‘Dat klinkt goed,’ snierde Saruman. ‘Het klinkt precies zoals Gandalf de Grijze is: zo neerbuigend, en zo bijzonder vriendelijk. Ik twijfel er niet aan dat je Orthanc naar je zin zou vinden, en mijn vertrek je goed van pas zou komen. Maar waarom zou ik willen weggaan? En wat bedoel je met “vrij”? Er zijn voorwaarden, neem ik aan.’
‘Redenen om te vertrekken kun je uit je ramen zien,’ antwoordde Gandalf. ‘Andere zullen je invallen. Je dienaren zijn vernietigd en verstrooid; je buren heb je tot je vijanden gemaakt; en je hebt je nieuwe meester bedrogen, of in ieder geval geprobeerd dat te doen. Wanneer zijn Oog hierop valt, zal het ’t rode oog van toorn zijn. Maar wanneer ik “vrij” zeg, bedoel ik ook “vrij”: vrij van banden, van ketenen of bevelen; vrij om te gaan waar je wilt, zelfs, zelfs naar Mordor, Saruman, als je dat wilt. Maar je zult mij eerst de sleutel van Orthanc overhandigen, en je staf. Zij zullen de onderpanden zijn van je gedrag, die je later terug zult krijgen als je ze verdient.’ Sarumans gezicht werd vuurrood, vertrok van woede, en een rood licht ontvlamde in zijn ogen. Hij lachte wild.
‘Later!’ riep hij uit, en hij schreeuwde bijna. ‘Later! Ja, als je ook de Sleutels van Barad-dûr zelf hebt, veronderstel ik; en de kronen van Zeven Koningen en de staven van de Vijf Tovenaars, en jezelf een paar schoenen hebt gekocht vele maten groter dan die welke je nu draagt. Een bescheiden plan. Nauwelijks een waarvoor je mijn hulp nodig hebt! Ik heb andere dingen te doen. Wees geen dwaas. Als je met mij wilt onderhandelen, terwijl je daartoe nog de kans hebt, ga dan weg en kom terug als je nuchter bent! En laat dan deze moordenaars en het kleine janhagel dat je aan je staart hebt hangen achter! Goedendag!’ Hij draaide zich om en verliet het balkon.
‘Kom terug, Saruman!’ zei Gandalf op bevelende toon.
Tot verbazing van de anderen keerde Saruman zich weer om en, alsof hij tegen zijn wil werd getrokken, kwam hij langzaam bij het ijzeren hek terug, erop leunend, zwaar ademend. Zijn gezicht was doorgroefd en samengetrokken. Zijn hand omklemde de zware zwarte staf als een klauw.
‘Ik heb je geen toestemming gegeven om te gaan,’ zei Gandalf streng. ‘Ik ben nog niet klaar. Je bent een dwaas geworden, Saruman, maar toch ben je te beklagen. Je had je nog van dwaasheid en boosaardigheid kunnen afwenden, en van dienst kunnen zijn. Maar je verkiest te blijven en op de resten van je oude samenzweringen te knagen. Blijf dan! Maar ik waarschuw je, je zult er niet zo gemakkelijk meer uitkomen. Tenzij de zwarte handen van het Oosten zich naar je uitstrekken om je te grijpen! Saruman!’ riep hij uit, en zijn stem werd krachtiger en meer autoritair. ‘Zie, ik ben niet Gandalf de Grijze, die je hebt verraden. Ik ben Gandalf de Witte, die uit de dood is herrezen. Jij hebt nu geen kleur meer, en ik stoot je uit de orde en uit de Raad.’
Hij hief zijn hand op en sprak langzaam op duidelijke, koude toon. ‘Saruman, je staf is gebroken.’ Er klonk gekraak en de staf spleet in Sarumans hand in tweeën, en de knop viel voor Gandalfs voeten neer. ‘Ga!’ zei Gandalf. Met een kreet viel Saruman achterover en kroop weg. Op dat ogenblik kwam er een zwaar glanzend voorwerp naar beneden vallen. Het ketste van de ijzeren reling af op hetzelfde moment dat Saruman die had verlaten en, nadat het rakelings langs Gandalfs hoofd was gesuisd, kwam het neer op de trede waarop hij stond. De trede barstte en versplinterde in glinsterende vonken. Maar de bal was onbeschadigd; hij rolde de trappen af, een kristallen bol, donker, maar met een gloeiend hart van vuur. Toen hij naar een plas stuiterde, rende Pepijn erachteraan en raapte hem op.
‘De moordzuchtige schurk!’ riep Éomer uit. Maar Gandalf was onbewogen. ‘Nee, dit werd niet door Saruman gegooid,’ zei hij, ‘en ook niet op zijn verzoek, denk ik. Het kwam uit een venster heel hoog in de toren. Een laatste schot van Meester Slangtong, denk ik, maar slecht gemikt.’
‘Slecht gericht misschien omdat hij niet kon beslissen wie hij meer haatte, jou of Saruman,’ zei Aragorn.
‘Dat kan wel zijn,’ zei Gandalf. ‘Die twee zullen in hun kameraadschap weinig troost vinden; ze zullen elkaar met woorden steken. Maar de straf is rechtvaardig. Als Slangtong ooit levend uit Orthanc komt, zal dat meer zijn dan hij verdient.
Hier, m’n jongen, geef dat maar aan mij! Ik heb je niet gevraagd het op te rapen,’ riep hij uit, zich abrupt omdraaiend toen hij Pepijn de trap op zag komen, langzaam, alsof hij een zwaar gewicht torste. Hij ging hem tegemoet en nam de donkere bol haastig van de hobbit af, hem in de plooien van zijn jas hullend. ‘Ik zal dit onder mijn hoede nemen,’ zei hij. ‘Het is niet iets dat Saruman zou hebben weggeworpen, denk ik.’
‘Maar misschien heeft hij andere dingen om te gooien,’ zei Gimli. ‘Als dit het einde van het gesprek is, laat ons dan zorgen in ieder geval buiten het bereik van zijn worp te zijn.’
‘Het is het einde,’ zei Gandalf. ‘Laat ons gaan.’
Zij keerden de poorten van Orthanc de rug toe en liepen de trap af. De Ruiters begroetten de koning met vreugde en salueerden voor Gandalf. De betovering van Saruman was verbroken: zij hadden hem zien komen toen hij geroepen werd, en wegkruipen toen hij niet meer nodig was.
‘Nou, dat zit erop,’ zei Gandalf. ‘Nu moet ik Boombaard zien te vinden en hem vertellen hoe het is afgelopen.’
‘Dat zal hij toch zeker wel geraden hebben?’ zei Merijn. ‘Was er een mogelijkheid dat het anders zou aflopen?’
‘Dat is onwaarschijnlijk,’ antwoordde Gandalf, ‘hoewel het maar een haartje scheelde. Maar ik had redenen om het te proberen; sommige waren barmhartig en andere minder. In de eerste plaats is Saruman duidelijk gemaakt dat de macht van zijn stem aan het tanen is. Hij kan niet tegelijkertijd een tiran en een raadgever zijn. Wanneer de samenzwering rijp is blijft het niet langer een geheim. Toch liep hij in de val en probeerde een voor een met zijn slachtoffers af te rekenen, terwijl anderen toehoorden. Toen stelde ik hem voor een laatste keus, en een rechtvaardige: om zowel Mordor als zijn eigen plannen af te zweren, en zich te beteren door ons in onze nood te helpen. Hij kent onze nood als geen ander. Hij had ons een grote dienst kunnen bewijzen. Maar hij heeft verkozen deze hulp niet te verlenen, en de macht van Orthanc te behouden. Hij wil niet dienen, alleen bevelen. Hij leeft nu in angst voor de schaduw van Mordor, maar toch hoopt hij de storm te overleven. Ongelukkige dwaas! Hij zal worden opgeslokt als de macht uit het Oosten zijn armen naar Isengard uitstrekt. Wij kunnen Orthanc niet van buitenaf vernietigen, maar Sauron – wie weet wat hij kan doen?’
‘Maar als Sauron niet overwint? Wat zul jij dan met hem doen?’ vroeg Pepijn.
‘Ik? Niets!’ zei Gandalf. ‘Ik zal niets met hem doen. Ik verlang niet naar heerschappij. Wat er van hem worden zal? Ik weet het niet. Ik betreur het dat zoveel dat eens goed was, nu in de toren verrot. Maar voor ons zijn de zaken helemaal niet slecht gelopen. Vreemd zijn de wisselvalligheden van het lot! Haat keert zich vaak tegen hem die hem koestert. Ik stel mij voor dat wij, ook al waren we naar binnen gegaan, weinig schatten in Orthanc zouden hebben aangetroffen die kostbaarder zijn dan het voorwerp dat Slangtong naar ons heeft gegooid.’
Een schrille kreet, plotseling afgesneden, kwam uit een open raam hoog in de toren.
‘Het schijnt dat Saruman er ook zo over denkt,’ zei Gandalf. ‘Laten we hen aan hun lot overlaten.’
Zij keerden nu terug naar de ruïnes van de poort. Nauwelijks waren zij onder de boog door gegaan, of Boombaard en een twaalftal andere enten traden uit de schaduwen van de steenhoop, waar zij hadden gestaan, naar voren. Aragorn, Gimli en Legolas staarden hen met open mond aan.
‘Dat zijn drie van mijn Reisgenoten, Boombaard,’ zei Gandalf. ‘Ik heb je van hen verteld, maar je hebt ze nog niet ontmoet.’ Hij noemde een voor een hun namen.
De oude ent keek hen lang en onderzoekend aan en sprak om beurten met hen. Het laatste richtte hij zich tot Legolas.