Dwars over de toegang tot de pas, van wand tot wand, had de Zwarte Vorst een stenen borstwering gebouwd. Hierin bevond zich een enkele ijzeren poort, en op de kantelen liepen onophoudelijk schildwachten heen en weer. De heuvels leken wormstekig doordat er aan weerszijden honderden grotten in waren geboord; daar hield zich een leger orks in op, klaar om op het eerste teken tevoorschijn te komen, als zwarte mieren die ten strijde trekken. Niemand kon langs de Tanden van Mordor heen zonder hun beet te voelen, tenzij ze door Sauron waren ontboden of het geheime wachtwoord kenden dat de Morannon, de zwarte poort van zijn land, zou doen opengaan. De twee hobbits keken wanhopig naar de torens en de muur. Zelfs van een afstand konden zij in het vage licht de bewegingen van de zwarte schildwachten op de muur zien, en de patrouilles voor de poort. Zij tuurden over de rand van een rotsachtige holte onder de langgerekte schaduw van de noordelijkste schoor van de Ephel Dúath. Voor een kraai die in rechte lijn door de zware lucht zou hebben gevlogen, zou het misschien slechts een paar honderd meter zijn geweest van hun schuilplaats naar de zwarte top van de dichtstbijzijnde toren. Een flauwe rook kringelde erboven, alsof een vuur in de heuvel eronder smeulde.
De dag brak aan en de vale zon scheen over de levenloze randen van de Ered Lithui. Toen plotseling hoorden zij het geschal van koperkelige trompetten: zij schetterden van de wachttoren en ver weg uit verborgen schuilplaatsen en buitenposten in de heuvels antwoordden andere trompetten en nog verder, heel ver, maar diep en dreigend, weerkaatsten in het verlaten land daarachter de machtige horens en trommels van Barad-dûr. Een nieuwe vreselijke dag van angst en inspanning was boven Mordor opgegaan; de nachtwachten werden naar hun kerkers en diepe zalen geroepen en de dagwachten, boos-ogig en verdorven, marcheerden naar hun posten. Staal glansde dof op de kantelen.
‘Nou, we zijn er!’ zei Sam. ‘Hier is de Poort, en het lijkt mij dat we nooit veel verder zullen komen. Zo is het, maar de Gabber zou zeker het een en ander te zeggen hebben als hij me nu zag! Hij heeft me vaak voorspeld dat het slecht met me zou aflopen a ls ik niet oppaste, en dat deed-ie. Maar ik denk niet dat ik de oude kerel ooit weer zal zien. Hij zal niet de kans krijgen om te zeggen: Ik heb ’t je wel gezeid, Sam! Dat maakt het nog erger. Hij zou het me mogen zeggen zolang hij er adem voor had, als ik zijn oude gezicht weer eens mocht zien. Maar ik zou me eerst moeten wassen, anders zou-ie me niet herkennen. Ik denk niet dat het zin heeft om te vragen: “Welke kant gaan we nu uit?” We kunnen niet verder – tenzij we de orks vragen of we mogen meerijden.’
‘Nee, nee,’ zei Gollem. ‘Het heeft geen zin. We kunnen niet verder. Sméagol heeft het gezegd. Hij zei: we zullen naar de poort gaan, en dan zullen we wel zien. En we zien ook iets. O ja, m’n lieveling, we zien ook iets. Sméagol wist dat de hobbits deze weg niet konden gaan. O ja, Sméagol wist het.’
‘Waarom, voor de drommel, heb je ons dan hier gebracht?’ vroeg Sam, die niet in de stemming was om rechtvaardig of redelijk te zijn.
‘Meester heeft het gezegd. Meester zei: breng ons naar de Poort. Dus dat deed de goeie Sméagol. Meester zei het, wijze meester.’
‘Dat is inderdaad zo,’ zei Frodo. Zijn gezicht was grimmig en vertrokken, maar vastberaden. Hij zag er smerig en verwaarloosd uit en mager van vermoeidheid, maar zijn rug was weer recht en zijn ogen stonden helder. ‘Ik heb het gezegd, omdat ik van plan ben Mordor binnen te gaan en ik geen andere weg ken. Daarom zal ik deze weg nemen. Ik vraag niemand met mij mee te komen.’
‘Nee, nee, meester!’ klaagde Gollem, hem strelend en schijnbaar erg onthutst. ‘Geen zin die weg. Breng de Lieveling niet naar hem toe! Hij zal ons allemaal opeten als hij hem krijgt, de hele wereld opeten. Houd hem, aardige meester, en wees vriendelijk voor Sméagol. Laat hem ’m niet krijgen. Of ga weg, ga naar leuke plaatsen en geef hem terug aan de kleine Sméagol. Ja, ja, meester geeft hem terug, hè? Sméagol zal hem veilig bewaren; hij zal een hoop goed doen, vooral voor aardige hobbits. Hobbits gaan naar huis. Gaan niet naar de Poort!’
‘Ik heb bevel gekregen om naar Mordor te gaan, en daarom zal ik dat doen,’ zei Frodo. ‘Als er maar één weg is, dan moet ik die nemen. Wat daarna moet komen, moet komen.’
Sam zei niets. De blik op Frodo’s gezicht zei hem genoeg: hij wist dat zijn woorden niets zouden uithalen. En per slot van rekening had hij al van het begin af aan nooit enige hoop gehad op de onderneming, maar omdat hij een opgewekte hobbit was, had hij geen behoefte aan hoop zolang de wanhoop kon worden uitgesteld. Nu waren ze aan het bittere einde gekomen. Maar hij was zijn meester de hele weg trouw gebleven; dat was de voornaamste reden waarom hij was meegegaan, en hij zou hem verder ook niet in de steek laten. Zijn meester zou niet alleen naar Mordor reizen. Sam zou met hem meegaan – en in ieder geval zouden zij zich van Gollem kunnen losmaken.
Gollem scheen echter nog niet van plan zich te laten losmaken. Hij knielde voor Frodo’s voeten neer, handenwringend en piepend. ‘Niet deze weg, meester!’ smeekte hij. ‘Er is een andere weg. O zeker. Een andere weg, donkerder, moeilijker te vinden, geheimer. Maar Sméagol kent hem. Laat Sméagol hem u wijzen!’
‘Een andere weg!’ zei Frodo twijfelend, terwijl hij met onderzoekende blik op Gollem neerkeek.
‘Sja, werkelijk! Sja! Er was nog een weg! Sméagol heeft die gevonden. Laten we gaan kijken of-ie er nog is!’
‘Je hebt hier nooit eerder over gesproken.’
‘Nee, meester heeft niet gevraagd. Meester zei niet wat hij van plan was. Hij vertelt het de arme Sméagol niet. Hij zegt: Sméagol, breng me naar de Poort – en dan, vaarwel! Sméagol kan weglopen en braaf zijn. Maar nu zegt hij: ik ben van plan Mordor langs deze weg binnen te gaan. Daarom is Sméagol erg bang. Hij wil aardige meester niet verliezen. En hij beloofde, meester liet hem beloven om de Lieveling te redden. Maar meester gaat hem naar hem brengen, regelrecht naar de Zwarte Hand, als meester deze weg gaat. Dus Sméagol moet beiden redden en hij denkt aan een andere weg die er eens was. Aardige meester. Sméagol heel braaf, steeds behulpzaam.’
Sam fronste het voorhoofd. Als hij met zijn ogen gaten in Sméagol kon hebben geboord, zou hij het niet hebben nagelaten. Zijn geest was van twijfel vervuld. Het leek erop dat Gollem werkelijk in de war was en verlangend om Frodo te helpen. Maar Sam, die zich het afgeluisterde gesprek herinnerde, vond het moeilijk te geloven dat de lang ondergedoken Sméagol als overwinnaar tevoorschijn was gekomen; die stem had in ieder geval niet het laatste woord gehad in het debat. Sam vermoedde dat de Sméagol- en Gollemhelft (of wat hij bij zichzelf Sluiper en Gluiper noemde) een bestand en een tijdelijk bondgenootschap hadden gesloten: geen van beiden wilde dat de Vijand de Ring zou krijgen; beiden wilden verhinderen dat Frodo gevangen werd genomen en hem zo lang mogelijk in het oog houden – in ieder geval zolang Gluiper een kans had om zijn ‘Lieveling’ in handen te krijgen. Sam betwijfelde of er werkelijk een tweede weg naar Mordor leidde.
En het is maar goed ook dat geen van beide helften van de ouwe schurk weet wat m’n meester van plan is, dacht hij. Als hij wist dat meneer Frodo voor eens en voor altijd een einde aan zijn Lieveling probeert te maken, zou er gauw genoeg herrie van komen, wed ik. In ieder geval is Gluiper nu zo bang van de Vijand – en hij staat of stond min of meer onder zijn bevel – dat hij ons liever zou verraden, dan erop betrapt te worden dat hij ons helpt; en misschien ook nog liever dan te zien dat zijn Lieveling wordt gesmolten. Dat denk ik tenminste. En ik hoop dat mijn meester er goed over na zal denken. Hij is zo wijs als ze ze maar maken, maar hij is ook weekhartig, en dat is-ie. De Gewissies die weet wat z’n volgende daad zal zijn, moet nog geboren worden.