Выбрать главу

‘Geesten op vleugels! De Lieveling is hun meester. Zij zien alles, alles. Niets kan zich voor hen verbergen! Vervloekt het Witte Gezicht. En ze vertellen hem alles. Hij ziet, hij weet. Ach, gollem, gollem, gollem!’ Pas toen de maan was ondergegaan, ver in het westen achter de Tol Brandir, wilde hij overeind komen en verdergaan.

Vanaf dat moment meende Sam weer een verandering in Gollem te bespeuren. Hij veinsde meer en was quasi-vriendelijk, maar Sam zag nu en dan vreemde blikken in zijn ogen, vooral als hij naar Frodo keek; en hij verviel steeds meer in zijn oude manier van spreken. En er was nog iets dat Sam verontrustte. Frodo scheen moe te zijn, de uitputting nabij. Hij zei niets, eigenlijk sprak hij nauwelijks; en hij klaagde niet, maar liep als iemand die een last torst waarvan het gewicht steeds groter wordt. En hij sleepte zich voort, steeds trager en trager, zodat Sam Gollem vaak moest vragen te wachten en hun meester niet achter te laten.

Inderdaad, met iedere stap die hem dichter bij de poorten van Mordor bracht, voelde Frodo de Ring aan de ketting om zijn nek zwaarder wegen. Hij begon hem nu werkelijk te voelen als een gewicht, dat hem naar de aarde trok. Maar hij voelde zich nog veel meer verontrust door het Oog, zoals hij het voor zichzelf noemde. Meer dan de zwaarte van de Ring was dat hetgene dat hem deed struikelen en gebogen gaan. Het Oog: dat verschrikkelijke, steeds toenemende gevoel van een vijandige wil, die met grote kracht trachtte door alle wolkenschaduwen en aarde en vlees heen te dringen en je te zien: je onder zijn dodelijke blik scheen vast te prikken, naakt en onbeweeglijk. Zo dun, zo breekbaar en ijl waren de sluiers geworden die het nog afwendden. Frodo wist precies waar de huidige woonplaats en het hart van die wil nu was, even zeker als men de richting van de zon met dichte ogen kan vaststellen. Hij stond er recht tegenover, en de kracht ervan deed zijn voorhoofd bonzen.

Gollem voelde waarschijnlijk ook iets dergelijks. Maar wat er in zijn ongelukkige hart omging tussen de druk van het Oog en de begeerte naar de Ring, die zo dichtbij was, en zijn kruiperige belofte, gedaan half uit vrees voor koud ijzer, konden de hobbits niet vermoeden. Frodo dacht er niet over na. Sam hield zich voornamelijk met zijn meester bezig, en merkte nauwelijks de donkere schaduw die over zijn eigen hart was gevallen. Hij liet Frodo nu voor zich uit lopen, en hield iedere beweging die hij maakte in de gaten: hij ondersteunde hem als hij struikelde en probeerde hem met onhandige woorden moed in te spreken.

Toen de dag eindelijk aanbrak, waren de hobbits verbaasd te zien hoeveel dichterbij de dreigende bergen waren gekomen. De lucht was nu helderder en kouder, en hoewel de muren van Mordor nog steeds ver weg waren, waren ze niet langer een wolkachtig gevaar aan de gezichtseinder, maar als grimmige torens keken zij onheilspellend over een troosteloze vlakte uit. De moerassen waren geëindigd en overgegaan in doodse vennen en wijde, droge, gebarsten moddervlakten. Het land voor hen liep via lange, langzaam glooiende hellingen omhoog, kaal en genadeloos, naar de woestijn die voor Saurons poort lag.

Zolang het grijze licht heerste, maakten zij zich klein onder een zwarte steen als wormen, ineengedoken voor het geval dat de gevleugelde verschrikking voorbij zou komen en hen met haar wrede ogen zou bespeuren. De rest van die reis was een schaduw van groeiende angst, waarin de herinnering niets kon vinden om op te steunen. Nog twee nachten zwoegden zij verder door het zware ongebaande land. De lucht, scheen het hun toe, werd schraler en vervuld van een bittere stank, die hun adem deed stokken en hun monden verdroogde.

Ten slotte, op de vijfde ochtend sinds zij met Gollem op weg waren gegaan, hielden zij nog eenmaal halt. Voor hen, donker in de dageraad, rezen de grote bergen op naar daken van rook en wolken. Aan de voet ervan staken enorme schoren en gebroken heuvels uit, die nu hoogstens een twaalftal mijlen ver weg waren. Frodo keek met ontzetting om zich heen. De Dode Moerassen en de stinkende vennen van Niemandslanden waren afschuwelijk geweest, maar het land dat de voortkruipende dag nu langzaam aan zijn vernauwende ogen onthulde, was nog veel walgelijker. Zelfs bij het meer van de Dode Gezichten kwam nog een verwilderde geest van groene lente; maar hier zou lente noch zomer ooit weer komen. Hier leefde niets, zelfs geen melaatse vegetatie die op verrotting teerde. De sissende poelen waren bedekt met as en uitdijende modder, ziekelijk wit en grijs, alsof de bergen de vuiligheid van hun ingewanden op de omliggende landen hadden uitgebraakt. Hoge bergen gebroken en verpulverde rots, grote aardhopen, door vuur verschroeid en giftig gevlekt, stonden als een obsceen kerkhof in eindeloze rijen die langzaam door het aarzelende licht werden onthuld.

Zij waren bij de woestenij gekomen die voor Mordor lag: het eeuwigdurende monument voor de duistere arbeid van zijn slaven, die nog zou standhouden wanneer al hun doeleinden waren vernietigd; een land dat zo bezoedeld en ziek was, dat het niet kon worden genezen – tenzij de Grote Zee er zou komen en het met vergetelheid zou overspoelen. ‘Ik voel me misselijk,’ zei Sam. Frodo zei niets.

Een tijdlang stonden zij daar, als mensen op de rand van een slaap waar de nachtmerrie zich schuilhoudt, haar afwerend, hoewel ze weten dat zij de ochtend alleen door de schaduwen kunnen bereiken. Het licht werd breder en harder. De gapende kuilen en g iftige heuvels werden gruwelijk helder. De zon was op en schreed door de wolken en lange slierten rook, maar zelfs het zonlicht was bezoedeld. De hobbits was dat licht niet welkom; het leek vijandig, hen onthullend in hun hulpeloosheid – kleine bange geesten, die tussen de ashopen van de Zwarte Vorst doorliepen.

Omdat zij te moe waren om verder te gaan, zochten zij een plekje waar zij konden rusten. Ze zaten enige tijd zonder te spreken in de schaduw van een hoop sintels; maar er lekten smerige dampen uit, die in hun keel doordrongen en hen bijna verstikten. Gollem was de eerste die opstond. Sputterend en vloekend stond hij op, en zonder een woord tegen de hobbits te spreken of hun ook maar een blik te gunnen, kroop hij op handen en voeten weg. Frodo en Sam kropen hem achterna, totdat zij bij een wijde, bijna ronde kuil kwamen, die aan de westzijde een hoge rand had. Hij was koud en dood en op de bodem lag een smerige put van vettig, veelkleurig slib. In dit boze gat zochten zij hun toevlucht, in de hoop dat zijn schaduw aan de aandacht van het Oog kon worden onttrokken.

De dag verliep langzaam. Een grote dorst kwelde hen, maar zij dronken slechts enkele droppels uit hun flessen – voor het laatst gevuld in de geul, die hun, nu ze erop terugkeken, een plek van vrede en schoonheid toescheen. De hobbits hielden om beurten de wacht. Eerst, moe als zij waren, kon geen van hen slapen, maar toen de zon ver weg in een langzaam drijvend wolkenveld zonk, begon Sam te knikkebollen. Het was Frodo’s beurt om de wacht te houden. Hij ging op zijn rug op de rand van de kuil liggen, ma ar dat verlichtte geenszins het gevoel dat er een last op hem drukte. Hij keek omhoog naar de door rook gestreepte hemel en zag vreemde fantomen, donkere rijdende gedaanten en gezichten uit het verleden. Hij verloor het gevoel voor tijd, op de grens tussen slapen en waken zwevend, totdat hij in de vergetelheid wegzonk.

Plotseling werd Sam wakker in de veronderstelling dat hij zijn meester hoorde roepen. Het was avond. Frodo had niet kunnen roepen, want hij was in slaap gevallen en bijna naar de bodem van de kuil gegleden. Gollem zat naast hem. Sam dacht heel even dat hij probeerde Frodo wakker te maken; toen zag hij dat dit niet het geval was. Gollem sprak tegen zichzelf. Sméagol voerde een gesprek met een andere gedachte die dezelfde stem gebruikte, maar die deed piepen en sissen. Een bleek licht en een groen licht verschenen beurtelings in zijn ogen toen hij sprak.

‘Sméagol heeft het beloofd,’ zei de eerste gedachte.

‘Ja, ja, mijn lieveling,’ luidde het antwoord, ‘wij hebben het beloofd: om onze Lieveling te beschermen en ervoor te zorgen dat hij hem nooit krijgt – nooit. Maar hij gaat naar hem toe, ja, met iedere stap dichterbij. Wat is de hobbit van plan ermee te doen, vraagt we ons af, ja dat zouden we wel eens willen weten.’