Выбрать главу

‘Wat zeg je, Gandalf?’

‘Ik herhaalde alleen maar wat oude versregels voor mezelf,’ antwoordde de tovenaar. ‘Hobbits zijn ze, neem ik aan, vergeten, zelfs die welke zij ooit hebben gekend.’

‘Nee, niet allemaal,’ zei Pepijn. ‘En we hebben er zelf ook vele, die je misschien niet zullen interesseren. Maar deze heb ik nog nooit eerder gehoord. Waar gaat het over – de zeven sterren en zeven stenen?’

‘Over de palantíri van de Koningen van Weleer,’ zei Gandalf.

‘En wat zijn dat?’

‘De naam betekent dat wat ver ziet. De Steen van Orthanc was er een van.’

‘Dus dan werd hij niet, eh, niet’ – Pepijn aarzelde – ‘door de Vijand gemaakt?’

‘Nee,’ zei Gandalf. ‘En ook niet door Saruman. Dat ligt niet in hun vermogen. De palantíri komen van nog verder dan Westernisse, uit Eldamar. De Noldor hebben ze gemaakt. Fëanor zelf, misschien, heeft ze gemaakt in tijden zo lang geleden dat ze niet in jaren kunnen worden gemeten. Maar er is niets dat Sauron niet ten kwade kan aanwenden. Wee Saruman! Het werd zijn ondergang, besef ik nu. Gevaarlijk voor ons allen zijn de oogmerken van een kunst die dieper gaat dan die wij zelf bezitten. Toch moet hij de schuld dragen. Dwaas om het geheim te houden, ten eigen bate. Met geen woord heeft hij er ooit tegen iemand van de Raad over gerept. Wij hadden nog niet aan het lot van de palantíri van Gondor in zijn verwoestende oorlogen gedacht. Door de mensen waren ze bijna helemaal vergeten. Zelfs in Gondor waren ze een geheim dat slechts aan enkelen bekend was; in Arnor waren zij alleen overgeleverd in een oud rijm onder de Dúnedain.’

‘Waar gebruikten de mensen van vroeger ze voor?’ vroeg Pepijn, opgetogen en verbaasd om antwoorden op zoveel vragen te krijgen, terwijl hij zich afvroeg hoelang dat nog zou doorgaan.

‘Om in de verte te kunnen zien, en in gedachten met elkaar te kunnen spreken,’ zei Gandalf. ‘Op die manier bewaakten en verenigden zij het Rijk van Gondor lange tijd. Zij zetten Stenen neer bij Minas Arnor, en Minas Ithil, en bij Orthanc in de kring van Isengard. Het hoofd en de meester hiervan bevond zich onder de Koepel van Sterren in Osgiliath, voordat die werd vernietigd. De drie andere waren ver weg in het Noorden. In het Huis van Elrond wordt verteld dat ze bij Annúminas, en Amon Sûl waren, en Elendils Steen was op de Torenheuvels die uitkijken naar Mithlond in de Golf van Lune, waar de grijze schepen liggen.

Iedere palantír antwoordde de ander, maar alle in Gondor waren altijd open voor de blik van Osgiliath. Nu blijkt dat, aangezien de rots van Orthanc de stormen van de tijd heeft doorstaan, de palantír van die toren daar ook is gebleven. Maar alleen kon hij niets anders doen dan kleine beelden van verre dingen en verafgelegen tijden zien. Niettemin was dat ongetwijfeld heel nuttig voor Saruman; toch schijnt het dat hij niet tevreden was. Steeds verder en verder weg keek hij, tot hij zijn blik op de Barad-dûr wierp. Toen werd hij gevangen!

Wie weet waar de verloren Stenen van Arnor en Osgiliath nu liggen, begraven of diep gezonken? Maar één moet Sauron er minstens hebben verkregen en voor zijn doeleinden gebruikt hebben. Ik vermoed dat het de Steen van Ithil was, want hij had Minas Ithil lang geleden ingenomen en er een slechte plaats van gemaakt: het is Minas Morgul geworden.

Het is nu gemakkelijk te raden hoe vlug het rondwarend oog van Saruman werd verstrikt en gevangen gehouden, en hoe hij sinds die tijd van verre overreed werd, of bedreigd wanneer overreding niets uithaalde. De bijter gebeten, de havik onder de klauw van de adelaar, de spin in een stalen web! Hoelang, vraag ik me af, is hij gedwongen geweest naar zijn kristal te komen voor inspectie en onderricht, waarbij de steen van Orthanc zozeer op de Barad-dûr gericht was dat wanneer iemand, behalve met een wil van adamant, er nu in kijkt, die zijn geest en blik daar snel heen zal voeren?

En hoe sterk trekt die jezelf aan! Heb ik het niet gevoeld?

Ook nu nog verlangt mijn hart ernaar mijn wil erop te beproeven, om te zien of ik me niet aan hem zou kunnen ontrukken en hem richten op wat ik wil – om over de wijde zeeën van water en tijd naar Tirion de Schone te kijken, en de onvoorstelbare hand en geest van Fëanor aan het werk te zien, terwijl zowel de Witte als de Gouden Boom in bloei stond!’ Gandalf zuchtte en zweeg.

‘Ik wou dat ik dit alles eerder had geweten,’ zei Pepijn. ‘Ik had geen idee van wat ik deed.’

‘O ja, dat had je wel,’ zei Gandalf. ‘Je wist dat je je verkeerd en dwaas gedroeg; en dat heb je ook bij jezelf gezegd, hoewel je niet luisterde. Ik heb je dit alles niet eerder verteld, want alleen doordat ik heb nagedacht over alles wat er is gebeurd, heb ik het eindelijk begrepen, juist terwijl wij samen rijden. Maar als ik eerder had gesproken, zou het je begeerte niet hebben verminderd of het je gemakkelijker hebben gemaakt er weerstand aan te bieden. Integendeel! Nee, de verbrande hand leert het beste. Daardoor gaat raad over vuur regelrecht naar het hart.’

‘Inderdaad,’ zei Pepijn. ‘Als alle zeven stenen nu voor mij werden neergelegd, zou ik mijn ogen dichtdoen en mijn handen in mijn zakken stoppen.’

‘Goed,’ zei Gandalf. ‘Daar hoopte ik op.’

‘Maar ik zou graag willen weten –’ begon Pepijn.

‘Genade!’ riep Gandalf. ‘Als het geven van informatie je nieuwsgierigheid moet genezen, zal ik de rest van mijn dagen doorbrengen met je antwoord te geven. Wat wil je nog meer weten?’

‘De namen van alle sterren, en van alle levende wezens, en de hele geschiedenis van Midden-aarde en Boven-hemel en van de Scheidende Zeeën,’ zei Pepijn lachend. ‘Maar wat minder mag ook. Ik heb geen haast vanavond. Op het ogenblik vroeg ik me alleen maar af wat die zwarte schaduw geweest kan zijn. Ik hoorde jou roepen “boodschappers van Mordor”. Wat was het? Wat zou hij in Isengard kunnen doen?’

‘Het was een Zwarte Ruiter op vleugels, een Nazgûl. Hij had je kunnen wegvoeren naar de Zwarte Toren.’

‘Maar hij kwam toch niet om mij te halen?’ hakkelde Pepijn. ‘Ik bedoel, hij wist toch niet dat ik...’

‘Natuurlijk niet,’ zei Gandalf. ‘Het is minstens zeshonderd mijl hemelsbreed van Barad-dûr naar Orthanc, en zelfs een Nazgûl zou er een paar uur voor nodig hebben om die afstand af te leggen. Maar Saruman heeft sinds de overval van de orks stellig in de bol gekeken, en ik twijfel er niet aan of er zijn meer van zijn geheime gedachten gelezen dan zijn bedoeling was. Er is een boodschapper gestuurd om erachter te komen wat hij uitvoert. En na wat er vannacht is gebeurd, zal er denk ik nog een volgen, en vlug ook. Zo zal Saruman in uiterste nood komen door het kwaad dat hij zichzelf op de hals heeft gehaald. Hij heeft geen gevangene om te sturen. Hij heeft geen Steen om mee te kijken, en kan niet aan de oproep beantwoorden. Sauron zal alleen geloven dat hij de gevangene achterhoudt en weigert de Steen te gebruiken. Het zal Saruman niet helpen de boodschapper de waarheid te vertellen. Want al ligt Isengard dan in puin, hijzelf zit nog veilig in Orthanc. Dus of hij wil of niet, hij zal opstandig lijken. Toch heeft hij ons afgewezen om dat juist te voorkomen! Ik heb er geen idee van wat hij in een dergelijke situatie zal doen. Hij heeft nog macht, denk ik, zolang hij in Orthanc zit, om de Negen Ruiters te weerstaan. Misschien zal hij proberen dat te doen. Hij zal misschien proberen de Nazgûl te verstrikken, of in elk geval het wezen te doden waarop die nu door de lucht reist. In dat geval zal Rohan goed op zijn paarden moeten passen!

Maar ik kan niet zeggen hoe het voor ons zal aflopen, goed of slecht. Het kan zijn dat de raadgevingen van de Vijand verward zullen zijn, of belemmerd door zijn woede op Saruman. Misschien zal hij te weten komen dat ik daar was en op de trap van Orthanc stond – met hobbits aan mijn staart bungelend. Of dat een erfgenaam van Elendil leeft en naast mij stond. Als Slangtong niet misleid werd door de wapenrusting van Rohan, zal hij zich Aragorn en de titel die hij opeiste herinneren. Daar ben ik bang voor. En dus vluchten wij – niet voor het gevaar, maar in een groter gevaar. Iedere stap van Schaduwvacht brengt je dichter bij het Land van Schaduw, Peregrijn Toek.’