Выбрать главу

‘En wat zou je zweren?’ vroeg Frodo.

‘Heel, heel braaf te zijn,’ zei Gollem. Toen kroop hij naar Frodo’s voeten en wierp zich voor hem neer, hees fluisterend; een rilling doorvoer hem alsof de woorden zijn botten van angst deden trillen. ‘Sméagol zal zweren dat hij hem nooit ofte nimmer zal krijgen. Nooit. Sméagol zal hem redden. Maar hij moets op de Lieveling zweren.’

‘Nee, niet erop,’ zei Frodo, met streng medelijden op hem neerkijkend. ‘Het enige dat jij wilt is hem zien en aanraken, als je de kans krijgt, hoewel je weet dat het je gek zou maken. Niet erop. Zweer erbij, als je wilt. Want je weet waar hij is. Ja, je weet het, Sméagol. Hij is vlak voor je.’

Een ogenblik scheen het Sam toe dat zijn meester was gegroeid en Gollem was gekrompen: een hoge strenge schaduw, een machtige vorst die zijn luister in grijze wolken verhulde met aan zijn voeten een jankend hondje. Maar op de een of andere manier waren de twee verwant en niet vreemd: zij konden met elkaars gedachten in contact komen. Gollem verhief zich en begon Frodo te aaien, voor zijn knieën kruipend.

‘Neer! Neer!’ zei Frodo. ‘Leg nu je belofte af.’

‘We beloven, ja ik beloof!’ zei Gollem. ‘Ik zal de meester van de Lieveling dienen. Goede meesster, goede Ssméagol, gollem, gollem.’ Ineens begon hij te huilen en weer naar zijn enkel te happen.

‘Maak het touw los, Sam!’ zei Frodo.

Sam gehoorzaamde met tegenzin. Onmiddellijk stond Gollem op en begon heen en weer te lopen als een geslagen hond die door zijn meester was geaaid. Van dat ogenblik af kwam er een verandering over hem die een tijd aanhield. Hij sprak met minder gesis en gejammer en hij sprak rechtstreeks tegen zijn metgezellen en niet tegen zijn dierbare zelf. Hij kromp ineen en knipperde met de ogen als ze op hem afkwamen of een plotselinge beweging maakten, en hij vermeed de aanraking van hun elfenmantels, maar hij was vriendelijk en werkelijk meelijwekkend belust om ze een plezier te doen. Hij placht kakelend te lachen en bokkensprongen te maken als er een grap werd gemaakt, of zelfs als Frodo vriendelijk tegen hem sprak, of te huilen wanneer Frodo hem een standje gaf. Sam zei vrijwel niets tegen hem. Hij wantrouwde hem meer dan ooit en hield zo mogelijk nog minder van de nieuwe Gollem, de Sméagol, dan van de oude.

‘Welnu, Gollem, of hoe we je ook moeten noemen,’ zei hij, ‘schiet maar op. De maan is weg en de nacht is bijna om. We moesten maar eens op weg gaan.’

‘Ja, ja,’ stemde Gollem toe, rondspringend. ‘Op weg! Er is maar één weg tussen het Noord-einde en het Zuid-einde. Ik heb die gevonden, dat heb ik. Orks gebruiken hem niet, orks kennen hem niet. Orks trekken de moerassen niet door, zij gaan er mijlen en mijlen omheen. Een geluk dat jullie deze kant uit gekomen zijn. Een groot geluk dat jullie Sméagol gevonden hebben, ja hoor. Volg Sméagol maar!’

Hij liep een paar passen vooruit en keek vragend om, als een hond die hen voor een wandeling uitnodigde. ‘Wacht nog even, Gollem!’ riep Sam. ‘Niet te ver vooruit! Ik zal je op de hielen volgen, en ik heb het touw bij de hand.’

‘Nee, nee,’ zei Gollem. ‘Sméagol heeft het beloofd.’

In het holst van de nacht, onder de krachtige heldere sterren, gingen ze op weg. Gollem leidde hen een tijdje terug naar het noorden, de weg langs die ze gekomen waren; toen sloeg hij rechtsaf van de steile rand van de Emyn Muil, langs de gebroken rotsachtige hellingen naar de uitgestrekte moerassen daarbeneden. Zij vervaagden snel en zacht in de duisternis. Over de uitgestrekte woestenij voor de poorten van Mordor heerste een zwarte stilte.

II. Tocht door de moerassen

Gollem liep snel; zijn hoofd en nek staken naar voren en hij gebruikte vaak zowel zijn handen als zijn voeten. Frodo en Sam hadden moeite om hem bij te houden, maar hij scheen niet langer aan ontvluchten te denken en wanneer zij achteropraakten, draaide hij zich om en wachtte op hen. Na een tijdje leidde hij hen naar de rand van het smalle ravijn waar zij eerder waren geweest, maar nu waren zij verder van de heuvels.

‘Hier is het!’ riep hij uit. ‘Er loopt daar een weg omlaag naar binnen, ja. Nu volgen wij het – helemaal, helemaal daarheen.’ Hij wees naar het zuiden en oosten, naar de moerassen. De stank ervan drong in hun neusgaten door, zwaar en smerig, zelfs in d e koele nachtlucht.

Gollem liep langs de rand heen en weer, en ten slotte riep hij hun toe: ‘Hier! Hier kunnen we naar beneden. Sméagol is die weg eens gegaan: eens ben ik die weg gegaan, toen ik me schuilhield voor de orks.’

Hij ging voor; de hobbits volgden hem en daalden in de duisternis af. Het was niet moeilijk, want de spleet was op dit punt slechts zo’n vijftien voet diep en ongeveer twaalf voet breed. Beneden liep een stroompje, het was in feite de bedding van een van de vele kleine riviertjes die uit de heuvels kwamen en in de stilstaande poelen en modderplassen daarachter stroomden. Gollem sloeg rechtsaf, min of meer naar het zuiden, en waadde met zijn voeten door de ondiepe kiezelachtige stroom. Hij scheen het heerlijk te vinden om water te voelen en grinnikte in zichzelf, en begon nu en dan zelfs krakerig te zingen:

De koude harde landen ze bijts aan onze handen en knauws aan onze voeten. De rotsen en de stenen die zijn als oude benen onder een stukje vlees. Maar stroom en poel is nat en koeclass="underline" lekker voor voeten. Nu wouen wij –

‘Ha! Ha! Wat wouen wij?’ vroeg hij, terwijl hij de hobbits van opzij aankeek. ‘Dat zullen we je vertellen,’ kraste hij. ‘Hij raadde het lang geleden, Balings raadde het.’ Zijn ogen begonnen te glanzen en Sam, die dit in de duisternis zag, vond dit verre van prettig.

Levend in ademnood; koud als de dood; nooit dorstig, altijd drinkend; in maliën, nooit rink’lend. Verdrinkt op weiland, denkt dat eiland een berg kon zijn; denkt dat fontein is sliertje stoom. Zo glad, zo schoon! Wat een leuke ontmoeting! Alleen wij verlangen een vis te vangen, zo’n sappig en zoet ding!

Deze woorden maakten een probleem, dat Sam van het ogenblik af waarop hij had begrepen dat zijn meester Gollem als gids had aangenomen bezig had gehouden, nog dringender: het voedselprobleem. Het kwam niet bij hem op dat zijn meester daar misschien ook aan had gedacht, maar hij veronderstelde dat Gollem het wel had gedaan. Hoe had Gollem zich eigenlijk in leven gehouden op al zijn eenzame omzwervingen? Niet al te goed, dacht Sam. Hij ziet er bijna uitgehongerd uit. Niet te kieskeurig om te proberen hoe hobbits smaken, als er geen vis is, wed ik – voor het geval hij ons kon verrassen terwijl we sliepen. Welnu, dat zal-ie niet: in ieder geval niet Sam Gewissies.

Lange tijd strompelden zij door de donkere, slingerende geul, of zo scheen het de vermoeide voeten van Sam en Frodo althans toe. De geul liep naar het oosten en naarmate zij verder kwamen, werd zij wijder en geleidelijk ook ondieper. Gollem vertoonde geen spoor van vermoeidheid, maar nu keek hij omhoog en bleef staan.

‘De dag is nabij,’ fluisterde hij, alsof de dag iets was dat hem zou kunnen horen en bespringen. ‘Sméagol zal hier blijven: ik zal hier blijven, en het Gele Gezicht zal me niet zien.’

‘Wij zouden blij zijn om de zon te zien,’ zei Frodo, ‘maar we zullen hier blijven; we zijn op het ogenblik te moe om verder te gaan.’

‘Je bent niet wijs om blij te zijn met het Gele Gezicht,’ zei Gollem. ‘Het maakt je zichtbaar. Aardige verstandige hobbits blijven bij Sméagol. Er zijn orks en kwade dingen in de buurt. Ze kunnen ver zien. Blijf hier bij mij schuilen!’

Het drietal ging zitten rusten aan de voet van de rotsachtige wand van de geul. Deze was nu niet dieper dan een grote man lang is, en onderin waren brede platte richels van droge steen; het water liep in een kanaal aan de andere kant. Frodo en Sam gingen op een van de richels zitten, met hun rug tegen de wand geleund. Gollem liep in de stroom rond te plassen en te spetteren.