Выбрать главу

‘Ik hoop dat het zo is,’ zei Sam. ‘Ik wou dat we hem voorgoed kwijt konden zijn!’

‘Ik ook,’ zei Frodo, ‘maar hij is niet mijn voornaamste zorg. Ik wou dat we uit deze heuvels konden komen! Ik haat ze. Ik voel me helemaal naakt aan de oostkant hierboven, met niets anders dan de doodse vlakten tussen mij en die Schaduw ginds. Er zit een Oog in. Kom mee! We moeten vandaag op de een of andere manier naar omlaag zien te komen.’

Maar de dag schreed voort en toen de middag in de avond overging, waren ze nog steeds langs de rand aan het klauteren en hadden geen manier om te ontsnappen gevonden.

Soms meenden zij in de stilte van dat barre land vage geluiden achter zich te horen: een vallende steen of de denkbeeldige stap van kletsende voeten op de stenen. Maar als zij halt hielden om te luisteren hoorden ze niets meer, niets anders dan de wind die over de randen van de rotsblokken suisde – maar zelfs dat deed hen aan adem denken die zachtjes door scherpe tanden floot.

Die hele dag had de buitenste wand van de Emyn Muil geleidelijk naar het noorden gebogen terwijl zij voortzwoegden. Langs de rand ervan strekte zich nu een brede oneffen vlakte van gebarsten en verweerde stenen uit, nu en dan doorsneden door op loopgraven lijkende geulen, die steil omlaag liepen naar diepe inkepingen in de rotswand. In hun pogingen om een pad in deze spleten te vinden, die dieper en menigvuldiger werden, werden Frodo en Sam naar links gedreven, een heel eind van de rand van de rotswand, en merkten niet dat ze al een paar mijl langzaam, maar gestaag, heuvelafwaarts waren gegaan. De top van de rotswand daalde nu langzaam naar het niveau van de laaglanden af.

Eindelijk werden zij tot staan gebracht. De bergrug beschreef een scherpere bocht naar het noorden en werd door een dieper ravijn doorsneden. Aan de andere kant verrees hij weer zonder onderbreking; een hoge grijze rotswand rees voor hen op, alsof hij door een mes recht omlaag was afgesneden. Zij konden niet verder vooruit en moesten nu naar het oosten of het westen afbuigen. Maar het westen betekende nog meer inspanning en oponthoud, terug naar het hart van de heuvels; het oosten zou hen naar de buitenste rand van de afgrond voeren.

‘Er zit niets anders op dan door dit ravijn omlaag te klauteren, Sam,’ zei Frodo. ‘Laten we maar eens kijken waar het heen leidt!’

‘Een gemene val, wed ik,’ zei Sam.

Het ravijn was langer en dieper dan het eruitzag. Een eindje verder naar beneden troffen zij een paar verwrongen en geknakte bomen aan, de eerste die zij in dagen hadden gezien; voornamelijk gekromde berken, met hier en daar een spar. Vele waren dood en hol, tot op het merg door de oostenwind aangetast. Eens, in mildere tijden, moest er een mooi bosje in het ravijn hebben gestaan, maar nu, na ongeveer vijftig meter, hielden de bomen op, hoewel oude stronken tot vrijwel vlak bij de rand van de rotswand stonden. De bodem van het ravijn, die langs de rand van een rotsbreuk liep, was moeilijk begaanbaar door de gebroken stenen en liep steil naar beneden. Toen zij eindelijk aan het einde ervan waren gekomen, bukte Frodo zich en leunde voorover.

‘Kijk!’ zei hij, ‘we moeten een heel eind omlaag zijn gegaan, of anders is de rotswand verzakt. Het is hier veel lager dan eerst, en het ziet er ook gemakkelijker uit.’

Sam knielde naast hem neer en keek schoorvoetend over de rand. Toen wierp hij een blik op de hoge rotswand die links van hen oprees. ‘Gemakkelijker,’ gromde hij. ‘Welnu, ik neem aan dat het altijd gemakkelijker is om naar beneden te gaan dan naar boven. Zij die niet kunnen vliegen, kunnen springen!’

‘Het zou toch een behoorlijke sprong zijn,’ zei Frodo. ‘Ongeveer – nou – ’ hij bleef een ogenblik staan om het met zijn ogen te schatten – ‘ongeveer achttien vadem, denk ik. Meer niet.’

‘En dat is genoeg!’ zei Sam. ‘Oef. Ik vind het vreselijk om van een hoogte naar beneden te kijken. Maar kijken is beter dan klimmen.’

‘In ieder geval,’ zei Frodo, ‘denk ik dat wij hier zouden kunnen klimmen, en ik vind dat we het moeten proberen. Kijk eens – de rots is hier heel anders dan hij een paar mijl terug was. Hij is verzakt en gescheurd.’

De buitenste wand was inderdaad niet langer steil, maar helde enigszins schuin naar buiten. Hij zag eruit als een grote vestingwal of zeedijk waarvan de funderingen waren verzakt, zodat de steenlaag helemaal verwrongen en ontzet was, en er grote spleten en lange schuine randen in waren gekomen die op sommige plaatsen bijna even breed waren als een trap.

‘En als we toch van plan zijn te proberen naar beneden te komen, moesten we het maar meteen doen. Het wordt vroeg donker. Ik denk dat er onweer op komt zetten.’

De nevelachtige lijn van de bergen in het oosten was opgelost in een diepere zwartheid, die al lange armen naar het westen uitstak. In de verte klonk gerommel van donder, dat door de opstekende wind werd meegevoerd. Frodo snoof de lucht op en keek bedenkelijk naar de hemel. Hij gespte zijn riem om zijn mantel, trok hem aan en gooide zijn lichte pak op de rug; toen stapte hij naar de rand. ‘Ik ga het proberen,’ zei hij.

‘Uitstekend!’ zei Sam somber. ‘Maar ik ga eerst.’

‘Jij?’ vroeg Frodo. ‘Waarom denk je nu ineens anders over klimmen?’

‘Ik ben niet van gedachten veranderd. Het is alleen maar logisch: zet degene die de meeste kans loopt uit te glijden het laagst neer. Ik wil niet boven op u terechtkomen en u eraf gooien – het heeft geen zin om twee in één val te doden.’

Voordat Frodo hem kon tegenhouden, ging hij zitten, gooide zijn benen over de rand en draaide zich om, terwijl hij met zijn tenen naar een steunpunt zocht. Het valt te betwijfelen of hij ooit in koelen bloede iets dapperders of iets onverstandigers deed.

‘Nee, nee! Sam, ezelsveulen!’ zei Frodo. ‘Je zult jezelf zeker om zeep brengen als je er zo overheen gaat zonder ook maar te kijken waar je heen gaat. Kom terug!’ Hij pakte Sam onder de oksels en hees hem weer op. ‘Wacht nou eens even en heb geduld,’ zei hij. Toen ging hij op de grond liggen, naar voren leunend en naar beneden kijkend, maar het licht scheen snel te minderen, hoewel de zon nog niet onder was. ‘Ik denk dat we dit wel kunnen klaren,’ zei hij weldra. ‘Ik in ieder geval wel, en jij ook, als je je hersens maar bij elkaar houdt en me voorzichtig volgt.’

‘Ik weet niet hoe u daar zo zeker van kunt zijn,’ zei Sam. ‘Lieve help! Je kunt niet eens de grond zien in dit licht. Wat gebeurt er als u op een plek komt waar u uw handen en voeten nergens kunt neerzetten?’

‘Terugklimmen, veronderstel ik,’ zei Frodo.

‘Gemakkelijk gezegd,’ wierp Sam tegen. ‘Laten we liever wachten tot de ochtend als het lichter is.’

‘Nee! Als het aan mij ligt niet,’ zei Frodo met een plotselinge vreemde heftigheid. ‘Ik wil geen uur, geen minuut meer verliezen. Ik ga naar omlaag om het te proberen. En volg me niet totdat ik terugkom of roep!’

Terwijl hij het rotsachtige uitsteeksel van de rand met zijn vingers beetpakte, liet hij zich zacht naar beneden glijden, tot hij, toen zijn armen bijna helemaal gestrekt waren, een richel vond. ‘Een stap naar beneden!’ zei hij. ‘En deze richel verbreedt zich naar rechts. Ik zou erop kunnen staan zonder mij vast te houden. Ik zou –’ maar zijn woorden werden afgesneden.

De aansnellende duisternis, die nu nog dieper werd, kwam uit het oosten aansuizen en slokte de hemel op. Vlak boven zijn hoofd klonk een droge krakende donderslag. Verschroeiende bliksemstralen striemden op de heuvels neer. Toen kwam er een woeste windstoot en te midden van het gebulder klonk een hoge schrille kreet. De hobbits hadden precies zo’n kreet in de Moer gehoord toen zij van Hobbitstee waren gevlucht, en zelfs daar, in de bossen van de Gouw, had het hun bloed doen stollen. Maar hier in de wildernis was het nog veel angstaanjagender: het sneed dwars door je heen met koude messen van afgrijzen en wanhoop, en deed hart en adem stokken. Sam liet zich plat op zijn gezicht vallen. Frodo verloor onwillekeurig zijn houvast en sloeg zijn handen tegen zijn hoofd en oren. Hij wankelde, gleed uit en glibberde met een jammerlijke kreet naar beneden.