Выбрать главу

‘Verhalen uit het zuiden,’ vervolgde Gollem weer, ‘over de grote mensen met de stralende ogen en hun huizen als heuvels van ssteen, en de zilveren kroon van hun Koning en zijn Witte Boom; prachtige verhalen. Zij bouwden hele hoge torens, en een ervan was zilverwit, en daarin bevond zich een steen als de Maan en eromheen waren grote witte muren. O ja, er waren hopen verhalen over de Toren van de Maan.’

‘Dat is waarschijnlijk Minas Ithil, dat Isildur, de zoon van Elendil, bouwde,’ zei Frodo. ‘Het was Isildur die de vinger van de Vijand heeft afgesneden.’

‘Ja, hij heeft er maar vier aan de Zwarte Hand, maar die zijn genoeg,’ zei Gollem huiverend. ‘En hij haatte Isildurs stad.’

‘Wat haat hij niet?’ vroeg Frodo. ‘Maar wat heeft de Toren van de Maan met ons te maken?’

‘Welnu, meester, daar stond hij en daar staat hij nog: de hoge toren en de witte huizen en de muur; maar niet aardig nu, niet mooi. Hij heeft hem langgeleden veroverd. Is een ontzettende plaats nu. Reizigers huiveren wanneer ze hem zien, ze ssluipen ervandaan, ze mijden de schaduw ervan. Maar meester zal die weg moeten gaan. Dat is de enige andere weg. Want de bergen zijn daar lager en de oude weg gaat omhoog en omhoog, totdat hij een donkere pas bij de top bereikt en dan gaat hij weer omlaag, naar omlaag – naar Gorgoroth.’ Zijn stem zwakte af tot gefluister en hij huiverde.

‘Maar hoe zal ons dat helpen?’ vroeg Sam. ‘De Vijand weet toch zeker alles van zijn eigen bergen af, en die weg zal even zwaar bewaakt worden als deze. De toren staat toch zeker niet leeg?’

‘O nee! Niet leeg!’ fluisterde Gollem. ‘Hij lijkt leeg, maar hij is het niet. O nee! Heel verschrikkelijke dingen wonen daar. Orks, ja altijd orks; maar ergere dingen, ergere dingen wonen daar ook. De weg stijgt tot vlak onder de schaduw van de muren en loopt langs de poort. Er beweegt niets op die weg of zij weten ervan. De wezens binnen weten het: de Zwijgende Wachters.’

‘Zo, dus dat is jouw advies,’ zei Sam, ‘om opnieuw een lange mars naar het zuiden te maken, om in dezelfde situatie, of erger nog terecht te komen wanneer we daar aankomen, als dat ooit gebeurt.’

‘Nee, nee, heus niet,’ zei Gollem. ‘Hobbits moeten zien, moeten proberen te begrijpen. Hij verwacht daar geen aanval. Zijn Oog kijkt overal, maar schenkt aan bepaalde plaatsen meer aandacht dan aan andere. Hij kan niet alles tegelijk zien, nog niet. Zie je, hij heeft het hele land ten westen van de Schaduwbergen tot aan de Rivier veroverd, en hij heeft de bruggen nu in handen. Hij meent dat niemand naar de Maantoren kan komen zonder een grote slag bij de bruggen te leveren, of hopen boten mee moet nemen die zij niet kunnen verbergen en waar hij van zal weten.’

‘Je schijnt goed op de hoogte te zijn van wat hij doet en denkt,’ zei Sam. ‘Heb je onlangs nog met hem gesproken? Of heb je met de orks aangepapt?’

‘Geen aardige hobbit, niet verstandig,’ zei Gollem met een nijdige blik op Sam, en wendde zich tot Frodo. ‘Sméagol heeft met orks gesproken, ja, natuurlijk, voor hij meester ontmoette, en met veel lieden: hij heeft heel ver gelopen. En wat hij zegt, zeggen vele lieden. Het is hier in het noorden dat voor hem en voor ons het grote gevaar dreigt. Hij zal eens door de Zwarte Poort komen, binnenkort. Dat is de enige weg die grote legers kunnen gaan. Maar in het westen is hij niet bang en daar zijn de Zwijgende Wachters.’

‘O juist!’ zei Sam, die zich niet liet overdonderen. ‘Dus wij moeten er eenvoudig heenlopen en op hun poort kloppen en vragen of we op de goede weg naar Mordor zijn? Of zijn ze te zwijgzaam om te antwoorden? Het is onzinnig. We kunnen het evengoed hier doen en ons een lange tocht besparen.’

‘Maak er geen grapjes over,’ siste Gollem. ‘Het is niet grappig. O nee! Niks amusant. Het heeft niks geen zin om te proberen Mordor binnen te komen. Maar als meester zegt: Ik moet gaan of Ik zal gaan, dan moet hij het op de een of andere manier proberen. Maar hij moet niet naar de verssschrikkelijke stad gaan. O nee, natuurlijk niet. Daar helpt Sméagol, aardige Sméagol, hoewel niemand hem vertelt waar het allemaal om gaat. Hij heeft het gevonden. Hij weet het.’

‘Wat heb je gevonden?’ vroeg Frodo.

Gollem boog zich voorover en begon weer te fluisteren. ‘Een klein pad dat omhoog de bergen in leidt; en dan een trap, een smalle trap, o ja, heel lang en smal. En dan nog meer trappen. En dan’ – hij fluisterde nog zachter – ‘een tunnel, een donkere tunneclass="underline" en dan ten slotte een kleine spleet, en een pad hoog boven de hoofdpas. Op die manier is Sméagol uit de duisternis tevoorschijn gekomen. Maar dat was jaren geleden. Misschien is het pad nu verdwenen, maar misschien niet, misschien niet.’

‘Het staat me helemaal niet aan,’ zei Sam. ‘Het klinkt te gemakkelijk als je het zo hoort. Als dat pad er nog is, zal het ook wel bewaakt worden. Werd het niet bewaakt, Gollem?’

Toen hij dit zei, verbeeldde hij zich een groene glans in Gollems ogen te zien. Gollem mompelde iets, maar gaf geen antwoord. ‘Wordt het niet bewaakt?’ vroeg Frodo ernstig. ‘En ben je werkelijk uit de duisternis ontsnapt, Sméagol? Heeft men je integendeel niet toegestaan om weg te gaan, met de een of andere opdracht? Dat dacht Aragorn tenminste, die je een paar jaar geleden bij de Dode Moerassen heeft gevonden.’

‘Dat is een leugen!’ siste Gollem en er verscheen een boosaardig licht in zijn ogen toen hij de naam Aragorn hoorde noemen. ‘Hij heeft over me gelogen, ssja, dat heeft-ie. Ik ben echt ontsnapt, moederziel alleen. Natuurlijk had ik opdracht om de Lieveling te zoeken en ik heb gezocht en gezocht, natuurlijk heb ik dat gedaan. Maar niet voor de Zwarte. De Lieveling was van ons, hij was van mij, zeg ik jullie. Ik ben echt ontsnapt.’

Frodo voelde een vreemde zekerheid dat Gollem wat deze zaak aanging nu eens niet zo ver bezijden de waarheid was als men zou vermoeden; dat hij werkelijk op de een of andere manier een uitweg uit Mordor had gevonden, en in ieder geval in de mening verkeerde dat dit aan zijn eigen slimheid te danken was. En hij merkte ook op dat Gollem de eerste persoon enkelvoud gebruikte, en dat scheen gewoonlijk een teken te zijn, de zeldzame keren dat het gebeurde, dat iets van de oude waarheid en oprechtheid voor d at ogenblik de overhand had. Maar ook al was Gollem op dit punt te vertrouwen, Frodo vergat de listen van de Vijand niet. Misschien was de ‘ontsnapping’ toegestaan of voorbereid, en bekend in de Zwarte Toren. En in ieder geval was het duidelijk dat Gollem heel wat achterhield. ‘Ik vraag je nogmaals,’ zei hij, ‘wordt deze geheime weg niet bewaakt?’

Maar de naam Aragorn had Gollem in een gemelijke bui gebracht. Hij had de beledigde houding van een leugenaar die verdacht wordt, maar voor één keer de waarheid heeft verteld, of een gedeelte ervan. Hij gaf geen antwoord.

‘Wordt hij niet bewaakt?’ herhaalde Frodo.

‘Ja, ja, misschien. Geen veilige plaatsen in dit land,’ zei Gollem knorrig. ‘Geen veilige plaatsen. Maar meester moet het proberen of naar huis gaan. Geen andere manier.’ Ze konden niet meer uit hem krijgen. De naam van de gevaarlijke plaats en de hoge pas kon of wilde hij niet zeggen.

Die naam was Cirith Ungol, een naam waar vreselijke geruchten over bestonden. Aragorn had hem die naam en de betekenis ervan misschien kunnen vertellen: Gandalf zou hen hebben gewaarschuwd. Maar zij waren alleen, Aragorn was ver weg en Gandalf stond midden in de verwoesting van Isengard en streed met Saruman, opgehouden door verraad. Maar terwijl hij zijn laatste woorden tot Saruman sprak en de palantír in vuur neerstortte op de treden van Orthanc, moest hij voortdurend aan Frodo en Sam Gewissies denken: over de lange mijlen zocht zijn geest hen met hoop en medelijden.

Misschien voelde Frodo het, onbewust, zoals dat op de Amon Hen het geval was geweest, ook al geloofde hij dat Gandalf was verdwenen, voor altijd in de schaduwen van Moria, ver in de diepte verdwenen. Hij bleef lange tijd stil met gebogen hoofd op de grond zitten, en probeerde zich alles voor de geest te halen wat Gandalf tegen hem had gezegd. Maar voor deze keus kon hij zich geen raad herinneren. Gandalfs raadgevingen waren hem trouwens te vroeg, al te vroeg ontvallen, terwijl het Zwarte Land nog ver weg was. Hoe zij het ten slotte binnen zouden komen had Gandalf nooit gezegd. Misschien kon hij het ook niet zeggen. In de vesting van de Vijand in het noorden, in Dol Guldur, had hij zich eens gewaagd. Maar in Mordor, naar de Vuurberg en naar Barad-dûr – was hij daar ooit heen gegaan sinds de Zwarte Vorst weer in zijn macht was hersteld? Frodo dacht van niet. En daar zat hij nu, een kleine halfling uit de Gouw, een eenvoudige hobbit uit de provincie, van wie werd verwacht dat hij een weg zou vinden die de groten niet konden of durfden gaan. Het was een boos lot. Maar hij had het zelf op zich genomen toen hij in zijn eigen zitkamer in het verre voorjaar van een ander jaar had gezeten, zo ver weg nu, dat het als een hoofdstuk in de geschiedenis van de jeugd van de wereld was, toen de Bomen van Zilver en Goud nog bloeiden. Dit was een zware keuze. Welke weg moest hij nemen? En als beide naar verschrikking en dood leidden, wat voor nut had het dan om te kiezen?