Frodo gaf Gollem niet meteen antwoord. Terwijl deze twijfel in Sams trage maar slimme geest opkwam, stond hij naar de donkere rotswand van de Cirith Gorgor te staren. De holte waarin zij hun toevlucht hadden genomen, was gedolven in de helling van een lage heuvel en stak een klein eindje boven een loopgraafachtige vallei uit, die tussen deze holte en de buitenste schorren van de rotswand lag. In het midden van de vallei stonden de zwarte funderingen van de westelijke wachttoren. In het ochtendlicht waren de wegen die bij de Poort van Mordor samenkwamen nu duidelijk te zien, bleek en bestoven; een die zich terug naar het noorden slingerde; een tweede die oostwaarts verdween in de nevels die om de voet van de Ered Lithui hingen; en een derde die naar hem toe liep. Waar hij een scherpe bocht om de toren beschreef, ging hij een nauwe engte binnen en liep niet ver onder de holte waar zij stonden. Westwaarts, rechts van hem, maakte hij een draai, vlak langs de hellingen van de bergen lopend, en liep zuidwaarts in de diepe schaduwen die de hele westzijde van de Ephel Dúath bedekten; onzichtbaar voor hem liep hij verder in het smalle land tussen de bergen en de Grote Rivier.
Terwijl hij stond te kijken werd Frodo zich ervan bewust dat er een grote beroering op de vlakte heerste. Het leek alsof er hele legers op de been waren, hoewel zij voor het grootste deel door de walmen en dampen die uit de moerassen en woestijnen erachter aan kwamen drijven, aan het oog werden onttrokken. Maar hier en daar ving hij de glans van speren en helmen op; en over de vlakte naast de wegen kon men ruiters in vele compagnieën zien rijden. Hij herinnerde zich het visioen dat hij van ver op de Amon Hen had gehad, nog pas enkele dagen geleden, hoewel het nu jaren her scheen. Toen wist hij dat de hoop die een wild ogenblik in zijn hart was opgekomen, ijdel was. De schallende trompetten waren geen uitdaging maar een begroeting geweest. Dit was geen aanval op de Zwarte Vorst door de mensen van Gondor, die als wrekende geesten uit de lang verloren graven der dapperen waren opgestaan. Dit waren mensen van een ander ras, uit de wijde Oostlanden, die zich op bevel van hun Opperheer verzamelden; legers die de avond tevoren voor zijn Poort hun kamp hadden opgeslagen en nu naar binnen marcheerden om zijn groeiende macht te versterken. Alsof hij zich plotseling meer bewust werd van het gevaar van hun positie, alleen, in het toenemende daglicht, zo vlak bij deze enorme dreiging, trok Frodo vlug zijn dunne grijze kap dicht over het hoofd en ging de schuilplaats binnen. Toen wendde hij zich tot Gollem.
‘Sméagol,’ zei hij, ‘ik zal je nog één keer vertrouwen. Het ziet ernaar uit dat ik dat wel moet doen, en dat het mijn lot is om hulp te ontvangen van jou, van wie ik dat het minst had verwacht, en jouw lot om iemand te helpen die je lang met boze bedoelingen achterna hebt gezeten. Tot dusver heb je je verdienstelijk gemaakt en je belofte waarlijk gehouden. Ik zeg waarlijk en dat meen ik ook,’ voegde hij er met een blik op Sam aan toe, ‘want we zijn nu twee keer in je macht geweest, en je hebt ons geen kwaad gedaan. Ook heb je niet geprobeerd van mij af te pakken wat je eens hebt gezocht. Moge de derde keer de beste blijken! Maar ik waarschuw je, Sméagol, je bent in gevaar.’
‘Ja, ja, meester,’ zei Gollem. ‘Verschrikkelijk gevaar! Sméagols botten ratelen als hij eraan denkt, maar hij loopt niet weg. Hij moet aardige meester helpen.’
‘Ik bedoelde niet het gevaar dat wij allen delen,’ zei Frodo. ‘Ik bedoel een gevaar dat jou alleen betreft. Je hebt een belofte gedaan op wat jij de Lieveling noemt. Vergeet dat niet! Hij zal je eraan houden; maar hij zal een manier proberen te vinden om het zo te draaien dat het je eigen ongeluk wordt. Je wordt al verdraaid. Je hebt je daarnet zelf dom genoeg blootgegeven. Geef hem aan Sméagol terug, zei je. Zeg dat niet nog eens! Laat die gedachte niet in je opkomen. Je zult hem nooit terugkrijgen. Maar het verlangen zou je wel eens op een bitter einde kunnen komen te staan. Je zult hem nooit terugkrijgen. Als de nood werkelijk aan de man kwam, zou ik de Lieveling omdoen: en de Lieveling heeft jou lang geleden overmeesterd. Als ik jou, met hem om mijn vinger, zou bevelen, zou je gehoorzamen, ook al moest je je in een afgrond storten of jezelf in het vuur werpen. En dat zou mijn bevel zijn. Dus pas op, Sméagol!’
Sam keek zijn meester goedkeurend maar ook verbaasd aan: er was een uitdrukking op zijn gezicht en een toon in zijn stem die hij nooit eerder had bemerkt. Hij had altijd het idee gehad dat de goedhartigheid van meneer Frodo zo groot was, dat het een behoorlijke dosis blindheid moest inhouden. Natuurlijk was hij ook stellig de daarmee onverzoenbare mening toegedaan dat meneer Frodo de wijste persoon ter wereld was (wellicht met uitzondering van de oude heer Bilbo en van Gandalf).
Op zijn eigen manier had Gollem, maar dat was vergeeflijker omdat zijn kennismaking van kort geleden dateerde, wellicht eenzelfde vergissing begaan, en vriendelijkheid met blindheid verward. In elk geval sloegen deze woorden hem uit het veld en verschrikten hem. Hij kromp op de grond ineen en kon geen andere verstaanbare woorden zeggen dan aardige meester.
Frodo bleef geduldig een tijdje wachten; toen sprak hij weer, maar minder streng. ‘Kom nu, Gollem, of Sméagol als je wilt, vertel me van die andere weg en toon me aan, als je kunt, welke hoop hij biedt, genoeg om te wettigen dat ik van mijn duidelijke pad afwijk. Ik heb haast!’
Maar Gollem verkeerde in een meelijwekkende toestand, want Frodo’s dreiging had hem helemaal van zijn stuk gebracht. Het was niet gemakkelijk een helder relaas uit hem te krijgen door al zijn gemompel en gepiep en de herhaalde onderbrekingen wanneer hij over de grond kroop en beiden smeekte toch aardig tegen de ‘arme kleine Sméagol’ te zijn. Na een tijdje werd hij kalmer en Frodo kwam stukje bij beetje te weten dat indien een reiziger de weg volgde die ten westen van de Ephel Dúath liep, hij op een gegeven ogenblik bij een kruising zou komen in een kring van donkere bomen. Rechts liep een weg naar Osgiliath en de bruggen van de Anduin; in het midden liep de weg verder naar het zuiden.
‘Al verder en verder,’ zei Gollem. ‘Wij zijn die weg nooit gegaan, maar ze zeggen dat hij wel driehonderd mijl lang is tot je het grote water kunt zien, dat nooit stil is. Er zitten daar hopen vissen, en grote vogels eten vissen; aardige vogels; maar w e zijn daar nooit geweest, helaass niet! We hebben nooit de kans gekregen. En nog verder zijn nog meer landen zegt men, maar het Gele Gezicht is daar erg warm en er zijn zelden wolken, en de mensen zijn fel en hebben donkere gezichten. Dat land willen we niet zien.’
‘Nee,’ zei Frodo. ‘Maar dwaal niet af. En hoe zit het met de derde afslag?’
‘O ja, o ja, er is een derde weg,’ zei Gollem. ‘Dat is de weg aan de linkerkant. Hij begint onmiddellijk te stijgen, almaar hoger, sslingerend en terugklimmend naar de hoge schaduwen. Als hij om de zwarte rots gaat, zul je het zien, zul je het plotseling boven je zien, en je zult je willen verschuilen.’
‘Het zien, het zien? Wat valt er te zien?’
‘Het oude fort, erg oud, heel vreselijk nu. Wij hoorden veel verhalen uit het zuiden, toen Sméagol jong was, lang geleden. O ja, we vertelden ’s avonds hopen verhalen, aan de oever van de Grote Rivier, in de wilgenlanden, toen de Rivier ook jonger was, gollem, gollem.’ Hij barstte weer in gesnik en gemompel uit. De hobbits wachtten geduldig.