‘Sssja, ja, dat is waar,’ zei Gollem terwijl hij rechtop ging zitten. ‘Aardige hobbits. We zullen met hen meegaan. We zullen veilige paadjess in het donker voor ze vinden, dat zullen we. En waar gaan ze naartoe door deze koude sslechte landen, vragen wij ons af, ja dat vragen wij ons af.’ Hij keek ze aan en heel even flikkerde een flauw lichtje van slimheid en verlangen in zijn lichte knipperende ogen.
Sam hoonde hem en zoog op zijn tanden, maar hij scheen te voelen dat er iets vreemds was aan de stemming van zijn meester en dat er niet over te praten viel. Maar toch was hij verbaasd over Frodo’s antwoord.
Frodo keek Gollem recht in de ogen, die knipperden en zijn blik ontweken. ‘Dat weet je, of je hebt er een sterk vermoeden van, Sméagol,’ zei hij, kalm maar streng. ‘We gaan naar Mordor, natuurlijk. En jij weet de weg daarheen, geloof ik.’
‘Ach! Sss!’ zei Gollem, terwijl hij zijn oren met zijn handen bedekte, alsof een dergelijke openhartigheid en het openlijk uitspreken van namen hem pijn deden.
‘Wij vermoedden het, ja, we vermoedden het,’ fluisterde hij, ‘en wij wilden niet dat ze zouden gaan. Nee, lieveling, niet die aardige hobbits. Asss, as en stof, en dorsst heerst er; en er zijn putten, putten, putten en orks, duizenden orks; aardige hobbits moeten niet gaan – sss – naar die plaatsen.’
‘Dus je bent er geweest?’ hield Frodo aan. ‘En je wordt er weer naartoe getrokken, nietwaar?’
‘Sssja. Ja. Nee!’ riep Gollem uit. ‘Eens, per ongeluk was het, nietwaar, lieveling? Ja, per ongeluk. Maar we willen niet terug, nee, nee!’ Toen plotseling veranderden zijn stem en zijn taal, en hij snikte in zijn keel en sprak, maar niet tegen hen. ‘Laat me met rust, gollem! Je doet me pijn. O, mijn arme handen, gollem! Ik, wij, ik wil niet teruggaan. Ik kan het niet vinden. Ik ben moe. Ik kan het niet vinden, gollem, gollem, nee, nergens. Ze waken altijd. Dwergen, mensen en elfen, verschrikkelijke elfen met heldere ogen. Ik kan het niet vinden. Ach!’ Hij stond op en kneep zijn hand samen tot een bottige vleesloze bal, die hij tegen het oosten opstak. ‘We willen niet!’ riep hij. ‘Niet voor jou.’ Toen stortte hij weer in. ‘ Gollem, gollem, ’ griende hij met het gezicht op de grond. ‘Kijk ons niet aan! Ga weg! Ga ssslapen!’
‘Hij zal niet op jouw bevel weggaan of gaan slapen, Sméagol,’ zei Frodo. ‘Maar als je werkelijk van hem bevrijd wilt zijn, moet je me helpen. En dat betekent, vrees ik, dat je een weg voor ons moet vinden die naar hem toe leidt. Maar je hoeft niet de hele weg te gaan, niet verder dan de poorten van zijn land.’
Gollem ging weer rechtop zitten en keek hem van onder zijn oogleden aan. ‘Hij is daarginds,’ kakelde hij. ‘Altijd daar. Orksss zullen je ernaartoe brengen. Orks zullen je er helemaal heen brengen. Makkelijk om orks aan de oostkant van de Rivier te vinden. Vraag het niet aan Ssméagol. Arme, arme Sméagol, hij is lang geleden weggegaan. Ze hebben zijn Lieveling van hem afgenomen, en nu issie verloren.’
‘Misschien zullen we hem terugvinden als je met ons meegaat,’ zei Frodo.
‘Nee, nooit! Hij heeft zijn Lieveling verloren,’ zei Gollem.
‘Sta op!’ zei Frodo.
Gollem stond op en deinsde achteruit tegen de rotswand.
‘Nu!’ zei Frodo. ‘Kun je een pad gemakkelijker bij dag vinden of bij nacht? We zijn moe, maar als jij de nacht kiest, zullen we vannacht op weg gaan.’
‘De grote lichten doen onze ogen pijn, ja dat doen ze,’ klaagde Gollem. ‘Niet onder het Witte Gezicht, nog niet. Het zal weldra achter de heuvels verdwijnen. Sssja. Rust eerst wat, aardige hobbits!’
‘Ga dan zitten,’ zei Frodo, ‘en verroer je niet.’
De hobbits gingen naast hem zitten, een aan elke kant, met hun rug tegen de rotsmuur en gaven hun benen rust. Zij behoefden geen afspraak te maken: ze wisten dat ze geen ogenblik moesten slapen. Langzaam trok de maan voorbij. Schaduwen vielen van de heuvels neer, en voor hen uit werd alles donker. De sterren werden zeer talrijk en helder aan de hemel boven. Niemand bewoog zich. Gollem zat met opgetrokken benen, zijn kin op de knieën, handen en voeten plat op de grond, de ogen gesloten; maar hij scheen gespannen, alsof hij zat na te denken of te luisteren.
Frodo keek Sam aan. Hun blikken kruisten elkaar en zij begrepen elkaar. Zij ontspanden zich, de hoofden achterovergeleund, en sloten de ogen of deden alsof. Weldra was het geluid van hun zachte ademhaling hoorbaar. Gollems handen schokten een beetje. Nauwelijks merkbaar bewoog hij zijn hoofd naar links en rechts, en eerst ging het ene oog een beetje open en toen het andere. De hobbits verroerden zich niet.
Plotseling, met verrassende behendigheid en snelheid, sprong Gollem naar voren de duisternis in, recht van de grond met een sprong als van een sprinkhaan of kikker. Maar dat was precies wat Frodo en Sam hadden verwacht. Sam zat al boven op hem voordat hij twee passen verder was na zijn sprong. Frodo, die van achteren kwam, greep zijn been en liet hem struikelen.
‘Je touw zou weer goede diensten kunnen bewijzen, Sam,’ zei hij.
Sam haalde het tevoorschijn. ‘En waar wou je heen in de koude slechte landen, meneer Gollem?’ gromde hij. ‘Dat zouden we wel eens willen weten, wis en waarachtig. Een paar van je orkvriendjes opzoeken, wed ik. Smerig verraderlijk creatuur dat je bent. Dit touw behoort eigenlijk om je nek heen te gaan, en liefst met een nauwe strop.’
Gollem bleef rustig liggen en probeerde geen verdere streken meer uit te halen. Hij gaf Sam geen antwoord, maar wierp hem vlug een venijnige blik toe.
‘Het enige dat wij nodig hebben is iets om hem aan vast te houden,’ zei Frodo. ‘We willen hem laten lopen, daarom heeft het geen zin zijn benen te binden – of zijn armen; die schijnt hij evenveel te gebruiken. Bind het ene einde om zijn enkel en houd het andere einde goed vast.’
Hij stond over Gollem gebogen, terwijl Sam de knoop legde. Het resultaat verbaasde hen beiden. Gollem begon te gillen, een schril, hartverscheurend geluid, vreselijk om aan te horen. Hij wriggelde en probeerde zijn mond bij zijn enkel te krijgen om het touw door te bijten. Hij schreeuwde aan één stuk door.
Ten slotte was Frodo ervan overtuigd dat hij echt pijn had, maar het kon niet van de knoop zijn. Hij onderzocht haar en merkte dat zij niet te strak was, eigenlijk nauwelijks stevig genoeg. Sam was vriendelijker dan zijn woorden. ‘Wat is er met je aan de hand?’ vroeg hij. ‘Als je probeert weg te lopen, moeten we je vastbinden; maar we willen je geen pijn doen.’
‘Het doet ons pijn. Het doet ons pijn,’ siste Gollem. ‘Het vriessst, het bijt! Elfen hebben het gevlochten, vervloekt! Nare, sluwe hobbits! Daarom probeerts wij natuurlijk te ontsnappen. We dachten al dat het sslechte hobbits waren. Ze bezoeken elfen, felle elfen met heldere ogen. Maak het losss! Het doet ons pijn!’
‘Nee, ik zal het niet losmaken,’ zei Frodo, ‘tenzij – ’ hij zweeg een ogenblik terwijl hij nadacht – ‘tenzij je een belofte kunt doen waarop ik kan vertrouwen.’
‘We zullen zweren te doen wat hij wil, sssja, sssja,’ zei Gollem, die zich nog steeds in bochten wrong en naar zijn enkel greep. ‘Het doet ons pijn.’
‘Zweren?’ vroeg Frodo.
‘Sméagol,’ zei Gollem plotseling en duidelijk, terwijl hij zijn ogen wijd opende en Frodo met een vreemd licht aankeek. ‘Sméagol zal op de Lieveling zweren.’
Frodo zette zijn borst vooruit en Sam verbaasde zich weer over zijn woorden en strenge stem. ‘Op de Lieveling? Hoe durf je,’ zei hij. ‘Denk je eens in!
Zou je iets op die belofte willen vastleggen, Sméagol? Hij zal je vasthouden. Maar hij is verraderlijker dan jij. Hij zou je woorden kunnen verdraaien. Pas op!’
Gollem dook ineen. ‘Op de Lieveling, op de Lieveling!’ herhaalde hij.