Het bleek echter niet half zo erg als hij had verwacht. Het touw scheen hem vertrouwen te geven, hoewel hij zijn ogen meer dan eens dichtkneep wanneer hij tussen zijn voeten door omlaag keek. Er was één lastige plek, waar geen richel was en de wand steil en zelfs een eindje ingesneden; daar gleed hij uit en bungelde aan het zilveren touw heen en weer. Maar Frodo liet hem langzaam en geleidelijk zakken, en eindelijk was hij er. Zijn voornaamste angst was geweest dat het touw niet lang genoeg zou blijken te zijn terwijl hij nog steeds hoog boven de grond hing, maar Frodo had nog een heel eind over toen Sam de grond raakte en naar boven riep: ‘Ik ben er!’ Zijn stem klonk helder, maar Frodo kon hem niet zien; zijn grijze elfenmantel was met de schemering versmolten.
Frodo had heel wat meer tijd nodig om hem te volgen; hij had het touw om zijn middel en het zat boven vast, en hij had het korter gemaakt zodat het hem zou stuiten voor hij de grond bereikte; toch wilde hij geen val riskeren, en hij had niet hetzelfde vertrouwen als Sam in deze dunne grijze lijn. Niettemin kwam hij twee plaatsen tegen waar hij er volledig op moest vertrouwen: gladde oppervlakten waar zelfs geen houvast was voor sterke hobbitvingers en de richels ver uiteen waren. Maar ten slotte was ook hij beneden.
‘Nou!’ riep hij uit. ‘We hebben het ’m gelapt! We zijn aan de Emyn Muil ontkomen! En wat gaan we nu doen? Misschien zullen we spoedig naar goede harde rots onder onze voeten terugverlangen.’
Maar Sam antwoordde niet; hij staarde weer omhoog naar de wand. ‘Domkoppen,’ zei hij. ‘Gossiepietje. Mijn mooie touw. Het zit daar om een stronk gebonden en wij staan hier beneden. Dat is het mooiste trappetje dat we voor die gluiperige Gollem kunnen achterlaten. We moeten ook maar een richtingaanwijzer neerzetten om te zeggen welke kant we zijn uitgegaan! Ik dacht al dat het wat te gemakkelijk leek.’
‘Als jij een manier kunt bedenken waarop we zowel het touw hadden kunnen gebruiken als het met ons mee naar beneden nemen, mag je mij een domkop noemen, of iets anders dat de Gabber jou naar het hoofd heeft geslingerd,’ zei Frodo. ‘Klim maar naar boven om het los te maken en kom dan naar beneden, als je wilt!’
Sam krabde op zijn hoofd. ‘Nee, ik kan niet bedenken hoe, verexcuseer,’ zei hij. ‘Maar ik vind het niet prettig om het achter te laten, zo is het.’ Hij streelde het uiteinde van het touw en schudde het zacht. ‘Het is moeilijk om afscheid te nemen van iets dat ik uit het elfenland heb meegenomen. Misschien is het wel door Galadriel zelf gemaakt,’ mompelde hij, terwijl hij droevig het hoofd schudde. Hij keek omhoog en gaf een laatste harde ruk aan het touw alsof hij er afscheid van wilde nemen.
Tot grote verbazing van de twee hobbits schoot het los. Sam viel om en de lange grijze lussen gleden geruisloos boven op hem neer. Frodo lachte. ‘Wie heeft het touw vastgeknoopt?’ vroeg hij. ‘Het is maar goed dat het zo lang gehouden heeft. Te bedenken dat ik mijn hele gewicht aan jouw knoop heb toevertrouwd!’
Sam lachte niet. ‘Misschien ben ik niet erg goed in klimmen, meneer Frodo,’ zei hij op gekrenkte toon, ‘maar ik weet wel iets af van touwen en knopen. Het zit in de familie zou u kunnen zeggen. Allemachies, mijn overgrootvader, en na hem mijn oom Andries, feitelijk de oudste broer van de Gabber, heeft vele lange jaren een lijnbaan bij Weideveld gehad. En mijn knoop om de stronk was zo stevig als iemand uit of van buiten de Gouw hem maar had kunnen maken.’
‘Dan moet het touw zijn gebroken – doorgesleten aan de rotswand, denk ik,’ zei Frodo.
‘Ik wed van niet!’ zei Sam op een nog beledigder toon. Hij boog zich voorover en onderzocht de uiteinden. ‘Helemaal niet. Geen rafeltje.’
‘Dan vrees ik toch dat het de knoop moet zijn geweest,’ zei Frodo.
Sam schudde het hoofd, maar gaf geen antwoord. Hij liet het touw nadenkend door zijn vingers glijden. ‘U mag ervan denken wat u wilt, meneer Frodo,’ zei hij ten slotte, ‘maar ik denk dat het touw vanzelf naar beneden is gekomen – toen ik riep.’ Hij rolde het op en stouwde het liefdevol in zijn knapzak.
‘Het is zonder enige twijfel naar beneden gekomen,’ zei Frodo, ‘en dat is het voornaamste. Maar nu moeten we aan onze volgende stap denken. Het zal weldra nacht zijn. Wat zijn de sterren prachtig, en de maan!’
‘Ze vrolijken je op, nietwaar?’ zei Sam terwijl hij omhoogkeek. ‘Ze zijn elfs op de een of andere manier. En de maan wast. We hebben hem al een paar nachten niet gezien met dit bewolkte weer. Hij begint behoorlijk licht te geven.’
‘Ja,’ zei Frodo, ‘maar het zal nog wel een paar dagen duren voor hij vol is. Ik denk niet dat we ons bij het licht van halvemaan in de moerassen moeten wagen.’
In de eerste schaduwen van de nacht begonnen zij aan de volgende etappe van hun reis. Na een tijdje draaide Sam zich om en keek naar de weg die zij gekomen waren. De opening van het ravijn was een zwarte stip in de schemerachtige rotswand geworden. ‘Ik ben blij dat we het touw hebben,’ zei hij. ‘We hebben die struikrover in ieder geval voor een raadsel gesteld. Laat ’m maar eens proberen hoe ver hij met die enge platte voeten van ’m op die richels komt.’
Zij liepen van de rand van de klif weg door een woestenij van keien en grove stenen, nat en glibberig door de zware regen. Het terrein helde nog altijd sterk af. Zij waren niet ver gegaan toen ze bij een grote spleet kwamen, die plotseling zwart voor hun voeten gaapte. Zij was niet breed, maar toch te breed om er in het slechte licht overheen te springen. Zij meenden water in de afgrond te horen gorgelen. De spleet boog links van hen naar het noorden af, terug naar de heuvels, en versperde hun zodoende de weg in die richting, althans zolang het donker was.
‘Ik geloof dat we beter kunnen proberen een weg naar het zuiden te vinden, langs de rand van de klif,’ zei Sam. ‘Misschien vinden we daar een schuilplaats of zelfs een grot of iets dergelijks.’
‘Dat lijkt mij ook,’ zei Frodo. ‘Ik ben moe en ik denk niet dat ik vannacht nog veel langer over deze stenen kan klauteren – hoewel het oponthoud mij niet aanstaat. Ik wou dat we een duidelijk pad voor ons hadden: in dat geval zou ik verdergaan tot mijn benen het begaven.’
Zij vonden het helemaal niet gemakkelijker om vooruit te komen aan de oneffen voet van de Emyn Muil. En Sam vond ook geen plekje of grot om in te schuilen: alleen maar kale rotsachtige hellingen in de schaduw van de rotswand, die nu weer oprees, hoger en steiler naarmate zij teruggingen. Ten slotte zetten ze zich uitgeput gewoon op de grond onder de beschutting van een grote kei, die niet ver van de voet van de afgrond lag. Daar bleven zij enige tijd neerslachtig ineengedoken naast elkaar zitten in de koude nacht, terwijl de slaap hen ondanks hun pogingen om wakker te blijven overmande. De maan stond nu hoog en helder aan de hemel. Haar ijle witte licht verlichtte de wanden van de rotsen en bescheen de koude dreigende muren van de rots, en veranderde heel de wijde onheilspellende duisternis in een kil flets grijs, doorgroefd met zwarte schaduwen.
‘Nu dan,’ zei Frodo, terwijl hij ging staan en zijn mantel dichter om zich heen trok. ‘Ga jij maar een poosje slapen, Sam, en neem mijn deken. Ik zal op en neer lopen en een tijdje de wacht houden.’ Plotseling verstijfde hij, en terwijl hij zich vooroverboog, greep hij Sam bij de arm. ‘Wat is dat?’ fluisterde hij. ‘Kijk daar eens op de rots!’
Sam keek en haalde hoorbaar adem tussen zijn tanden. ‘Ssss!’ zei hij. ‘Dat is ’m. Het is de Gollem! Alle slangen en adders nog aan toe! En dan te denken dat wij dachten dat we hem met onze klimpartij van de wijs hadden gebracht. Kijk hem eens! Als een smerige kruipende spin op een muur.’
Langs de wand van de afgrond, die in het fletse maanlicht steil en vrijwel vlak scheen, bewoog zich een zwarte gedaante, zijn dunne ledematen uitgespreid. Misschien dat zijn zachte grijpende handen en tenen spleten en steunpunten vonden, die geen hobbit ooit zou hebben gezien of gebruikt, maar het leek alsof hij gewoon op kleefpoten naar beneden kroop, als een groot, sluipend insectachtig wezen. En hij kwam naar beneden met het hoofd omlaag, alsof hij rook waar hij heen moest. Nu en dan tilde hij zijn hoofd langzaam op, en draaide het helemaal om op de lange dunne nek, en de hobbits zagen heel even twee bleke glanzende lichtjes: zijn ogen die een moment tegen de maan knipperden en zich weer vlug sloten.