak, glimlachten ze, zoals mensen doen die een goochelaarstruc doorhebben, terwijl anderen zich eraan vergapen. Voor velen was het geluid van de stem op zichzelf al genoeg om hen geboeid te houden, maar voor hen die hij overmeesterde, bleef de betovering nog als ze al ver weg waren, en altijd bleven de fluisteringen en vermaningen van die zachte stem hen bij. Maar geen bleef onbewogen, geen verwierp zijn pleitredes en bevelen zonder inspanning van de geest en de wil, zolang zijn eigenaar er meester over was.
‘En?’ vroeg hij nu goedmoedig. ‘Waarom moeten jullie mijn rust verstoren? Willen jullie mij bij dag noch nacht een beetje rust gunnen?’ De toon ervan was die van een zachtaardige ziel die verontwaardigd is over onverdiende beledigingen.
Zij keken verbaasd omhoog, want zij hadden zijn komst niet gehoord, en zagen een gestalte bij de balustrade omlaag staan kijken, gehuld in een wijde mantel waarvan de kleur niet gemakkelijk was vast te stellen, want die veranderde wanneer zij hun ogen bewogen of wanneer hij zich verroerde. Zijn gezicht was lang, met een hoog voorhoofd; hij had diepliggende donkere ogen, moeilijk te doorgronden, hoewel de blik die eruit straalde ernstig en welwillend, maar ook enigszins vermoeid was. Zijn haren en baard waren wit, maar om zijn lippen en oren waren nog strepen zwart.
‘Hij lijkt erop, maar toch ook weer niet,’ mompelde Gimli.
‘Maar kom nu,’ zei de zachte stem. ‘Twee van u ken ik tenminste van naam. Gandalf ken ik te goed dan dat ik er veel hoop op heb dat hij hier om hulp of raad komt. Maar u, Théoden, Heer van de Mark van Rohan, wordt geopenbaard door uw nobele wapenbeelden, maar meer nog door de nobele trekken van het Huis van Eorl. O, edele zoon van Thengel, de Drievoudig-befaamde! Waarom bent u niet eerder gekomen, en als vriend? Sterk is mijn verlangen geweest u te zien, machtigste koning van de westelijke landen, vooral in de laatste jaren, om u te redden voor de onwijze en kwaadaardige raadgevingen die u werden ingefluisterd! Is het al te laat? Ondanks het onrecht dat mij is aangedaan, waarin mensen van Rohan, helaas! ook een aandeel hebben gehad, wil ik u toch redden, en u behoeden voor de ondergang die onvermijdelijk naderbij komt, als u voortgaat op de weg die u bent ingeslagen. Voorwaar, ik ben de enige die u nu kan helpen.’
Théoden opende zijn mond alsof hij wilde spreken, maar hij zei niets. Hij keek omhoog naar het gezicht van Saruman, die hem met zijn donkere, ernstige ogen aankeek, en toen naar Gandalf naast zich; en hij scheen te aarzelen. Gandalf verroerde zich niet, maar stond stokstijf, als iemand die geduldig wacht op een oproep die nog niet is gekomen. De Ruiters bewogen zich wel en betuigden mompelend hun instemming met de woorden van Saruman, maar toen zwegen ook zij, als mensen die betoverd zijn. Het scheen hun toe dat Gandalf nooit zo mooi en passend tot hun heer had gesproken. Ruw en hooghartig schenen nu al zijn onderhandelingen met Théoden. En over hun harten kroop een schaduw, de angst voor een groot gevaar: het einde van de Mark in een duisternis waar Gandalf hen naartoe dreef, terwijl Saruman naast een deur stond waardoor zij konden ontsnappen, en deze halfopen hield, zodat er een lichtstraal door viel. Er heerste een drukkende stilte.
Het was Gimli de dwerg die deze plotseling verbrak. ‘De woorden van deze tovenaar staan op hun kop,’ gromde hij, terwijl hij naar de steel van zijn bijl greep. ‘In de taal van Orthanc betekent hulp ondergang, en redden betekent doden, dat is duidelijk. Maar wij komen hier niet om te bedelen.’
‘Stilte!’ zei Saruman, en een ogenblik klonk zijn stem minder zoetsappig, heel even flikkerde een licht in zijn ogen. ‘Ik heb het nog niet tegen u, Gimli, Glóins zoon,’ zei hij. ‘Uw huis is ver weg en de moeilijkheden van dit land gaan u weinig aan. Maar het was niet uw bedoeling dat u erin verstrikt bent geraakt, en daarom wil ik u geen verwijt maken van de rol die u erin hebt gespeeld – een moedige ongetwijfeld. Maar ik smeek u, sta mij eerst toe met de Koning van Rohan te spreken, mijn nabuur, en eens mijn vriend.
Wat hebt u te zeggen, koning Théoden? Wilt u vrede met mij hebben, en alle hulp die mijn kennis, verworven in lange jaren, kan brengen? Zullen wij samen raad schaffen tegen kwade tijden en onze wederzijdse gekrenktheid met zoveel goede wil herstellen, dat onze landen tot grotere bloei komen dan ooit tevoren?’
Nog steeds gaf Théoden geen antwoord. Of hij tegen zijn woede of twijfel streed kon niemand zeggen. Éomer sprak.
‘Heer, hoor mij aan,’ zei hij. ‘Nu voelen wij het gevaar waarvoor wij werden gewaarschuwd. Zijn wij alleen maar uitgereden naar de overwinning om ons ten slotte te doen verbazen door een oude leugenaar met honing op zijn gevorkte tong? Zo zou de in het nauw gedreven wolf tot de honden spreken, als hij kon. Welke hulp kan hij u bieden, voorwaar? Het enige dat hij wil is aan zijn moeilijkheden ontkomen. Maar wilt u onderhandelen met deze handelaar in verraad en moord? Herinner u Théodred bij de Voorden en het graf van Háma in de Helmsdiepte!’
‘Als we over giftige tongen spreken, wat moeten we dan van de jouwe zeggen, jong serpent,’ zei Saruman, en de vlaag van woede was nu duidelijk zichtbaar. ‘Maar kom, Éomer, zoon van Éomund!’ vervolgde hij weer op zijn zachte toon. ‘Ieder het zijne. U bent dapper met de wapenen en daar legt u grote eer mee in. Dood wie uw heer u als vijanden aanwijst en wees tevreden. Bemoei u niet met politiek, die u niet begrijpt. Maar misschien dat u, wanneer u koning wordt, zult merken dat hij zijn vrienden zorgvuldig moet kiezen. De vriendschap van Saruman en de macht van Orthanc kunnen niet licht terzijde worden geschoven, welke grieven, al dan niet denkbeeldig, er ook geweest mogen zijn. U hebt een slag gewonnen, maar geen oorlog – en dat met hulp waarop u niet nog eens kunt rekenen. Misschien zult u de Schaduw van het Woud de volgende keer voor uw eigen deur vinden; zij is wispelturig en onzinnig en koestert geen liefde voor mensen.