Выбрать главу

De dag verstreek. Een diepe stilte daalde over de kleine grijze holte waar zij lagen, zo dicht bij de grenzen van het land van angst: een stilte die voelbaar was, alsof er een dikke sluier hing die hen van de hen omringende wereld afsneed. Boven hen was een fletse hemelkoepel met strepen van overdrijvende rook, maar die scheen hoog en ver weg, alsof men haar zag door grote diepten van lucht, zwanger van sombere gedachten.

Zelfs geen adelaar die voor de zon zweefde zou de hobbits die daar onder de last van het lot zaten, hebben opgemerkt, zwijgend, onbeweeglijk, gehuld in hun dunne grijze mantels. Misschien zou hij een ogenblik stil hebben gehouden om naar Gollem te kijken: een klein figuurtje dat op de grond lag: daar lag misschien het skelet van het een of andere verhongerde mensenkind, met zijn gerafelde kleren nog om zich heen, zijn lange armen en benen vel over been: geen vlees om aan te pikken.

Frodo zat met het hoofd op de knieën, maar Sam zat achterovergeleund, met de handen achter zijn hoofd, van onder zijn kap uit naar de lege hemel te staren. Dat wil zeggen, hij was lange tijd leeg. Toen meende Sam ineens dat hij een donkere vogelachtige gedaante binnen zijn gezichtskring zag cirkelen, en zweven en toen weer wegwieken. Er volgden er nog twee, en toen een vierde. Ze leken op het oog heel klein, maar toch wist hij op de een of andere manier dat ze ontzagwekkend waren, met een enorme vleugelwijdte, en dat ze op grote hoogte vlogen. Hij bedekte zijn ogen en boog zich naar voren tegen de grond aan. Hij had dezelfde waarschuwende angst die hij in tegenwoordigheid van de Zwarte Ruiters had gevoeld, de hulpeloze afschuw die met de kreet op de wind en de schaduw over de maan was gekomen, hoewel die nu minder drukkend en dwingend was: de dreiging was verderaf. Maar een dreiging was het. Frodo voelde haar ook. Zijn gedachten werden verstoord. Hij maakte een beweging en huiverde, maar hij keek niet op. Gollem kromp ineen als een in het nauw gedreven spin. De gevleugelde gedaanten cirkelden, doken snel naar beneden en spoedden zich naar Mordor terug.

Sam haalde diep adem. ‘De Ruiters zijn weer op pad, in de lucht,’ zei hij, schor fluisterend. ‘Ik zag ze. Denkt u dat ze ons konden zien? Ze waren heel hoog. En als het dezelfde Zwarte Ruiters zijn als eerst, kunnen ze bij daglicht niet veel zien, wel?’

‘Nee, misschien niet,’ zei Frodo. ‘Maar hun paarden konden wel zien. En deze gevleugelde wezens waar zij nu op rijden, kunnen waarschijnlijk beter zien dan enig ander schepsel. Het lijken net grote roofvogels. Ze zoeken iets: de Vijand houdt de wacht, vrees ik.’

Het gevoel van angst verdween, maar de omringende stilte was verbroken. Zij waren nu enige tijd afgesneden geweest van de wereld, als op een onzichtbaar eiland; nu waren zij weer blootgelegd, het gevaar was teruggekeerd. Maar nog altijd sprak Frodo nie t tegen Gollem, en ook nam hij geen beslissing. Zijn ogen waren gesloten, alsof hij droomde of binnen in zijn hart en geheugen keek. Eindelijk verroerde hij zich en stond op, en het scheen dat hij op het punt stond zijn beslissing mee te delen. Maar: ‘Luister!’ zei hij. ‘Wat is dat?’

Een nieuwe angst overviel hen. Zij hoorden zingen en schor geschreeuw. Eerst leek het ver weg, maar het kwam dichterbij: het kwam op hen af. Allen dachten ineens dat de Zwarte Vleugels hen hadden opgemerkt en gewapende soldaten hadden gestuurd om hen gevangen te nemen; geen snelheid scheen te groot voor deze verschrikkelijke dienaren van Sauron. Zij gingen plat op de grond liggen en luisterden. De stemmen en het gekletter van wapenen en harnassen waren heel dichtbij. Frodo en Sam haalden hun kleine zwaarden uit de scheden. Het was onmogelijk om te vluchten.

Gollem stond langzaam op en kroop als een insect naar de rand van de holte. Heel behoedzaam trok hij zich centimeter voor centimeter op, totdat hij tussen twee puntige stukken steen door kon kijken. Hij bleef daar enige tijd zitten zonder zich te bewegen en maakte geen geluid. Weldra begonnen de stemmen zich weer terug te trekken, tot ze langzaam vervaagden. In de verte schalde een hoorn op de muren van de Morannon. Toen liet Gollem zich stilletjes terugzakken en viel weer in de kuil neer.

‘Nog meer mensen die op weg zijn naar Mordor,’ zei hij zacht. ‘Donkere gezichten. We hebben nog nooit eerder mensen als deze gezien, nee, nee, dat heeft Sméagol niet. Ze zien er woest uit. Ze hebben zwarte ogen en lang zwart haar en gouden ringen in hu n oren; ja, een heleboel schitterend goud. En sommigen hebben rode verf op hun wangen, en rode mantels en hun vlaggen zijn rood en ook de punten van hun speren; en ze hebben ronde schilden, geel en zwart, met grote punten. Niks leuk; hele wrede, slechte mensen lijken het. Bijna even slecht als orks, maar veel groter. Sméagol denkt dat zij uit het zuiden zijn gekomen, voorbij het einde van de Grote Rivier; ze zijn langs die weg gekomen. Zij zijn verdergegaan naar de Zwarte Poort; maar misschien volgen er meer. Almaar meer mensen trekken naar Mordor. Op een dag zullen alle volken daarbinnen zijn.’

‘Waren er ook olifanten?’ vroeg Sam, die in zijn verlangen naar bijzonderheden over vreemde landen zijn angst vergat.

‘Nee, nee, geen olifanten. Wat zijn olifanten?’ vroeg Gollem.

Sam stond op en legde zijn handen op de rug (zoals hij altijd deed wanneer hij poëzie ‘zegde’) en begon:

Grijs als een muis, Groot als een huis, Neus als een slang, Gedreun van belang Als ik stamp door ’t gras Bomen barsten als glas. Twee hoorns in m’n bek, Door het zuiden ik trek Met flaporen wijd. Sinds onheuglijke tijd Stamp ik almaar rond, Lig nooit op de grond, Ook stervend niet, want Ik ben olifant, ’t Grootst van allemaal, Oud, hoog als een zaal, Wie mij ooit zag, een keer, Vergeet me niet meer. Als je me nooit ziet Dan denk je: ik besta niet. Ik ben de oude Olifant, Altijd ambulant.

‘Dat,’ zei Sam toen hij klaar was met reciteren, ‘dat is een rijm dat wij bij ons in de Gouw hebben. Onzin misschien, maar misschien ook niet. Maar we hebben ook onze eigen verhalen en nieuws uit het zuiden, weet je. In vroegere tijden gingen de hobbits a f en toe op reis. Niet dat velen ooit terugkwamen, en ook niet alles wat ze zeiden, werd geloofd; nieuws uit Breeg en even twijfelachtig als Gouwpraat, zoals de gezegdes luiden. Maar ik heb verhalen gehoord over de grote lieden ver weg in de Zonnelanden. Zwartlingen noemen wij ze in onze verhalen en ze rijden op olifanten, zo zegt men, als ze vechten. Ze zetten huizen en torens op de ruggen van olifanten en de olifanten gooien rotsen en stenen naar elkaar. Dus toen jij zei: “Mensen uit het zuiden, helemaal in rood en goud”, vroeg ik: “Waren er ook olifanten?” Want als dat zo is, ga ik kijken, gevaar of geen gevaar. Maar ik denk niet dat ik ooit nog een olifant zal zien. Misschien bestaat er niet eens zo’n beest.’ Hij zuchtte.