Sam hoorde hem en kroop met grote moeite naar de rand.
‘Meester, meester!’ riep hij. ‘Meester!’
Hij kreeg geen antwoord. Hij merkte dat hij over zijn hele lichaam rilde, maar hij hervond zijn adem, en opnieuw riep hij: ‘Meester!’ De wind scheen zijn stem in zijn keel terug te waaien, maar toen de vlaag voorbij was en brullend door het ravijn en over de heuvels woei, kwam er een flauwe kreet als antwoord:
‘Ja, ja! Ik ben hier. Maar ik kan niets zien.’
Frodo riep met zwakke stem. Eigenlijk was hij niet erg ver weg. Hij was uitgegleden, maar niet gevallen, en was meteen weer op een bredere rand terechtgekomen, slechts een paar meter lager. Gelukkig helde de rotswand op dit punt een heel eind naar achteren en de wind had hem tegen de wand aangedrukt, zodat hij niet voorover was gevallen. Hij liet zichzelf wat op verhaal komen en legde zijn gezicht tegen de koude steen terwijl hij zijn hart voelde bonzen. Maar óf de duisternis was volkomen geworden, óf zijn ogen hadden hun gezichtsvermogen verloren. Alles om hem heen was pikzwart. Hij vroeg zich af of hij met blindheid was geslagen. Hij haalde diep adem.
‘Kom terug! Kom terug!’ hoorde hij Sams stem uit de zwartheid boven hem roepen.
‘Dat kan ik niet,’ zei hij. ‘Ik kan niet zien! Ik kan geen houvast vinden. Ik kan me nog niet bewegen.’
‘Wat kan ik doen, meneer Frodo? Wat kan ik doen?’ riep Sam, zich gevaarlijk ver vooroverbuigend. Waarom kon zijn meester hem niet zien? Het was inderdaad duister, maar toch niet zo donker. Hij kon Frodo onder zich zien, een grijze, eenzame figuur tegen de rotsmuur aangedrukt. Maar hij was ver buiten het bereik van een helpende hand.
Er klonk weer een donderslag; en toen kwam de regen. In een verblindend gordijn, vermengd met hagel, striemde hij tegen de wand, bitterkoud.
‘Ik kom naar u toe,’ riep Sam, hoewel hij niet wist hoe hij op die manier zou kunnen helpen.
‘Nee, nee, wacht!’ riep Frodo terug, luider nu. ‘Ik zal weldra beter zijn. Ik voel me al beter. Wacht! Je kunt niets doen zonder een touw.’
‘Touw!’ riep Sam uit, in zijn opwinding en opluchting verward in zichzelf pratend. ‘Welnu, als ik het niet verdien om aan het eind ervan te worden opgeknoopt als een waarschuwing voor stomkoppen! Je bent een geheide sukkel, Sam Gewissies. Dat heeft de Gabber vaak genoeg tegen me gezegd; dat was een van zijn uitdrukkingen. Touw!’
‘Hou op met je gewauwel!’ riep Frodo uit, die nu voldoende was hersteld om zich zowel geamuseerd als geërgerd te voelen. ‘Laat je Gabber met rust. Probeer je je wijs te maken dat je een stuk touw in je zak hebt? Zo ja, kom op ermee!’
‘Ja, meneer Frodo, gewoon in mijn pak. Heb het honderden mijlen meegesjouwd en was het glad vergeten.’
‘Schiet op dan en laat een eind naar beneden zakken!’
Vlug liet Sam het pak van zijn rug afglijden en haalde de inhoud ervan overhoop. En zowaar, op de bodem ervan lag een rol van het zilvergrijze touw dat door het volk van Lórien was gemaakt. Hij wierp zijn meester het ene uiteinde toe. De duisternis voo r Frodo’s ogen scheen op te trekken, of zijn gezichtsvermogen keerde terug. Hij kon de grijze lijn zien toen die naar omlaag kwam bungelen, en hij meende dat er een licht zilveren glans over lag. Nu hij een punt in de duisternis had om zijn blik op te richten voelde hij zich minder duizelig. Terwijl hij zich vooroverboog, bevestigde hij het eind ervan om zijn middel en greep de lijn toen met beide handen vast.
Sam liep achteruit en zette zijn voeten schrap tegen een boomstronk een paar meter van de rand. Half gehesen, half klauterend kwam Frodo boven en wierp zich op de grond. De donder gromde en rommelde in de verte en de regen viel nog steeds neer. De hobbits kropen terug in het ravijn, maar vonden er niet veel beschutting. Kleine beekjes begonnen naar beneden te lopen; weldra groeiden ze aan tot een banjir die op de stenen spetterde en schuimde, en over de rotswand spoot als de goten van een enorm dak.
‘Ik zou daarbeneden half verdronken zijn, of er finaal zijn afgespoeld,’ zei Frodo. ‘Wat een geluk dat je dat touw had!’
‘Het zou een nog groter geluk zijn geweest als ik er eerder aan had gedacht,’ zei Sam. ‘Misschien herinnert u zich dat ze de touwen in de boot hebben gelegd toen we op weg gingen: in het elfenland. Ik vond het erg mooi en heb er een rol van in mijn rugzak gestopt. Jaren geleden, schijnt het. “Het kan in vele behoeften voorzien,” zei Haldir of een van die lieden. En hij had gelijk.’
‘Jammer dat ik er niet aan heb gedacht om ook een stuk mee te nemen,’ zei Frodo. ‘Maar ik heb het Gezelschap zo gehaast en in verwarring verlaten. Als we er genoeg van hadden, zouden we het kunnen gebruiken om beneden te komen. Ik vraag me af hoe lang jouw touw is.’
Sam rolde het langzaam af, het met zijn armen metend. ‘Vijf, tien, twintig, dertig el, min of meer,’ zei hij.
‘Dertig el! Wie had dat kunnen denken!’ riep Frodo uit.
‘Ja, wie had dat gedacht?’ zei Sam. ‘Elfen zijn wonderlijke lieden. Het ziet er een beetje dun uit, maar het is taai en voelt zo zacht aan als zijde. Laat zich stevig oprollen en is licht als een veertje. Wonderlijke lieden zijn het!’
‘Dertig el,’ overwoog Frodo. ‘Ik denk dat het genoeg zou zijn. Als het onweer voor het invallen van de nacht wegtrekt, ga ik het proberen.’
‘De regen is al bijna opgehouden,’ zei Sam, ‘maar denk erom dat u niet nog eens iets gevaarlijks in het donker gaat uithalen, meneer Frodo. En ik ben nog niet over die kreet in de wind heen, of u wel soms? Het klonk als een Zwarte Ruiter – maar dan een in de lucht, alsof ze kunnen vliegen. Ik vind dat we maar het beste in deze spleet kunnen blijven liggen tot de nacht om is.’
‘En ik denk dat ik hier geen moment langer zal doorbrengen dan nodig is, vastgeprikt op deze rand terwijl de ogen van het Zwarte Land de moerassen afzoeken,’ zei Frodo.
Terwijl hij dit zei, stond hij op en ging weer naar het einde van het ravijn. In het oosten begon de hemel weer helder te worden. De zomen van het onweer trokken op, gehavend en nat, en de grootste bui was voorbijgetrokken en spreidde nu zijn grote vleugels uit over de Emyn Muil, waarover de donkere gedachten van Sauron een tijdje bleven hangen. Vandaar ging het terug; het geselde het dal van de Anduin met hagel en bliksem en wierp zijn schaduw op Minas Tirith met de dreiging van oorlog. Toen, nadat het in de bergen was gedaald en de grote pieken had verhuld, trok het langzaam over Gondor en de grenzen van Rohan, totdat heel in de verte de Ruiters op de vlakte zijn donkere torens achter de zon zagen bewegen terwijl zij naar het westen reden. Maar hier, boven de woestijn en de stinkende moerassen, werd de diepblauwe avondhemel weer helder, en er verschenen een paar bleke sterren als kleine witte gaten in het baldakijn boven de maansikkel.
‘Het is goed om weer te kunnen zien,’ zei Frodo, terwijl hij diep ademhaalde. ‘Weet je dat ik even dacht dat ik blind was geworden? Van de bliksem of iets nog ergers. Ik kon niets zien, geen sikkepit, totdat het grijze touw naar beneden kwam. Het scheen op de een of andere manier te schitteren.’
‘Het ziet er zilverachtig uit in het donker,’ zei Sam. ‘Ik heb het nog nooit eerder opgemerkt, maar ik kan me ook niet herinneren dat ik het ooit tevoorschijn heb gehaald sinds ik het heb ingepakt. Maar als u met alle geweld wilt klimmen, meneer Frodo, hoe gaat u het dan gebruiken? Dertig el, of zeg achttien vadem: dat is niet meer dan waarop u de hoogte van de rotsmuur schatte.’
Frodo dacht een poosje na. ‘Maak het aan die stronk vast, Sam,’ zei hij. ‘Ik denk dat je deze keer je zin krijgt en het eerste gaat. Ik zal je laten zakken, en jij hoeft niets anders te doen dan je handen en voeten gebruiken om je van de rots af te houden. Hoewel het zal helpen als je je gewicht op sommige richels laat rusten en mij even rust geeft. Als je beneden bent, volg ik je. Ik voel me nu weer helemaal de oude.’
‘Heel goed,’ zei Sam moeizaam. ‘Als het toch moet, dan maar meteen!’ Hij pakte het touw en maakte het aan de stronk vast die het dichtst bij de rand stond; toen knoopte hij het andere einde om zijn middel. Hij keerde zich aarzelend om en maakte zich op om voor de tweede keer over de rand te gaan.