‘We moeten wat eten,’ zei Frodo. ‘Heb je honger, Sméagol? We hebben heel weinig om met je te delen, maar we zullen je geven wat we kunnen missen.’
Bij het woord honger verscheen er een groenachtig licht in Gollems fletse ogen en ze schenen nog verder uit zijn dunne ziekelijke gezicht te puilen. Een ogenblik verviel hij weer in zijn oude Gollemmanier. ‘We zijn uitgehongerd, ja uitgehongerd, lieveling,’ zei hij. ‘Wat eten zij? Hebben ze lekkere visssjes?’ Zijn tong kwam tevoorschijn tussen zijn scherpe gele tanden, terwijl hij zijn kleurloze lippen aflikte.
‘Nee, we hebben geen vis,’ zei Frodo. ‘We hebben alleen dit maar,’ – hij hield een lembas-wafel omhoog – ‘en water, als het water hier te drinken is.’
‘Sssja, sssja, lekker water,’ zei Gollem. ‘Drink het, drink het, zolang we kunnen. Maar wat hebben ze daar, lieveling? Kun je erop bijten? Smaakt het?’
Frodo brak een stuk van een koek af en overhandigde het hem op het omhulsel van blad. Gollem snuffelde aan het blad en zijn gezicht veranderde: er trok een zweem van afkeer over, en ook iets van zijn oude boosaardigheid. ‘Sméagol ruikt het!’ zei hij. ‘Bladeren uit het elfenland, bah! Ze stinken! Hij klom in die bomen en kon de stank niet van zijn handen wassen, mijn mooie handen.’ Hij liet het blad vallen en pakte het stukje lembas en knabbelde erop. Hij spuwde het uit en kreeg een hoestbui.
‘Ach nee!’ sputterde hij. ‘Jullie proberen de arme Sméagol te laten stikken. Stof en as, dat kan hij niet eten. Hij moet verhongeren. Maar Sméagol vindt dat niet erg. Aardige hobbits. Sméagol heeft beloofd. Hij zal verhongeren. Hij kan geen hobbiteten eten. Hij zal verhongeren. Arme, magere Sméagol!’
‘Het spijt me,’ zei Frodo. ‘Maar ik kan je niet helpen, vrees ik. Ik denk dat dit eten je goed zou doen als je het zou proberen. Maar misschien kun je het nog niet proberen, nu nog niet in ieder geval.’
De hobbits knabbelden zwijgend op hun lembas. Sam vond dat het op de een of andere manier heel wat beter smaakte dan het in lang had gedaan: Gollems gedrag had zijn aandacht weer op de smaak ervan gericht. Maar hij voelde zich niet op zijn gemak. Gollem keek hem ieder kruimeltje uit de mond, als een hond die vol verwachting naast de stoel van een eter zit. Pas toen zij klaar waren en zich opmaakten om te gaan rusten, was hij er blijkbaar van overtuigd dat er geen verborgen lekkernijen waren waarin hij kon delen. Toen ging hij weg en ging op enkele passen afstand wat zitten grienen.
‘Hoor eens!’ fluisterde Sam tegen Frodo, niet al te zacht; het kon hem eigenlijk niet schelen of Gollem hem hoorde of niet. ‘We moeten wat zien te slapen, maar niet allebei tegelijk met die hongerige schurk in de buurt, belofte of geen belofte. Sméagol of Gollem, hij zal zijn gewoonten niet op slag of stoot veranderen, dat verzeker ik je. Gaat u maar slapen, meneer Frodo, en ik zal u roepen wanneer ik m’n ogen niet langer open kan houden. Om beurten, net als eerst, zolang hij los is.’
‘Misschien heb je gelijk, Sam,’ zei Frodo, hardop sprekend. ‘Hij is wel veranderd, maar wat voor verandering het precies is en hoe ingrijpend weet ik nog niet goed. Maar in alle ernst, ik geloof niet dat er enige reden is om bang te zijn – voorlopig. Maar als je wilt mag je wel waken. Geef me ongeveer twee uur, niet meer, en roep me dan.’
Frodo was zo moe, dat zijn hoofd voorover op zijn borst viel en hij al sliep toen hij nauwelijks was uitgesproken. Gollem scheen niet langer bang te zijn. Hij rolde zich op en ging vlug slapen zonder zich ergens iets van aan te trekken. Al gauw floot zijn adem zachtjes door zijn opeengeklemde tanden, maar hij lag roerloos als een steen. Na een tijdje, bang dat hij zelf in slaap zou sukkelen als hij naar de ademhaling van zijn twee metgezellen bleef zitten luisteren, stond Sam op en gaf Gollem een zachte por. Zijn handen openden zich en schokten, maar hij maakte geen andere beweging. Sam boog zich voorover en zei visss vlak bij zijn oor, maar er kwam geen antwoord; Gollems ademhaling stokte zelfs niet eens.
Sam krabde op zijn hoofd. ‘Moet werkelijk slapen,’ mompelde hij. ‘En als ik net zoals Gollem was, zou hij nooit meer wakker worden.’ Hij drong zijn gedachten aan zijn zwaard en het touw terug, en ging naast zijn meester zitten.
Toen hij wakker werd was de hemel boven hem dof, niet lichter maar donkerder dan toen zij hadden ontbeten. Sam sprong overeind. Zijn gevoel van kracht en honger deed hem plotseling beseffen dat hij een gat in de dag had geslapen, minstens negen uur. Frodo was nog vast in slaap en lag nu op zijn zijde uitgestrekt. Gollem was nergens te bekennen. Verschillende scheldnamen voor hemzelf, ontleend aan de grote vaderlijke woordenschat van de Gabber, kwamen bij hem op; toen besefte ook hij dat zijn meester gelijk had gehad: voor het ogenblik was er niets geweest waarvoor zij hadden moeten oppassen. In elk geval waren ze allebei in leven en niet geworgd.
‘Arme sukkel,’ zei hij half spijtig. ‘Ik vraag me af waar hij heen is.’
‘Niet ver, niet ver!’ zei een stem boven hem. Hij keek omhoog en zag de omtrek van Gollems grote hoofd en oren tegen de avondhemel afgetekend.
‘Hela, wat voer je uit?’ vroeg Sam die zijn achterdocht terug voelde komen zodra hij die gedaante zag.
‘Sméagol heeft honger,’ zei Gollem. ‘Ben zo terug.’
‘Kom nu terug!’ riep Sam. ‘Hé! Kom terug!’ Maar Gollem was verdwenen.
Frodo werd wakker door Sams geroep en ging overeind zitten terwijl hij de ogen uitwreef. ‘Hallo!’ zei hij. ‘Is er iets aan de hand? Hoe laat is het?’
‘Ik weet het niet,’ zei Sam. ‘Na zonsondergang, denk ik. En hij is ervandoor. Zegt dat-ie honger heeft.’
‘Maak je niet ongerust!’ zei Frodo. ‘Er is niets aan te doen. Maar hij komt terug, dat zul je zien. De belofte blijft nog wel een tijdje van kracht. En hij zal in ieder geval zijn Lieveling niet in de steek laten.’ Frodo vatte het luchtig op toen hij hoorde dat ze urenlang bij Gollem hadden liggen slapen, en een heel hongerige Gollem bovendien, die zomaar los naast hen had gelegen.
‘Denk maar niet aan de hardvochtige namen van je Gabber,’ zei hij. ‘Je was doodmoe, en het is goed afgelopen: we zijn nu allebei uitgerust. En we hebben een zware weg voor ons, de ergste weg van alle.’
‘En hoe zit het met ’t eten?’ vroeg Sam. ‘Hoelang zullen we nodig hebben om dit karwei te volbrengen? En als het volbracht is, wat gaan we dan doen? Dit wegbrood houdt je op wonderbaarlijke wijze op de been, hoewel het de inwendige hobbit niet helemaal bevredigt, bij wijze van spreken. Niet naar mijn gevoel in ieder geval, zonder oneerbiedig te zijn tegenover degenen die het gemaakt hebben. Maar je moet er iedere dag iets van eten, en het groeit niet aan. Ik denk dat we genoeg overhebben voor, zeg drie weken of zo, maar dan met een strak aangehaalde riem en mondjesmaat, dat wel. Wij zijn er tot nog toe een beetje royaal mee geweest.’
‘Ik weet niet hoelang we nodig zullen hebben om het op te maken,’ zei Frodo. ‘We zijn in de heuvels behoorlijk opgehouden. Maar Sam Gewissies, m’n dierbaarste hobbit – ja, Sam, m’n vriend uit duizenden – ik geloof niet dat we hoeven te denken over wat er daarna komt. Het karwei volbrengen, zoals jij zei – welke hoop is er dat we dat ooit zullen doen? En als we het doen, wie weet wat ervan zal komen? Als de Ene het Vuur in gaat, en wij erbij zijn? Ik vraag je, Sam, denk je dat we dan ooit nog brood nodig hebben? Ik denk van niet. Als we onze ledematen zover kunnen krijgen dat ze ons naar de Doemberg brengen, is dat het enige dat wij kunnen doen. Meer dan ik kan doen, begin ik te geloven.’
Sam knikte zwijgend. Hij pakte de hand van zijn meester en boog zich eroverheen. Hij kuste die niet, hoewel zijn tranen erop vielen. Toen keerde hij zich om, veegde met zijn mouw over zijn neus, stond op, ijsbeerde wat en zei moeizaam: ‘Waar zit dat vermaledijde schepsel?’