‘Bij jou is het alles of niets!’ zei Merijn. ‘Ik vrees dat ik niet verder heb gekeken dan mijn bed vannacht lang was. Waar en wat is Helmsdiepte en de rest? Ik weet niets van dit land af.’
‘Dan kan je er beter maar iets over te weten zien te komen, als je wilt begrijpen wat er aan de hand is. Maar nu niet, en niet van mij; ik heb te veel dringende zaken om over na te denken.’
‘Goed, ik zal Stapper er bij het kampvuur over aanschieten; hij is minder prikkelbaar. Maar waarom al die geheimzinnigheid? Ik dacht dat wij de slag gewonnen hadden!’
‘Ja, wij hebben ook gewonnen, maar dit is pas de eerste overwinning, en dat vergroot op zichzelf het gevaar waarin we verkeren. Er was een of andere verbinding tussen Isengard en Mordor die ik nog niet heb doorgrond. Ik weet niet hoe ze nieuws uitwisselden; maar ze deden het wel. Het Oog van Barad-dûr zal ongeduldig naar het Tovenaarsdal kijken, denk ik; en naar Rohan. Hoe minder het ziet, hoe beter.’
De weg trok langzaam voorbij, slingerend door het dal. De Isen stroomde in haar rotsachtige bedding, nu weer verder weg, dan weer dichterbij. De nacht daalde uit de bergen neer. Alle mist was verdwenen. Er woei een kille wind. De maan, die nu bijna helemaal vol was, vervulde de oostelijke hemel met een bleke koude glans. De bergruggen links van hen gingen glooiend omlaag naar kale heuvels. De wijde vlakten openden zich grijs voor hen.
Ten slotte hielden zij halt. Toen sloegen zij van de hoofdweg af en kwamen weer op het zachte gras van de hellingen. Nadat ze een mijl of drie naar het westen waren gegaan, kwamen ze bij een dal. Dit lag open naar het zuiden, en met de achterkant tegen de helling van de ronde Dol Baran, de laatste heuvel van de noordelijke uitlopers, met een groene voet en een met heide begroeide top. De zijkanten van het dal waren overwoekerd met de varens van vorig jaar, te midden waarvan de strak opgerolde varenblaadjes van het voorjaar net door de zoet geurende aarde kwamen priemen. Doornbosjes groeiden dicht op de lage hellingen, en daaronder sloegen zij hun kamp op, een uur of twee voor middernacht. Ze maakten een vuur in een holte, tussen de wortels van een wijd vertakte hagendoorn, hoog als een boom, gerimpeld van ouderdom, maar gezond in iedere tak. Aan het uiteinde van ieder twijgje zwollen knoppen. Er werden schildwachten uitgezet, twee per wacht. De anderen hulden zich, nadat zij hadden gegeten, in een mantel en deken, en gingen slapen. De hobbits lagen apart in een hoek op een matras van oude varens. Merijn had slaap, maar Pepijn scheen bijzonder rusteloos. De varens kraakten en knisperden toen hij lag te woelen en te draaien.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Merijn. ‘Lig je soms op een mierenhoop?’
‘Nee,’ zei Pepijn, ‘maar ik lig niet gemakkelijk. Ik vraag me af hoelang het geleden is dat ik in een bed heb geslapen.’
Merijn gaapte. ‘Reken het maar op je vingers na!’ zei hij. ‘Maar je moet weten hoelang het geleden is sinds we uit Lórien zijn vertrokken.’
‘O, dat!’ zei Pepijn. ‘Ik bedoel een echt bed in een slaapkamer.’
‘Nu, Rivendel dan,’ zei Merijn. ‘Maar vanavond zou ik overal kunnen slapen.’
‘Je hebt geluk gehad, Merijn,’ zei Pepijn zacht, na een poosje. ‘Jij hebt met Gandalf gereden.’
‘En wat zou dat?’
‘Heb je enig nieuws, enige informatie uit hem losgekregen?’
‘Ja, een heleboel. Meer dan gewoonlijk. Maar je hebt het allemaal, of het meeste ervan gehoord; jij was vlakbij en we bespraken geen geheimen. Maar jij mag morgen met hem rijden als je denkt dat je meer uit hem los kunt krijgen – en als hij je wil hebben.’
‘Mag dat? Goed. Maar hij is gesloten, nietwaar? Helemaal niets veranderd.’
‘O ja, dat is hij wel!’ zei Merijn, die een beetje wakker werd en zich begon af te vragen wat zijn metgezel dwarszat. ‘Hij is gegroeid of iets dergelijks. Hij kan vriendelijker maar ook verontrustender zijn, vrolijker en ernstiger dan eerst, denk ik. Hij is veranderd, maar wij hebben nog geen kans gehad om te zien hoeveel. Maar denk eens aan dat laatste deel van zijn gesprek met Saruman. Je moet niet vergeten dat Saruman eens boven Gandalf stond: hoofd van de Raad, of wat dat ook precies mag zijn. Hij was Saruman de Witte. Gandalf is nu de Witte. Saruman kwam terug toen hem dat gezegd werd, en zijn staf werd van hem afgenomen, en daarna kreeg hij eenvoudig te horen dat hij weg moest gaan, en hij ging!’
‘Welnu, als Gandalf is veranderd dan is hij geslotener dan ooit, dat is alles,’ zei Pepijn. ‘Die glazen bol, zeg! Hij scheen er enorm mee in zijn sas. Hij weet er iets van of heeft zijn vermoedens. Maar vertelt hij ons wat? Nee, geen woord. Toch heb ik hem opgeraapt en verhinderd dat hij in een plas zou rollen. Hier, jongen, geef dat maar aan mij – dat is alles. Ik vraag me af wat het is. Hij voelde zo zwaar aan.’ Pepijns stem werd zacht, alsof hij tegen zichzelf sprak.
‘Hallo,’ zei Merijn. ‘Dus dat zit je dwars? Nu, Pepijn, m’n jongen, vergeet Gildors gezegde niet – dat Sam altijd aanhaalde: Bemoei je niet met de zaken van tovenaars, want ze zijn ondoorgrondelijk en vlug boos.’
‘Maar ons hele leven is al maandenlang een en al bemoeienis met zaken van tovenaars,’ zei Pepijn. ‘Ik had die bol weleens willen bekijken.’
‘Ga slapen,’ zei Merijn. ‘Je zult vroeg of laat genoeg informatie krijgen. Beste Pepijn, geen enkele Toek heeft tot nu toe een Brandebok op het gebied van nieuwsgierigheid overtroffen, maar moet dat nu echt vannacht, vraag ik je?’
‘Goed! Wat voor kwaad steekt erin om je te vertellen wat ik graag zou willen: eens naar die bol kijken. Ik weet dat ik hem niet mag hebben omdat de oude Gandalf erop zit, als een kip op een ei. Maar het helpt niet erg veel om een je-mag-hem-niet-hebben-dusga-maar-slapen van je te horen te krijgen.’
‘Nou, wat kon ik anders zeggen?’ zei Merijn. ‘Het spijt me, Pepijn, maar je moet echt tot morgenochtend wachten. Na het ontbijt zal ik zo nieuwsgierig zijn als je maar wilt en je op alle mogelijke manieren helpen om tovenaars hun geheimen te ontfutselen. Maar ik kan niet langer wakker blijven. Als ik nog meer geeuw, zal ik bij mijn oren opensplijten. Welterusten!’
Pepijn zei niets meer. Hij lag nu stil, maar de slaap was nog ver weg; en die werd niet bevorderd door het geluid van Merijns zachte ademhaling, nadat hij enkele minuten na welterusten te hebben gezegd in slaap was gevallen. De gedachte aan de donkere bol scheen sterker te worden toen alles helemaal stil werd. Pepijn voelde de zwaarte ervan opnieuw in zijn handen, en zag de geheimzinnige diepten weer waarin hij een ogenblik had gekeken. Hij lag te woelen en te draaien en probeerde aan iets anders te denken.
Ten slotte kon hij het niet langer uithouden. Hij stond op en keek rond. Het was kil en hij sloeg zijn mantel om zich heen. De maan scheen koud en wit op het dal neer en de schaduwen van de bosjes waren zwart. Slapende gestalten lagen overal in het rond. De twee wachten waren nergens te bekennen: ze waren misschien de heuvel opgegaan, of verscholen in de varens. Gedreven door een of andere impuls die hij niet begreep, liep Pepijn zachtjes naar waar Gandalf lag. Hij keek op hem neer. De tovenaar scheen te slapen, maar met niet helemaal gesloten oogleden: er was een schittering van ogen onder zijn lange wimpers. Pepijn ging haastig achteruit. Maar Gandalf gaf geen teken; en opnieuw naar voren getrokken, half tegen zijn wil, kroop Pepijn weer achter het hoofd van de tovenaar vandaan. Hij lag in een deken gerold, met zijn mantel over de bovenkant heen gespreid; en vlak bij hem, tussen zijn rechterzijde en zijn gebogen arm, was een bult, iets ronds in een donkere doek gewikkeld; zijn hand scheen er net vanaf op de grond te zijn gegleden.
Nauwelijks ademhalend kroop Pepijn voetje voor voetje dichterbij. Ten slotte knielde hij neer. Toen stak hij steels zijn handen uit, en tilde de bobbel langzaam op; deze leek minder zwaar dan hij had verwacht. ‘Misschien achteraf alleen maar een bundeltje snuisterijen,’ dacht hij met een vreemd gevoel van opluchting; maar hij legde het bundeltje niet weer neer. Hij bleef er een ogenblik mee staan en klemde het vast. Toen kreeg hij een idee. Hij liep op zijn tenen weg, zocht een grote steen, en kwam terug.