Выбрать главу

‘Ik weet het niet. Ik kan het niet helpen. De meester heeft ’m. Sméagol heeft beloofd de meester te helpen.’

‘Ja, ja, de meester helpen: de meester van de Lieveling. Maar als wij meester wazzen, dan konden we onszelf helpen, ja, en toch beloftes houden.’

‘Maar Sméagol zei dat-ie heel, heel braaf zou zijn. Aardige hobbit! Hij heeft wrede touw van Sméagols been genomen. Hij praat aardig tegen me.’

‘Heel, heel braaf, hè mijn lieveling? Laten we braaf zijn, braaf als een visss, liefje, maar voor onszelf. Natuurlijk niet de aardige hobbit pijn doen, nee, nee.’

‘Maar de Lieveling houdt de belofte,’ wierp de stem van Sméagol tegen.

‘Neem hem dan,’ zei de ander, ‘en laat ons hem eigess zelveress bewaren. Dan zullen wij meester zijn, gollem. Laat de andere hobbit, de akelige achterdochtige hobbit, laat hem kruipen, ja, gollem!’

‘Maar niet de aardige hobbit?’

‘O, nee, niet als ons dat niet aanstaat. Maar hij blijft toch een Balingss, mijn lieveling, ja een Balings. Een Balingss heeft hem gestolen. Hij heeft hem gevonden en niets gezegd, niets. Wij haatsen Balingsen.’

‘Nee, niet deze Balings.’

‘Ja, iedere Balingss. Alle lui die de Lieveling hebben. Wij moeten hem hebben!’

‘Maar hij zal hem zien. Hij zal het weten. Hij zal hem van ons afpakken!

‘Hij ziet. Hij weet. Hij heeft ons idiote beloftes horen doen – tegen zijn bevelen, ja. Moet hem nemen. De Geesten zijn aan het zoeken. Moets ’m nemen.’

‘Niet voor hem!’

‘Nee, liefje. Zie je, mijn lieveling; azze wij hem hebben, kunnen we ontsnappen, zelfs aan hem, hè? Misschien wordt ons heel ssterk, sterker dan Geesten. Heer Sméagol? Gollem de Grote. De Gollem! Iedere dag vissies eten, drie keer per dag, vers uit de zee. Allerliefste Gollem. We moeten ’m hebben. Wij moeten hem, wij moeten hem, wij willen hem!’

‘Maar ze zijn met z’n tweeën. Ze zullen te vlug wakker worden en ons doden,’ jammerde Sméagol in een laatste poging. ‘Niet nu. Nog niet.’

‘Wij willen hem! Maar’ – en hier volgde een lange pauze alsof er een nieuwe gedachte was opgekomen. ‘Nog niet, hè? Misschien niet. Zíj zou kunnen helpen. Dat zou ze, ja.’

‘Nee, nee! Niet op die manier!’ jammerde Sméagol.

‘Ja, we moeten hem hebben! We moets ’m hebben!’

Telkens als de tweede gedachte sprak, kwam Gollems lange hand langzaam tevoorschijn en aaide in de richting van Frodo, maar werd met een ruk teruggetrokken als Sméagol weer sprak. Ten slotte strekten beide armen zich met lange krommende en stuiptrekkende vingers naar zijn nek uit.

Sam had stilgelegen, geboeid door dit gesprek, maar sloeg iedere beweging die Gollem maakte van onder zijn halfgesloten ogen gade. In zijn eenvoudige geest had doodgewone honger, het verlangen om hobbits te eten het voornaamste gevaar in Gollem geschenen. Hij besefte nu dat dit niet zo was: Gollem voelde de verschrikkelijke lokroep van de Ring. De Zwarte Vorst was hij natuurlijk, maar Sam vroeg zich af wie zij was. Een van de valse vriendinnen die het kleine misbaksel op zijn omzwervingen had gemaakt, veronderstelde hij. Toen vergat hij de zaak waar het om ging, want de dingen waren ongetwijfeld al ver genoeg gegaan en begonnen gevaarlijk te worden. Een grote zwaarte lag over al zijn ledematen, maar hij vermande zich en ging rechtop zitten. Iets waarschuwde hem voorzichtig te zijn en niet te laten blijken dat hij het gesprek had afgeluisterd. Hij slaakte een luide zucht en gaapte wijd.

‘Hoe laat is het?’ vroeg hij slaperig.

Gollem liet een lang gesis tussen zijn tanden ontsnappen. Hij stond een ogenblik op, gespannen en dreigend, maar toen zakte hij in elkaar, viel op handen en voeten voorover en klauterde langs de rand van de kuil naar boven.

‘Aardige hobbits. Aardige Sam,’ zei hij. ‘Slaapkopjes, ja, slaapkopjes! Laat die goeie Sméagol maar de wacht houden! Maar het is avond. De schemer valt. Tijd om te gaan.’

Hoog tijd! dacht Sam. En ook tijd om te scheiden. Maar hij vroeg zich ineens af of het nu niet even gevaarlijk zou zijn om Gollem los te laten rondlopen als om hem bij hen te houden. ‘Vervloekt. Ik wou dat-ie stikte!’ mompelde hij. Hij strompelde de helling af en wekte zijn meester.

Vreemd genoeg voelde Frodo zich verkwikt. Hij had gedroomd. De donkere schaduw was voorbijgegaan en hij had een mooi visioen gehad in dit land van ziekte. Er bleef niets van in zijn herinnering hangen, maar toch voelde hij zich daardoor blij en luchthartiger. Zijn last drukte minder zwaar op hem. Gollem begroette hem met een hondachtige blijdschap. Hij giechelde en brabbelde en deed zijn lange vingers kraken, en streelde Frodo’s knieën. Frodo glimlachte tegen hem.

‘Kom!’ zei hij. ‘Je hebt ons goed en trouw geleid. Dit is de laatste etappe. Breng ons naar de Poort en daarna mag je gaan waar je wilt – alleen niet naar onze vijanden.’

‘Naar de Poort, hè?’ piepte Gollem en scheen zowel verrast te zijn als bang. ‘Naar de Poort zegt meester! Ja, dat zegt-ie. En die brave Sméagol doet wat hij vraagt. O ja. Maar als we dichterbij komt, zullen we misschien zien, dan zullen we zien. Het zal er helemaal niet mooi uitzien. O nee! O nee!’

‘Vooruit, schiet op jij,’ zei Sam. ‘Laten we er maar eens een punt achter zetten.’

In de vallende schemering klauterden zij de kuil uit en sjokten langzaam door het dode landschap. Ze waren niet ver gegaan toen ze opnieuw de angst voelden die over hen was gekomen toen de gevleugelde gedaante over de moerassen scheerde. Zij bleven staan en drukten zich tegen de kwalijk riekende grond, maar er was niets te zien in de troosteloze avondhemel boven hen, en weldra trok de dreiging voorbij, hoog boven hun hoofden, misschien met een snelle boodschap van Barad-dûr. Na een poosje stond Gollem op en kroop weer verder, mompelend en rillend.

Ongeveer een uur na middernacht overviel hen de angst voor de derde keer, maar nu scheen het verder weg, alsof het hoog boven de wolken overtrok, met verschrikkelijke snelheid naar het westen snellend. Gollem was echter radeloos van angst, en was ervan overtuigd dat ze achterna werden gezeten en dat hun nadering bekend was.

‘Drie keer,’ jammerde hij. ‘Drie keer is een bedreiging. Ze voelen ons hier, ze voelen de Lieveling. De Lieveling is hun meester. Wij kunnen niet verdergaan langs deze weg, nee. Het heeft geen zin, geen zin!’

Gesoebat en vriendelijke woorden hielpen niet langer. Pas toen Frodo hem boos een bevel gaf en de hand op het gevest van zijn zwaard legde, wilde Gollem weer opstaan. Eindelijk kwam hij met een grom overeind en ging voor hen uit als een geslagen hond. Zo strompelden zij verder door het vermoeiende einde van de nacht en tot het aanbreken van weer een dag van angst liepen zij stilzwijgend met gebogen hoofden, zonder iets te zien en zonder iets anders te horen dan de wind die in hun oren suisde.

III. De Zwarte Poort is dicht

Voor het aanbreken van de volgende dag was hun reis naar Mordor voorbij. De moerassen en de woestenij lagen achter hen. Voor hen, duisterend tegen een fletse lucht, verhieven zich de dreigende pieken van de bergen.

Aan de westkant van Mordor strekte zich de sombere keten van de Ephel Dúath, de Schaduwbergen uit, en in het noorden de gekartelde pieken en kale ruggen van de Ered Lithui, grijs als as. Maar waar deze twee bergketens elkaar naderden – feitelijk vormden zij slechts een deel van een grote muur om de naargeestige vlakten van Lithlad en van Gorgoroth, met daar middenin de bittere binnenzee van Núrnen – sloegen zij lange armen naar het noorden uit; en tussen deze armen lag een diepe bergpas. Dit was Cirith Gorgor, de Spookpas, de toegang tot het land van de Vijand. Hoge rotswanden kwamen aan beide kanten naar omlaag en van de opening staken twee steile heuvels naar voren, krachtig en kaal. Daarop stonden de Tanden van Mordor, twee torens, sterk en hoog. In lang vervlogen tijden waren zij door de mensen van Gondor in hun trots en macht gebouwd, na de omverwerping van Sauron en diens vlucht, voor het geval hij zou trachten naar zijn oude rijk terug te keren. Maar de kracht van Gondor versaagde en de mensen sliepen in, en jarenlang stonden de torens leeg. Toen keerde Sauron terug. Nu werden de wachttorens, die in verval waren geraakt, hersteld en met wapens volgestouwd en met nooit aflatende waakzaamheid in garnizoen gelegd. Zij waren opgetrokken uit steen, met donkere venstergaten die op het noorden, oosten en westen uitkeken, en ieder venster was vol wakende ogen.