‘Inderdaad gevaarlijk, maar niet voor allemaal,’ zei Aragorn. ‘Er is er een die er met recht aanspraak op kan maken. Want dit is ongetwijfeld de palantír van Orthanc uit de schatkamer van Elendil, die hier door de Koningen van Gondor is neergezet. Nu breekt mijn tijd aan. Ik zal hem nemen.’
Gandalf keek naar Aragorn en toen, tot verbazing van de anderen, pakte hij de omhulde steen op en overhandigde die met een buiging.
‘Ontvang hem, heer,’ zei hij, ‘als voorschot op andere dingen die u zullen worden teruggegeven. Maar als ik u raad mag geven wat het eigen gebruik ervan betreft, gebruik hem niet – nóg niet! Wees voorzichtig.’
‘Wanneer ben ik haastig of onvoorzichtig geweest, die zoveel lange jaren heeft gewacht en zich heeft voorbereid?’
‘Nog nooit. Struikel daarom niet aan het eind van de weg,’ antwoordde Gandalf. ‘Maar houd dit voorwerp in ieder geval geheim. U en alle anderen die daar staan. Bovenal de hobbit Peregrijn mag niet weten bij wie hij nu berust. Misschien krijgt hij weer last van de kwade opwelling. Want, helaas! Hij heeft hem in handen gehad en erin gekeken, wat nooit had mogen gebeuren. Hij had hem in Isengard nooit mogen aanraken, en daar had ik vlugger moeten zijn. Maar mijn geest was op Saruman gericht, en ik vermoedde de aard van de Steen niet meteen. Toen was ik moe, en terwijl ik erover lag na te denken, overviel de slaap mij. Nu weet ik het!’
‘Ja, er is geen twijfel mogelijk,’ zei Aragorn. ‘Eindelijk kennen wij de verbinding tussen Isengard en Mordor, en hoe die werkte. Er is veel verklaard.’
‘Onze vijanden hebben vreemde machten, en vreemde zwakheden!’ zei Théoden. ‘Maar een oude zegswijze luidt: Het kwaad straft meestal zichzelf.’
‘Dat ziet men vaak,’ zei Gandalf. ‘Maar deze keer hebben we zeldzaam geluk gehad. Misschien ben ik door deze hobbit voor een ernstige blunder behoed. Ik had overwogen of ik deze bol al dan niet zelf zou onderzoeken om erachter te komen waarvoor hij kan worden gebruikt. Als ik dat had gedaan, zou ik zelf aan hem zijn onthuld. Voor een dergelijke proef ben ik niet klaar, als ik dat ooit al zal zijn. Maar zelfs als ik de kracht vond om mezelf terug te trekken, zou het rampzalig voor hem zijn mij nu al te zien – voor het uur slaat waarop geheimhouding niet langer baat.’
‘Dat uur is nu aangebroken, dunkt mij,’ zei Aragorn.
‘Nog niet,’ zei Gandalf. ‘Er blijft een korte periode van twijfel, die wij moeten benutten. De Vijand – dat is duidelijk – dacht dat de Steen in Orthanc was, en waarom zou hij dat niet doen? En dat de hobbit daar gevangen was, door Saruman gedwongen om bij wijze van marteling in het glas te kijken. Die donkere geest zal nu vervuld zijn van de stem en het gezicht van de hobbit: het kan wel enige tijd duren voor hij zijn fout ontdekt. Wij moeten die tijd te baat nemen. We zijn te gemakzuchtig geweest. Wij moeten opschieten. De omgeving van Isengard is nu geen oord om te vertoeven. Ik zal onmiddellijk met Peregrijn Toek vooruitrijden. Dat zal beter voor hem zijn dan in het donker te liggen terwijl anderen slapen.’
‘Ik zal Éomer en tien Ruiters bij mij houden,’ zei de koning. ‘Zij zullen bij het aanbreken van de dag met mij uitrijden. De anderen mogen met Aragorn meegaan en zo gauw wegrijden als zij willen.’
‘Zoals u wilt,’ zei Gandalf. ‘Maar begeef u met de grootst mogelijke snelheid naar de dekking van de heuvels, naar de Helmsdiepte!’
Op dat ogenblik viel een schaduw over hen. Het heldere maanlicht scheen ineens te worden afgesneden. Verscheidene Ruiters slaakten een kreet en bukten zich, de armen boven hun hoofd houdend, als om een slag van boven te weren: een blinde angst en een dodelijke kou vielen op hen. Ineenkrimpend keken ze omhoog. Een enorme gevleugelde gedaante trok als een zwarte wolk langs de maan. Zij beschreef kringen en ging naar het noorden, met een grotere snelheid vliegend dan welke wind op Midden-aarde ook. De sterren bezwijmden ervoor. Toen was ze weer verdwenen.
Zij stonden op, roerloos als stenen. Gandalf staarde omhoog, zijn armen benedenwaarts uitgestrekt, stijf, met gebalde vuisten.
‘Nazgûl!’ riep hij uit. ‘De boodschappers van Mordor. De storm is op komst. De Nazgûl zijn de Rivier overgestoken! Rijd, rijd! Wacht niet op de dageraad! Laat de snellen niet op de langzamen wachten! Rijd heen!’
Hij sprong op en riep Schaduwvacht terwijl hij voortsnelde. Aragorn volgde hem. Gandalf ging naar Pepijn toe en pakte hem in zijn armen. ‘Je zult deze keer met mij meegaan,’ zei hij. ‘Schaduwvacht zal je laten zien hoe snel hij is.’ Toen rende hij naar de plaats toe waar hij geslapen had. Schaduwvacht stond daar al klaar. Terwijl hij de kleine zak die zijn enige bagage was over zijn schouders gooide, sprong de tovenaar op de rug van het paard. Aragorn tilde Pepijn op en stopte hem in Gandalfs armen, in een mantel en deken gewikkeld.
‘Vaarwel! Kom mij snel achterna!’ riep Gandalf. ‘Vooruit, Schaduwvacht!’
Het grote paard wierp het hoofd achterover. Zijn wapperende staart zwaaide in het maanlicht. Toen sprong hij naar voren, de aarde opwerpend, en verdween als de noordenwind uit de bergen.
‘Een mooie, rustige nacht!’ zei Merijn tegen Aragorn. ‘Sommige lui hebben altijd geluk. Hij wilde niet slapen, en hij wilde met Gandalf meerijden – en daar gaat-ie! In plaats van zelf in een steen te worden veranderd om daar voor altijd als een waarschuwing te staan.’
‘Als jij de eerste was geweest die de Steen van Orthanc had opgepakt, en niet hij, hoe zou het er dan nu voor staan?’ zei Aragorn. ‘Het had je slechter kunnen vergaan. Wie zal het zeggen? Maar ik vrees dat het nu je lot is om met mij mee te gaan, meteen. Ga je klaarmaken en neem alles mee wat Pepijn heeft achtergelaten. Haast je!’
Schaduwvacht joeg over de vlakten zonder aansporing of leiding nodig te hebben. Er was nog geen uur voorbijgegaan, en ze hadden de Voorden van de Isen bereikt en waren die overgestoken. De Berg van de Ruiters met de speren lag grijs achter hen.
Pepijn was aan het herstellen. Hij was warm, maar de wind op zijn gezicht was scherp en verfrissend. Hij was bij Gandalf. De verschrikking van de steen en van de afzichtelijke schaduw over de maan vervaagde, dingen die in de nevels van de bergen of in een voorbijgaande droom waren achtergebleven. Hij haalde diep adem. ‘Ik wist niet dat je zonder zadel reed, Gandalf,’ zei hij. ‘Je hebt niet alleen geen zadel, maar ook geen breidel.’
‘Ik rijd niet op de elfenmanier, behalve op Schaduwvacht,’ zei Gandalf. ‘Want Schaduwvacht verdraagt geen toom. Je rijdt niet op Schaduwvacht: hij is bereid je te dragen – of niet. Als hij bereid is, is dat genoeg. Dan zorgt hij ervoor dat je op zijn rug blijft zitten, tenzij je de lucht in springt.’
‘Hoe snel loopt hij?’ vroeg Pepijn. ‘Snel als de wind, maar heel gelijkmatig. En wat zijn z’n stappen licht!’
‘Hij loopt nu zo snel als het snelste paard zou kunnen galopperen,’ antwoordde Gandalf, ‘maar voor hem is dat niet snel. Het terrein glooit hier en daar een weinig, en is oneffener dan het aan de andere kant van de rivier was. Maar kijk hoe de Witte Bergen naderbij komen onder de sterren. Daarginds zijn de pieken van de Thrihyrne als zwarte speren. Het zal niet lang duren voor we de wegkruising naderen en bij de Dieptekom komen, waar de slag twee nachten geleden werd geleverd.’
Pepijn zweeg weer enige tijd. Hij hoorde Gandalf zacht in zichzelf zingen, en kleine fragmenten poëzie in vele talen mompelen, terwijl de mijlen onder hen voorbijschoten. Ten slotte ging de tovenaar over op een lied waarvan de hobbit de woorden verstond: een paar regels hoorde hij duidelijk in zijn oren boven het ruisen van de wind uit: