Выбрать главу

‘Dus je bent helemaal van het Demsterwold gekomen, mijn waarde elf? Het was vroeger een bijzonder groot bos!’

‘En dat is het nog,’ zei Legolas. ‘Maar niet zo groot dat wij die er wonen er ooit genoeg van krijgen nieuwe bomen te zien. Ik zou dolgraag in het bos van Fangorn willen reizen. Ik ben nauwelijks verder dan de rand geweest, en ik wilde niet terugkeren.’

Boombaards ogen straalden van plezier. ‘Ik hoop dat je wens vervuld zal worden voor de heuvels veel ouder zijn,’ zei hij.

‘Ik zal komen, als het lot het mij toestaat,’ zei Legolas. ‘Ik ben met mijn vriend overeengekomen dat wij als alles goed gaat, samen Fangorn zullen bezoeken – met uw permissie.’

‘Iedere elf die je meebrengt zal welkom zijn,’ zei Boombaard.

‘De vriend waar ik het over heb is geen elf,’ zei Legolas. ‘Ik bedoel Gimli, Glóins zoon, hier.’ Gimli maakte een diepe buiging, en de bijl gleed uit zijn riem en viel rinkelend op de grond.

‘Hoem, hm! Nou, eh,’ zei Boombaard terwijl hij hem dreigend aankeek. ‘Een dwerg en een bijldrager! Hoem! Ik draag de elfen een goed hart toe, maar dit is te veel gevraagd. Dit is een vreemde vriendschap.’

‘Zij mag vreemd schijnen,’ zei Legolas, ‘maar zolang Gimli leeft zal ik niet alleen naar Fangorn komen. Zijn bijl is niet voor bomen bestemd, maar voor orknekken. O, Fangorn, meester van het Woud Fangorn: tweeënveertig heeft hij er in de slag afgehouwen.’

‘Hoo! Kom nu!’ zei Boombaard. ‘Dat klinkt al beter! Wel, wel, men kan de loop der dingen nu eenmaal niet veranderen en men behoeft zich niet te haasten om erop vooruit te lopen. Maar nu moeten wij voor enige tijd uit elkaar gaan. De dag loopt ten einde, maar Gandalf zegt dat jullie voor het vallen van de avond moeten vertrekken, en de Heer van de Mark verlangt naar zijn eigen huis.’

‘Ja, we moeten vertrekken, en wel nu,’ zei Gandalf. ‘Ik vrees dat ik je van je poortwachters moet beroven. Maar je zult het ook wel zonder hen kunnen stellen.’

‘Misschien wel,’ zei Boombaard. ‘Maar ik zal hen missen. Wij zijn in korte tijd zulke goede vrienden geworden, dat ik denk dat ik haastig aan het worden ben – misschien groei ik weer terug naar mijn jeugd. Maar hoe het zij, zij zijn het eerste nieuwe onder zon of maan dat ik in heel lange tijd heb gezien. Ik zal hen niet vergeten. Ik heb hun namen aan de lange lijst toegevoegd. De enten zullen het zich herinneren.

Enten, uit aarde geborenen, oud als bergen De verre lopers, waterdrinkers; En hongerig als jagers, de hobbit-kinderen, Het lachende volkje, de kleine lieden.

Zij zullen vrienden blijven zolang er nieuwe bladeren aan de bomen komen. Het ga jullie goed. Maar als je nieuws hoort in jullie mooie land, in de Gouw, laat het me dan weten! Je weet wat ik bedoeclass="underline" als je entvrouwen hoort of ziet. Kom zelf als je kunt.’

‘Dat zullen we doen,’ zeiden Merijn en Pepijn tegelijk en draaiden zich haastig om. Boombaard keek naar hen en zweeg enige tijd, terwijl hij zijn hoofd nadenkend schudde. Toen wendde hij zich tot Gandalf.

‘Dus Saruman wilde er niet uitkomen,’ zei hij. ‘Dat had ik ook niet gedacht. Zijn hart is zo rot als dat van een zwarte Huorn,’ zei hij. ‘Maar als ik zou worden verslagen en al mijn bomen vernietigd, zou ik niet komen zolang ik nog één zwart gat overhad om mij in schuil te houden.’

‘Nee,’ zei Gandalf. ‘Maar jij hebt geen plannen beraamd om de hele wereld met je bomen te bedekken en alle andere levende wezens te verstikken. Maar zo is het nu eenmaal, Saruman blijft zijn haat voeden en zal opnieuw netten weven als hij er kans toe ziet. Hij bezit de Sleutel van Orthanc. Maar hij mag niet ontsnappen.’

‘Inderdaad! Daar zullen de enten voor zorgen,’ zei Boombaard. ‘Saruman zal zonder mijn toestemming geen voet buiten de rots zetten. Enten zullen hem bewaken.’

‘Goed!’ zei Gandalf. ‘Daar had ik op gehoopt. Nu kan ik gaan en mijn aandacht aan andere zaken geven, met een zorg minder. Maar je moet goed oppassen. De wateren zijn in de grond gezakt. Het zal niet voldoende zijn, vrees ik, om schildwachten rondom de toren op te stellen. Ik twijfel er niet aan dat er diepe wegen onder Orthanc gegraven zijn en dat Saruman binnenkort ongemerkt hoopt te vertrekken. Als jij die taak op je wilt nemen, smeek ik je de wateren weer te doen binnenstromen en dat te blijven doen, totdat het water in Isengard blijft staan, of je de afvoerwegen ontdekt. Als alle ondergrondse ruimten zijn ondergelopen en de afvoerwegen geblokkeerd, moet Saruman wel boven blijven en uit zijn ramen kijken.’

‘Laat dat maar aan de enten over!’ zei Boombaard. ‘We zullen het dal van boven tot onder doorzoeken en onder iedere kiezelsteen kijken. Bomen komen terug om hier te leven, oude bomen, wilde bomen. Het Wachtbos zullen we het noemen. Er zal hier geen eekhoorn rondlopen, zonder dat ik het zal weten. Laat dat maar aan enten over! Tot zeven keer de jaren waarin hij ons heeft gekweld voorbij zijn gegaan, zullen wij niet aflaten hem te bewaken.’

XI. De Palantír

De zon ging onder achter de lange westelijke uitloper van de bergen, toen Gandalf en zijn metgezellen, en de koning met zijn Ruiters, weer uit Isengard vertrokken. Gandalf nam Merijn achter zich op het paard, en Aragorn nam Pepijn. Twee van de manschappen van de koning gingen voorop; zij reden snel en verdwenen spoedig uit het zicht in de vallei. De anderen volgden in een rustige draf.

Enten stonden in een plechtige rij als standbeelden bij de poort, hun lange armen opgeheven, maar ze maakten geen geluid. Merijn en Pepijn keken om toen ze de bochtige weg een eindje op waren gegaan. Het zonlicht scheen nog aan de hemel, maar lange schaduwen strekten zich over Isengard uit: grijze ruïnes die in de duisternis verdwenen. Boombaard stond daar nu alleen, als de verre stomp van een oude boom: de hobbits dachten aan hun eerste ontmoeting, op de zonnige richel ver weg aan de grenzen van Fangorn.

Zij kwamen bij de pilaar van de Witte Hand. De zuil stond er nog, maar de gebeeldhouwde hand was omlaag gegooid en in kleine stukken gebroken. De lange wijsvinger lag precies midden op de weg, wit in de schemering, maar de rode nagel begon zwart te worden.

‘De enten schenken aandacht aan elk detail!’ zei Gandalf.

Ze reden verder en de avond viel in de vallei.

‘Rijden we ver vanavond, Gandalf?’ vroeg Merijn na een tijdje. ‘Ik weet niet hoe jij je voelt met klein janhagel aan je staart bungelend, maar het janhagel is moe en zal blij zijn om niet langer te bungelen en te gaan liggen.’

‘Dus dat heb je gehoord?’ zei Gandalf. ‘Laat het je niet dwarszitten! Wees dankbaar dat er niet meer woorden op je zijn gericht. Hij hield je in de gaten. Als het je trots tot troost kan strekken, zou ik zeggen dat jij en Pepijn op het ogenblik zijn gedachten meer in beslag nemen dan de rest van ons. Wie jullie zijn; hoe jullie daar waren gekomen, en waarom; wat jullie weten; of jullie gevangen waren genomen en zo ja, hoe jullie zijn ontsnapt terwijl alle orks omkwamen – dat zijn de kleine raadselen die de grote geest van Saruman verontrusten. Een sneer van hem, Merijn, is een compliment als je je vereerd voelt door zijn bezorgdheid.’

‘Dank je!’ zei Merijn. ‘Maar het is een grotere eer om aan jouw staart te bungelen, Gandalf. In ieder geval heb je op die plaats de kans dezelfde vraag twee keer te stellen. Rijden we ver vannacht?’

Gandalf lachte. ‘Een hoogst onstuitbare hobbit! Alle tovenaars behoren een paar hobbits onder hun hoede te nemen – om hun de betekenis van het woord te leren, en hen te verbeteren. Neem me niet kwalijk. Maar zelfs aan deze eenvoudige dingen heb ik gedacht. We zullen een paar uur rustig doorrijden tot we aan het eind van de vallei komen. Morgen moeten we sneller rijden.

Toen we aankwamen, waren we van plan om regelrecht van Isengard over de vlakte naar het huis van de koning in Edoras terug te rijden, een rit van enkele dagen. Maar we hebben erover nagedacht en het plan gewijzigd. Er zijn boodschappers naar de Helmsdiepte vooruitgereden om hen te waarschuwen dat de koning morgen terugkomt. Vandaar zal hij met vele mannen langs paden door de heuvels naar Dunharg rijden. Van nu af aan zullen we als het even kan hoogstens met z’n tweeën of drieën openlijk over het land gaan, bij dag of bij nacht.’